Doorrijden na een
aanrijding (Verlaten Plaats Ongeval) is helaas nog steeds een veel gepleegd misdrijf.
Het levert een hoop ergernis op bij de burgers, maar ook bij ons als Politie
vanwege de vele kostbare (verloren) onderzoeksuren.
Bert is gezellig bij de
‘tennis’ geweest en rijdt met zijn peperdure SUV over de A weg richting zijn
huis in X dorp. In het dagelijks leven is Bert directeur van een grote
onderneming en geeft leiding aan ongeveer honderd man
personeel. Bert heeft die avond stevig door gedronken, maar besluit toch om in
zijn eigen auto naar huis te rijden. Dit terwijl hij volgens mij lantaarnpalen
moet zien oversteken. Bij de rotonde gaat het mis en botst hij tegen een auto
voor hem. De auto van deze man is zwaar beschadigd en deze heeft gelukkig, op
enkele wondjes aan zijn hoofd na, geen letsel. Hij wordt voor de zekerheid toch door de collega’s
van de GGD nagekeken, omdat het een behoorlijke klap is geweest. Bert rijdt
zonder te stoppen door naar zijn huis.
Tot onze grote vreugde vinden
wij de kentekenplaat van Bert, die op een bijzondere wijze om de uitlaat
van de auto van het slachtoffer zit. Het kenteken staat op naam van een bedrijf, gevestigd in een groot industriegebied. Wij hebben natuurlijk geen idee wie de
bestuurder van de auto is. Het kenteken komt helaas bij ons niet voor in de
systemen, dus daar komen we ook niet verder mee. Maar elk groot bedrijf heeft wel een
waarschuwingsadres in geval van een inbraak of calamiteit, dus bel ik de
meldkamer. Ik krijg het telefoonnummer van een werknemer van het bedrijf en bel deze op.
Quasi vertel ik de
werknemer dat ik zijn kentekenplaat heb gevonden. De man reageert nogal verbaasd
als ik het kenteken noem en begint te lachen. Hij vertelt dat hij wel zou
willen dat dat zijn auto was, maar dat hij die niet kan betalen. Hij vertelt
dat dit het kenteken is van de auto van zijn baas, Bert. Ik vertel hem dat het een
dure kentekenplaat is, zo’n ding met opgelegde letters en dat zijn baas wel
blij zou zijn als ik deze vanavond nog bij hem thuis zou bezorgen.
Vanzelfsprekend is de man het hiermee roerend eens. Ik vraag hem het adres van
zijn baas, maar jammer genoeg weet de man alleen te vertellen dat zijn baas in X
dorp woont in die dure wijk. Wel geeft hij mij het mobiele telefoonnummer op
van Bert en enigszins teleurgesteld hang ik de telefoon op.
Maar het woord ‘opgeven’
staat niet in mijn woordenboek, dus alle zoeksystemen worden geraadpleegd. We
hebben geluk, Bert wordt met naam en adres vernoemd als secretaris van de tennisclub.
Met gezwinde spoed rijden we naar het adres van Bert toe en treffen daar de
beschadigde SUV voor de villa van Bert aan, de kentekenplaat ontbreekt aan de
voorkant. Helaas is het huis van Bert compleet donker en we hebben ook het idee
dat Bert echt niet thuis is. Dit wordt bevestigd door een voorbijganger. Hij
vraagt wat we zoeken op het erf en ik vertel dat ik graag de eigenaar van SUV wil
spreken, maar dat deze niet thuis lijkt te zijn. De man vertelt dat hij zijn
hond aan het uitlaten was en op een gegeven moment een auto ziet komen aanrijden
die een schurend en piepend geluid maakt. Hij vertelt dat de SUV, die voor onze
neus staat, voorbij kwam rijden met een kapotte koplamp. Als de auto voorbij is
ruikt hij een geur van verbrande olie. In combinatie met het schurende en
piepend geluid vindt hij dit wel vreemd. Nieuwsgierig kijkt hij de SUV na en
ziet dat de bestuurder hem een stuk verderop parkeert op de oprit van een huis.
Hij ziet de bestuurder vervolgens naar de voordeur van de woning lopen. Voor de
rest zit er niemand in de auto. Hij vertelt dat het lang duurt voordat de man de
deur van de woning open krijgt en naar binnen gaat. Kort hierna ziet hij dat de
man de voordeur weer uitkomt en met een zaklamp de voorkant en de onderkant van
de auto beschijnt. Hierna ziet en hoort hij dat de man aan het bellen is. Hij
vertelt dat hij nog even is blijven staan om te kijken wat de man ging doen. Na
ongeveer 10 minuten verschijnt er een taxi voor de deur en ziet hij dat de man
daarin stapt. Ik vraag hem hoe de man eruit zag en de voorbijganger geeft een
goed signalement van de bestuurder. Ik vraag hem ook of hij gezien heeft van
wat voor taxibedrijf de taxi was en de man vertelt dat hij gezien heeft dat het
een taxi was van Xtax. Ik noteerde de gegevens van de man en bedank hem
hartelijk voor zijn hulp.
Maar waar is Bert gebleven?
Ik bel de taxicentrale van Xtax op. Ik vertel dat er zo juist een taxi is
vertrokken uit de B straat uit X dorp en dat aan boord een mijnheer genaamd
Bert zit. Ik vertel dat ik deze man dringend wil spreken vanwege een door hem
gepleegd misdrijf, echter zonder dat de taxichauffeur hiervoor opgeroepen dient
te worden. Dit om te voorkomen dat Bert de benen zal nemen. De centralist van
de taxicentrale vertelt mij dat Bert een taxi genomen heeft naar Breda. Via GPS
kan hij zien dat de taxi inmiddels op de autosnelweg rijdt. Die kunnen wij
nooit meer inhalen. Ik krijg van hem het kenteken van de taxi en houd hem aan
de lijn om de positie door te geven van de taxi. Vervolgens roept mijn collega de
meldkamer op voor een politieauto die de taxi kan onderscheppen. Gelukkig blijkt
er een politieauto in de buurt te zijn. Na enige minuten hoor ik dat de collega’s
in de politieauto de taxi zien rijden op de autosnelweg in de richting van
Breda.
Ik bedank de centralist
van de taxicentrale en besluit met een vette glimlach om het mobiele
telefoonnummer van Bert eens te bellen. Ik krijg Bert aan de lijn en vertel hem
dat ik van de Politie ben en dat hij verdacht wordt van het verlaten van een
plaats ongeval met een SUV. Bert vertelt dat hij deze avond helemaal niet
gereden heeft en dat hij niet weet wie zijn auto beschadigd heeft neergezet op
zijn erf. Dat is leuk om te horen, want ik heb het woord ‘erf’ namelijk
helemaal niet genoemd. Dat heet met een mooi woord ‘daderwetenschap’. Hij
vertelt dat hij alcohol heeft gedronken en zich op dit moment keurig laat
rijden door een vriend. Ik vraag hem waar hij dan rijdt met die vriend en Bert
vertelt dat hij onderweg is naar zijn vriendin in Utrecht. “Dan zit je wel
helemaal verkeerd!” zeg ik tegen hem. “Wat bedoel je?” vraagt Bert. Ik zeg tegen
hem: “Je zit nu in een taxi op weg naar Breda, dus dat is toch vreemd!”.
Ik zeg vervolgens tegen
Bert dat hij door de achterruit van de taxi moet kijken naar
de politiebus die achter hem rijdt op de autosnelweg. Hierna wordt Bert opeens
verdacht stil. Ik onderbreek deze stilte en vertel dat hij zo meteen wordt
aangehouden voor het verlaten plaats ongeval en ik hem straks wel zie op het
politiebureau. Hierna verbreek ik de verbinding met een nog grotere glimlach,
wat een leugenaar!
De collega’s houden
Bert aan en namen een sterke alcohollucht waar. Bert blaast op het selectieapparaat
een F-indicatie (Fail). Dat betekent dat hij behoorlijk gedronken heeft.
Op het bureau blaast
Bert hoog van de toren in plaats van op het ademanalyseapparaat. Hij valt me
continue in de reden. Hij heeft de beste advocaten tot zijn beschikking en
wenst niet mee te werken aan een blaastest. Ik vertel Bert dat ik begrijp dat hij
de baas is van een groot bedrijf, verantwoordelijkheid heeft met zo’n groot bedrijf
en duidelijk gewend is de orders uit te delen, zonder tegen gesproken te worden.
Ik vertel hem dat ik op dit moment degene ben die de orders uitdeelt en dat hij
vandaag naar ons moet luisteren, zonder te vertellen hoe we ons werk moeten
doen. Verder deel ik hem mede dat als hij zou weigeren om te blazen, hij direct
afscheid kan nemen van zijn rijbewijs en de hoogste boete tegemoet kan zien
voor weigering. Ik vorder hem om te blazen op het ademanalyseapparaat, waaraan
hij toch uiteindelijk meewerkt. Zijn rijbewijs wordt ingevorderd vanwege zijn
veel te hoge promillage en hij krijgt een dagvaarding in persoon uitgereikt met
de datum van de rechtszitting. Bert ziet af van bijstand tijdens zijn verhoor
door een advocaat en vertrekt opnieuw per taxi naar Breda.
Al is de leugen nog zo
snel, de politie achterhaalt hem wel.
(Volgende blog 13/04)
Copyright
Copyright P.Kats. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd worden en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.
maandag 30 maart 2015
maandag 16 maart 2015
Politieagent slaat vrouw
Het is net als in een film, je stapt halverwege in en mist een
gedeelte. Je vraagt je dan af wat er allemaal gebeurd is en hoe het zover
gekomen is. Maar dat vraagt men zich niet af als ze mij zien vechten, met een
vrouw…
Een surveillanceauto van ons bureau roept mij als motorrijder op ter assistentie. Ze zien een motorscooter rijden met twee personen erop, een man als bestuurder en een vrouw als passagier. Bij het nakijken van het kenteken blijkt de scooter gestolen te zijn. Als ze de bestuurder een stopteken geven gaat deze er vandoor. Omdat beiden geen helm dragen houden de collega’s afstand om ze niet in gevaar te brengen. Immers bij een achtervolging, waarbij de verdachte en de berijdster ten val zouden komen en ernstig letsel zouden oplopen wordt de politie op het matje geroepen. Als de verdachte een pad inslaat waar een paaltje de politieauto de weg versperd kan de berijdster het niet nalaten haar middelvinger op te steken aan de collega’s. Ze hebben het nakijken.
Als motorrijder ruik ik mijn kans, omdat ik geen last van paaltjes heb en de scooter met beiden graag wil hebben. Nog geen 500 meter verder krijg ik de scooter in het zicht en zet de achtervolging in. De verdachte rijdt met hoge snelheid door de woonwijk heen, dus besluit ik om er snel een eind aan te maken. Ik ga naast de scooter rijden en roep naar de bestuurder dat hij moet stoppen, anders dwing ik hem tot stoppen. Plotseling schopt de bestuurder naar me, maar bliksemsnel ontwijk ik de schop. Mijn adrenaline peil stijgt. De verdachte slaat een brandgang in en bij de eerste de beste zijingang springt de vrouw van de scooter af en rent de steeg in. De scooter rijdt door en we racen weer verder. Ik zet mijn ‘toeters en bellen’ aan en probeer van alles om de verdachte tot stoppen te dwingen. We rijden wederom de steeg in waar de vrouw van de scooter gesprongen is en plotseling zie ik haar staan. Te laat zie ik dat zij een snoekduik doet naar mijn rechterarm. Doordat zij mijn rechterarm weet beet te pakken slaat mijn stuur naar rechts en smak ik over mijn motor heen op straat. De gestolen motorscooter verdwijnt uit het zicht. Als ik opkrabbel zie ik de vrouw aan het eind van de steeg nog net de hoek omlopen. Ik trek een sprint en zie om de hoek haar verderop rennen. Ik ben zo kwaad dat het lijkt of ik vleugels heb. Ik heb haar binnen no-time ingehaald en pak haar beet. In de verte hoor ik de sirene van mijn motor, die nog steeds aanstaat.
Al hijgend zeg ik dat ze is aangehouden. Ze wil zich losrukken, maar ik pak haar stevig om haar nek. Dan zet ze haar tanden in mijn linkerhand en bijt zo hard als ze kan. Ondanks dat ik motorhandschoenen aan heb voel ik een vlammende pijn. Ik heb me altijd voorgenomen om NOOIT vrouwen te slaan, aarzel even, maar sla ze vervolgens met mijn overgebleven hand in het gezicht. Ze laat nog steeds niet los waarop ik nogmaals en harder in haar gezicht sla. Ze laat nog niet los en dan stomp ik haar zo hard dat ze wel los moet laten. Dan hoor ik om me heen hard roepen: “Doe normaal joh! Je slaat toch geen vrouw!” Het moment dat toekijkers halverwege de film binnenstappen. Ze blijft heftig verzet bieden, kennelijk gesteund door de bemoedigende woorden van de toekijkers, en weet me dan ook nog in het gezicht te spuwen. Dan vind ik het genoeg. Met al mijn krachten smijt ik haar op de grond, draai haar op haar buik en weet ze te boeien. De sfeer om me heen wordt grimmig. Ik roep om spoedassistente en ben blij als de eerste politieauto de straat inrijdt en de collega’s me in bescherming nemen. Als blikken kunnen doden, zou ik ter plekke dood neervallen. De collega’s nemen de verdachte over en ik loop terug naar mijn motor. Ik trek mijn motorhandschoen uit en zie de tanden tot bloedens toe in mijn handpalm staan. Aan de ene kant voel ik me beroerd dat ik me zo heb laten pakken, aan de andere kant heb ik figuurlijk mijn tanden laten zien. Maar de meningen op straat hebben ze al klaar, die politieagent heeft buiten proportioneel geweld gebruikt.
Als ik bij mijn motor kom, blijkt de sirene uit te zijn. Een oude man staat naast mijn motor en kijkt me aan. Hij heeft diverse knopjes geprobeerd en de sirene uit weten te zetten. Ik krijg tranen in mijn ogen als hij een arm op mijn schouder legt en zegt : “Jongen, je hebt goed gehandeld. Ik heb alles gezien. Ik ben trots op je!” Hij vertelt dat de buurt verloederd is door dat soort figuren, maar dat hij helaas niet meer kan verhuizen. Als ik zijn gegevens genoteerd heb raap ik mijn motor op en krijg hem gelukkig weer aan de praat. De kuip is gescheurd, de spiegel afgebroken en de valbeugel afgebroken maar ik kan nog rijden. Met een slakkengangetje rijd ik naar het bureau. Ik voel overal pijn.
Een surveillanceauto van ons bureau roept mij als motorrijder op ter assistentie. Ze zien een motorscooter rijden met twee personen erop, een man als bestuurder en een vrouw als passagier. Bij het nakijken van het kenteken blijkt de scooter gestolen te zijn. Als ze de bestuurder een stopteken geven gaat deze er vandoor. Omdat beiden geen helm dragen houden de collega’s afstand om ze niet in gevaar te brengen. Immers bij een achtervolging, waarbij de verdachte en de berijdster ten val zouden komen en ernstig letsel zouden oplopen wordt de politie op het matje geroepen. Als de verdachte een pad inslaat waar een paaltje de politieauto de weg versperd kan de berijdster het niet nalaten haar middelvinger op te steken aan de collega’s. Ze hebben het nakijken.
Als motorrijder ruik ik mijn kans, omdat ik geen last van paaltjes heb en de scooter met beiden graag wil hebben. Nog geen 500 meter verder krijg ik de scooter in het zicht en zet de achtervolging in. De verdachte rijdt met hoge snelheid door de woonwijk heen, dus besluit ik om er snel een eind aan te maken. Ik ga naast de scooter rijden en roep naar de bestuurder dat hij moet stoppen, anders dwing ik hem tot stoppen. Plotseling schopt de bestuurder naar me, maar bliksemsnel ontwijk ik de schop. Mijn adrenaline peil stijgt. De verdachte slaat een brandgang in en bij de eerste de beste zijingang springt de vrouw van de scooter af en rent de steeg in. De scooter rijdt door en we racen weer verder. Ik zet mijn ‘toeters en bellen’ aan en probeer van alles om de verdachte tot stoppen te dwingen. We rijden wederom de steeg in waar de vrouw van de scooter gesprongen is en plotseling zie ik haar staan. Te laat zie ik dat zij een snoekduik doet naar mijn rechterarm. Doordat zij mijn rechterarm weet beet te pakken slaat mijn stuur naar rechts en smak ik over mijn motor heen op straat. De gestolen motorscooter verdwijnt uit het zicht. Als ik opkrabbel zie ik de vrouw aan het eind van de steeg nog net de hoek omlopen. Ik trek een sprint en zie om de hoek haar verderop rennen. Ik ben zo kwaad dat het lijkt of ik vleugels heb. Ik heb haar binnen no-time ingehaald en pak haar beet. In de verte hoor ik de sirene van mijn motor, die nog steeds aanstaat.
Al hijgend zeg ik dat ze is aangehouden. Ze wil zich losrukken, maar ik pak haar stevig om haar nek. Dan zet ze haar tanden in mijn linkerhand en bijt zo hard als ze kan. Ondanks dat ik motorhandschoenen aan heb voel ik een vlammende pijn. Ik heb me altijd voorgenomen om NOOIT vrouwen te slaan, aarzel even, maar sla ze vervolgens met mijn overgebleven hand in het gezicht. Ze laat nog steeds niet los waarop ik nogmaals en harder in haar gezicht sla. Ze laat nog niet los en dan stomp ik haar zo hard dat ze wel los moet laten. Dan hoor ik om me heen hard roepen: “Doe normaal joh! Je slaat toch geen vrouw!” Het moment dat toekijkers halverwege de film binnenstappen. Ze blijft heftig verzet bieden, kennelijk gesteund door de bemoedigende woorden van de toekijkers, en weet me dan ook nog in het gezicht te spuwen. Dan vind ik het genoeg. Met al mijn krachten smijt ik haar op de grond, draai haar op haar buik en weet ze te boeien. De sfeer om me heen wordt grimmig. Ik roep om spoedassistente en ben blij als de eerste politieauto de straat inrijdt en de collega’s me in bescherming nemen. Als blikken kunnen doden, zou ik ter plekke dood neervallen. De collega’s nemen de verdachte over en ik loop terug naar mijn motor. Ik trek mijn motorhandschoen uit en zie de tanden tot bloedens toe in mijn handpalm staan. Aan de ene kant voel ik me beroerd dat ik me zo heb laten pakken, aan de andere kant heb ik figuurlijk mijn tanden laten zien. Maar de meningen op straat hebben ze al klaar, die politieagent heeft buiten proportioneel geweld gebruikt.
Als ik bij mijn motor kom, blijkt de sirene uit te zijn. Een oude man staat naast mijn motor en kijkt me aan. Hij heeft diverse knopjes geprobeerd en de sirene uit weten te zetten. Ik krijg tranen in mijn ogen als hij een arm op mijn schouder legt en zegt : “Jongen, je hebt goed gehandeld. Ik heb alles gezien. Ik ben trots op je!” Hij vertelt dat de buurt verloederd is door dat soort figuren, maar dat hij helaas niet meer kan verhuizen. Als ik zijn gegevens genoteerd heb raap ik mijn motor op en krijg hem gelukkig weer aan de praat. De kuip is gescheurd, de spiegel afgebroken en de valbeugel afgebroken maar ik kan nog rijden. Met een slakkengangetje rijd ik naar het bureau. Ik voel overal pijn.
Op het bureau kan ik amper mijn motorjas uitkrijgen en brengen
collega’s me naar het ziekenhuis toe. De diagnose is een gescheurd schouderblad
en bloedstolsels bij mijn ruggengraat. Ik word thuisgebracht en mag zes weken
verplicht rust houden. De aangifte wordt bij me thuis opgenomen door de
collega’s en de verdachte krijgt direct een snelproces. Doordat het korps
tegenwoordig zaken, waarbij geweld tegen politieambtenaren (ook overige
hulpverleners) wordt gebruikt, snel oppakken krijg ik een advocaat toegewezen
op kosten van de politie. De verdachte krijgt ook een advocaat toegewezen, op
kosten van de staat.
Bij de rechtszitting, waar ik bij aanwezig ben, hoor ik de klaagzang
van de verdachte aan. Ze is hard geslagen door de politieagent en heeft nog
steeds pijn. De advocaat vult aan dat de politieagent in kwestie buiten
proportioneel geweld heeft gebruikt. Hij eist vrijspraak voor zijn cliënt. Even
heb ik spijt, omdat ik bang ben dat het straks de omgekeerde wereld wordt. Maar
mijn chef en een collega van de recherche, die met me meegegaan zijn naar de
rechtszaak kijken mij aan en gebaren mij rustig te blijven. Vraag niet hoe hoog
mijn hartslag was op dat moment.
Dan doet de rechter uitspraak... Ze veegt werkelijk de hele rechtszaal
aan met de argumenten van de verdachte en diens advocaat. Op niet mis te
verstane wijze wijst ze op het gedegen proces-verbaal, de getuigenverklaring en
de foto’s van de situatie ter plaatse. Ze verwijt de verdachte belediging van
de politie, expres de motoragent belemmerd te hebben en letsel te hebben
toegebracht, verzet te hebben geboden
bij de aanhouding en ook daarbij bijtwonden veroorzaakt te hebben. De advocaat
van haar heeft geen vragen meer. Mijn schadevergoeding wordt geheel toegewezen
en ze krijgt een fikse gevangenisstraf alsmede betaling van alle schade. Met een tevreden gevoel stap ik uit de rechtszaal. Het recht
heeft gezegevierd.
Zes weken later stap ik weer op de motor.
Volgende blog 30/03
Volgende blog 30/03
maandag 2 maart 2015
Belofte maakt schuld
Mensen doen vaak beloftes aan
ons als politiemensen, maar komen deze heel vaak niet na. Ze vinden het raar
dat wij als politie argwanend zijn. Bij deze melding deden we allebei een
belofte en kwamen deze na.
Het is een rustige nacht, rustig in de zin van het aantal meldingen, maar ook bladstil weer.
Het is rond de klok van 04:00 uur, als we het geluid van een racende scooter en een motor horen. Het geluid komt steeds dichterbij het bureau waar we op de binnenplaats staan, zodat Richard en ik elkaar aankijken en wel zin hebben in een achtervolging. We springen in de bus en zien voor het bureau een scooter en een quad voorbij racen. De snelheid ligt aardig boven de toegestane maximum snelheid van vijftig kilometer per uur. Beide bestuurders hebben ons niet gezien, zodat we in eerste instantie ongemerkt kunnen volgen. Als we dicht achter de scooter zitten, die geen kentekenplaat heeft, zetten we ons stopbord aan, maar kennelijk merkt de bestuurder dit niet op. Voor de verkeerslichten met de A straat stoppen beiden even en kijkt de bestuurder van de quad om.
Snel schrijft Richard het kenteken van de quad op. De bestuurder van de quad roept iets naar de scooterrijder, geeft vol gas en spurt weg. Wij proberen de scooterrijder klem te rijden, maar deze rijdt het trottoir op en keert om. Snel omkeren heeft geen zin, dus dan toch maar proberen de quad te pakken. Ook hij probeert te ontkomen, maar een quad is minder wendbaar dan een scooter. Zwaailicht en sirene erbij heeft een nog averechtser effect, want hij gaat de gekste stunten uithalen om aan ons te ontkomen. Ik neem afstand en zie dat hij een stuk verderop bijna crasht, doordat hij met volle snelheid het trottoir oprijdt tussen de geparkeerde auto’s en een huizenblok. Op een haar na mist hij een geparkeerd staand voertuig, waarop ik, uit veiligheidsoverwegingen, besluit om de achtervolging af te breken.
We hebben tenslotte het kenteken en kunnen op die manier proberen erachter te komen, wie de bestuurder was.
Nog vol met adrenaline en vastberaden om erachter te komen wie de bestuurder was, rijden we naar de B straat waar de drieëntwintigjarige eigenaar van het voertuig zou moeten wonen. Het is inmiddels 04:30 uur als we aanbellen bij het adres, in de omgeving is geen quad te zien. Na enige tijd verschijnt bij de voordeur een jongeman en onze eerste indruk is dat hij niet de bestuurder geweest is. Hij heeft een verward kapsel en de plooien van het kussen zitten nog in zijn wangen, maar uit ervaring sluit ik niets uit. Ik vraag hem waar zijn quad is en hij vertelt dat deze in reparatie is bij een ‘vriend’. Hij vraagt of er iets ergs gebeurd is en we vertellen hem in het kort wat er zojuist gebeurd is. Richard vraagt naar zijn legitimatiebewijs en vordert hem om bekend te maken wie de bestuurder was. Dat ben je als kentekenhouder verplicht, maar hij zegt niet direct een telefoonnummer te hebben of wil dit niet direct geven. Ik heb de indruk dat het om het laatste gaat, dus vraag ik hem om zijn rijbewijs. Nadat hij mij het rijbewijs heeft overhandigd, vertel ik hem dat hij zijn rijbewijs om 22:00 uur mag ophalen op het bureau Zuidplein met medeneming van ‘de vriend’. Mocht hij niet verschijnen, dan zal na achtenveertig uur zijn rijbewijs ingevorderd worden en opgestuurd worden aan de officier van justitie.
’s Avonds om 22:00 uur, als onze tweede nachtdienst begint, meldt hij zich alleen aan het bureau en overhandigt ons een rijbewijs. Hij vertelt dat dit degene is die is weggereden voor ons. Hij denkt het rijbewijs even om te ruilen en weer verder te kunnen. Die vlieger gaat natuurlijk niet op, want wat moet ik alleen met een rijbewijs zonder dat degene een verklaring aflegt? Ik vertel hem dat hij het rijbewijs weer mee mag nemen en terug mag komen met de houder van het rijbewijs. Ditmaal tovert de eigenaar wel een telefoonnummer tevoorschijn en belt die ‘vriend’ op. Hij vertelt tegen hem dat de politie er geen genoegen mee neemt, maar dat hij zelf naar het bureau moet komen. Ik krijg vervolgens de mogelijke bestuurder, die zichzelf als Rik voorstelt, aan de lijn. Ik vraag Rik waarom hij zelf niet naar het bureau komt om een verklaring af te leggen. Hij geeft aan dat hij nog 3000 euro aan boetes heeft openstaan en dat hij bang is om aangehouden te worden zodra hij zich meldt op het bureau. Ik verzeker Rik dat het mij gaat om een verklaring betreffende zijn rijgedrag. Ik hoor dat hij twijfelt, omdat hij naar eigen zeggen geen één politieagent vertrouwt. Hij is namelijk wel eens meer door de politie onder valse voorwendselen naar een bureau gelokt met als gevolg dat hij toen werd aangehouden. Momenteel heeft hij een hoogzwangere vriendin die moet bevallen, dus vastzitten wil hij niet. Ik vertel hem dat ik hem niet meer als mijn woord kan geven en dat ik wel van het kaliber ben dat ik mijn woord dan ook houd. Rik vertelt dat hij komt, maar dat het op vechten zou aankomen als ik hem toch zou aanhouden.
Binnen een kwartier staat Rik op het bureau. Hij biedt quadeigenaar, die Rik met een boos gezicht aankijkt, zijn excuses aan. Ik geef de eigenaar zijn rijbewijs terug en krijg Rik zijn rijbewijs weer in handen. Ik neem Rik mee naar een verhoorkamertje en zie dat hij een grote zwarte sporttas bij zich heeft. Het verbaast me wel, maar ik vraag hem verder niet naar de inhoud.
Rik vertelt dat hij in een opwelling met de quad, die hij gerepareerd had voor de jongen, een rondje was gaan rijden. Onderweg is hij een scooter tegengekomen en is daar tegen gaan racen. Toen plotseling achter hem een politieauto opdook die hem achtervolgde was hij bang dat de 3000 euro wel eens verdubbeld zou worden. Dat was de reden dat hij er vandoor ging. Hij besefte later wel dat de quad een kenteken voerde en de politie hem toch op de hielen zou zitten. Maar ja, toen was het leed al geschied. Hij zit nu alsnog op het politiebureau.
Gezien zijn verleden is Rik niet altijd een brave jongen geweest, maar ik zie wel dat hij al een paar jaar niet meer in onze systemen voorkomt. Ik vraag hem over zijn verleden en wat hij momenteel doet. Rik vertelt spijt te hebben van zijn criminele verleden en dit afgezworen te hebben. Hij heeft al geruime tijd een lieve vriendin die zijn zaken beheert, die hem ook heeft afgeholpen van al zijn verkeerde vrienden af te komen. Hij vertelt dat ze de touwtjes goed in handen heeft en bezig is om alle achterstallige boetes langzamerhand te betalen, zodat hij ook bij haar ingeschreven kan worden. Ze verwachten samen een kindje en zijn helemaal gelukkig. Ze was de bewuste nacht aan het logeren bij haar moeder in het oosten van het land, dus had Rik alle tijd om ‘even’ een quad te repareren. Dat was uitgelopen tot laat in de nacht, maar rond 03:30 uur was de quad gemaakt en ging hij even een proefritje maken. Rik verklaart impulsief te zijn en dan soms domme dingen te doen. Dat werd uiteindelijk een wedstrijd op de weg met een scooterrijder, maar ook een wedstrijd om uit handen van de politie te blijven.
Om zeker te weten dat hij de bestuurder is die we achtervolgd hebben vraag ik hem een paar cruciale dingen, zoals het traject wat we afgelegd hebben. Rik kan dit feilloos beantwoorden, waardoor ik zeker weet dat hij het geweest is.
Ik geloof Rik zijn levensverhaal en moet een beslissing nemen. Iemand die hard bezig is om zijn leven een nieuwe positieve impuls te geven, help ik niet door hem hard aan te pakken. Hij werkt ruim een jaar bij een raffinaderij en heeft het goed naar zijn zin. Zijn rijbewijs heeft hij hard nodig om met de brommer naar zijn werk te gaan, dus een invordering zou hier geen goed aan doen.
Ik vertrouw op mijn gevoel en besluit Rik een kans te geven. Ik geef hem zijn rijbewijs terug en vertel hem dat hij dit soort domme dingen nooit meer moet uithalen, terwijl hij zo goed op weg is. Ik vertel hem dat hij een bekeuring krijgt voor te snel rijden binnen de bebouwde kom.
Verder vraag ik hem om mij maandelijks te benaderen om de één van de twaalf boetes die hij heeft openstaan te betalen zonder dat ik hem zou aanhouden. Een vrijwaring hiervan kan ik hem niet geven, omdat betalingsregelingen bij boetes officieel geregeld moeten worden.
Ik heb mijn woord gegeven, maar dan moet hij dat ook doen. Rik toont mij zijn zware tas en opent deze. Met tranen in zijn ogen vertelt hij dat hij kleding, geld en shag heeft meegenomen, omdat hij bang was dat hij door ons toch aangehouden zou worden. Rik verlaat het bureau weer met zijn zware tas én zijn rijbewijs.
Ruim een jaar later heeft Rik aan zijn betalingsverplichtingen voldaan en kan hij zich ongehinderd op straat begeven, zonder bang te zijn om aangehouden te worden. Hij is inmiddels vader geworden van een gezonde zoon en is apetrots.
Bij de laatste betaling knijpt Rik mijn hand fijn en bedankt me voor alles. Hij vertelt dat hij toch nog een vraag heeft. Hij heeft nooit de bekeuring gehad van de overschrijding van de snelheid. Ik kijk hem aan en zeg met een ernstig gezicht: “Daar ben je wel erg laat mee, Rik. Maar ik ga er onmiddellijk achteraan!”
Lachend loop ik weg, Rik met een verbaasd gezicht achterlatend.
Het is een rustige nacht, rustig in de zin van het aantal meldingen, maar ook bladstil weer.
Het is rond de klok van 04:00 uur, als we het geluid van een racende scooter en een motor horen. Het geluid komt steeds dichterbij het bureau waar we op de binnenplaats staan, zodat Richard en ik elkaar aankijken en wel zin hebben in een achtervolging. We springen in de bus en zien voor het bureau een scooter en een quad voorbij racen. De snelheid ligt aardig boven de toegestane maximum snelheid van vijftig kilometer per uur. Beide bestuurders hebben ons niet gezien, zodat we in eerste instantie ongemerkt kunnen volgen. Als we dicht achter de scooter zitten, die geen kentekenplaat heeft, zetten we ons stopbord aan, maar kennelijk merkt de bestuurder dit niet op. Voor de verkeerslichten met de A straat stoppen beiden even en kijkt de bestuurder van de quad om.
Snel schrijft Richard het kenteken van de quad op. De bestuurder van de quad roept iets naar de scooterrijder, geeft vol gas en spurt weg. Wij proberen de scooterrijder klem te rijden, maar deze rijdt het trottoir op en keert om. Snel omkeren heeft geen zin, dus dan toch maar proberen de quad te pakken. Ook hij probeert te ontkomen, maar een quad is minder wendbaar dan een scooter. Zwaailicht en sirene erbij heeft een nog averechtser effect, want hij gaat de gekste stunten uithalen om aan ons te ontkomen. Ik neem afstand en zie dat hij een stuk verderop bijna crasht, doordat hij met volle snelheid het trottoir oprijdt tussen de geparkeerde auto’s en een huizenblok. Op een haar na mist hij een geparkeerd staand voertuig, waarop ik, uit veiligheidsoverwegingen, besluit om de achtervolging af te breken.
We hebben tenslotte het kenteken en kunnen op die manier proberen erachter te komen, wie de bestuurder was.
Nog vol met adrenaline en vastberaden om erachter te komen wie de bestuurder was, rijden we naar de B straat waar de drieëntwintigjarige eigenaar van het voertuig zou moeten wonen. Het is inmiddels 04:30 uur als we aanbellen bij het adres, in de omgeving is geen quad te zien. Na enige tijd verschijnt bij de voordeur een jongeman en onze eerste indruk is dat hij niet de bestuurder geweest is. Hij heeft een verward kapsel en de plooien van het kussen zitten nog in zijn wangen, maar uit ervaring sluit ik niets uit. Ik vraag hem waar zijn quad is en hij vertelt dat deze in reparatie is bij een ‘vriend’. Hij vraagt of er iets ergs gebeurd is en we vertellen hem in het kort wat er zojuist gebeurd is. Richard vraagt naar zijn legitimatiebewijs en vordert hem om bekend te maken wie de bestuurder was. Dat ben je als kentekenhouder verplicht, maar hij zegt niet direct een telefoonnummer te hebben of wil dit niet direct geven. Ik heb de indruk dat het om het laatste gaat, dus vraag ik hem om zijn rijbewijs. Nadat hij mij het rijbewijs heeft overhandigd, vertel ik hem dat hij zijn rijbewijs om 22:00 uur mag ophalen op het bureau Zuidplein met medeneming van ‘de vriend’. Mocht hij niet verschijnen, dan zal na achtenveertig uur zijn rijbewijs ingevorderd worden en opgestuurd worden aan de officier van justitie.
’s Avonds om 22:00 uur, als onze tweede nachtdienst begint, meldt hij zich alleen aan het bureau en overhandigt ons een rijbewijs. Hij vertelt dat dit degene is die is weggereden voor ons. Hij denkt het rijbewijs even om te ruilen en weer verder te kunnen. Die vlieger gaat natuurlijk niet op, want wat moet ik alleen met een rijbewijs zonder dat degene een verklaring aflegt? Ik vertel hem dat hij het rijbewijs weer mee mag nemen en terug mag komen met de houder van het rijbewijs. Ditmaal tovert de eigenaar wel een telefoonnummer tevoorschijn en belt die ‘vriend’ op. Hij vertelt tegen hem dat de politie er geen genoegen mee neemt, maar dat hij zelf naar het bureau moet komen. Ik krijg vervolgens de mogelijke bestuurder, die zichzelf als Rik voorstelt, aan de lijn. Ik vraag Rik waarom hij zelf niet naar het bureau komt om een verklaring af te leggen. Hij geeft aan dat hij nog 3000 euro aan boetes heeft openstaan en dat hij bang is om aangehouden te worden zodra hij zich meldt op het bureau. Ik verzeker Rik dat het mij gaat om een verklaring betreffende zijn rijgedrag. Ik hoor dat hij twijfelt, omdat hij naar eigen zeggen geen één politieagent vertrouwt. Hij is namelijk wel eens meer door de politie onder valse voorwendselen naar een bureau gelokt met als gevolg dat hij toen werd aangehouden. Momenteel heeft hij een hoogzwangere vriendin die moet bevallen, dus vastzitten wil hij niet. Ik vertel hem dat ik hem niet meer als mijn woord kan geven en dat ik wel van het kaliber ben dat ik mijn woord dan ook houd. Rik vertelt dat hij komt, maar dat het op vechten zou aankomen als ik hem toch zou aanhouden.
Binnen een kwartier staat Rik op het bureau. Hij biedt quadeigenaar, die Rik met een boos gezicht aankijkt, zijn excuses aan. Ik geef de eigenaar zijn rijbewijs terug en krijg Rik zijn rijbewijs weer in handen. Ik neem Rik mee naar een verhoorkamertje en zie dat hij een grote zwarte sporttas bij zich heeft. Het verbaast me wel, maar ik vraag hem verder niet naar de inhoud.
Rik vertelt dat hij in een opwelling met de quad, die hij gerepareerd had voor de jongen, een rondje was gaan rijden. Onderweg is hij een scooter tegengekomen en is daar tegen gaan racen. Toen plotseling achter hem een politieauto opdook die hem achtervolgde was hij bang dat de 3000 euro wel eens verdubbeld zou worden. Dat was de reden dat hij er vandoor ging. Hij besefte later wel dat de quad een kenteken voerde en de politie hem toch op de hielen zou zitten. Maar ja, toen was het leed al geschied. Hij zit nu alsnog op het politiebureau.
Gezien zijn verleden is Rik niet altijd een brave jongen geweest, maar ik zie wel dat hij al een paar jaar niet meer in onze systemen voorkomt. Ik vraag hem over zijn verleden en wat hij momenteel doet. Rik vertelt spijt te hebben van zijn criminele verleden en dit afgezworen te hebben. Hij heeft al geruime tijd een lieve vriendin die zijn zaken beheert, die hem ook heeft afgeholpen van al zijn verkeerde vrienden af te komen. Hij vertelt dat ze de touwtjes goed in handen heeft en bezig is om alle achterstallige boetes langzamerhand te betalen, zodat hij ook bij haar ingeschreven kan worden. Ze verwachten samen een kindje en zijn helemaal gelukkig. Ze was de bewuste nacht aan het logeren bij haar moeder in het oosten van het land, dus had Rik alle tijd om ‘even’ een quad te repareren. Dat was uitgelopen tot laat in de nacht, maar rond 03:30 uur was de quad gemaakt en ging hij even een proefritje maken. Rik verklaart impulsief te zijn en dan soms domme dingen te doen. Dat werd uiteindelijk een wedstrijd op de weg met een scooterrijder, maar ook een wedstrijd om uit handen van de politie te blijven.
Om zeker te weten dat hij de bestuurder is die we achtervolgd hebben vraag ik hem een paar cruciale dingen, zoals het traject wat we afgelegd hebben. Rik kan dit feilloos beantwoorden, waardoor ik zeker weet dat hij het geweest is.
Ik geloof Rik zijn levensverhaal en moet een beslissing nemen. Iemand die hard bezig is om zijn leven een nieuwe positieve impuls te geven, help ik niet door hem hard aan te pakken. Hij werkt ruim een jaar bij een raffinaderij en heeft het goed naar zijn zin. Zijn rijbewijs heeft hij hard nodig om met de brommer naar zijn werk te gaan, dus een invordering zou hier geen goed aan doen.
Ik vertrouw op mijn gevoel en besluit Rik een kans te geven. Ik geef hem zijn rijbewijs terug en vertel hem dat hij dit soort domme dingen nooit meer moet uithalen, terwijl hij zo goed op weg is. Ik vertel hem dat hij een bekeuring krijgt voor te snel rijden binnen de bebouwde kom.
Verder vraag ik hem om mij maandelijks te benaderen om de één van de twaalf boetes die hij heeft openstaan te betalen zonder dat ik hem zou aanhouden. Een vrijwaring hiervan kan ik hem niet geven, omdat betalingsregelingen bij boetes officieel geregeld moeten worden.
Ik heb mijn woord gegeven, maar dan moet hij dat ook doen. Rik toont mij zijn zware tas en opent deze. Met tranen in zijn ogen vertelt hij dat hij kleding, geld en shag heeft meegenomen, omdat hij bang was dat hij door ons toch aangehouden zou worden. Rik verlaat het bureau weer met zijn zware tas én zijn rijbewijs.
Ruim een jaar later heeft Rik aan zijn betalingsverplichtingen voldaan en kan hij zich ongehinderd op straat begeven, zonder bang te zijn om aangehouden te worden. Hij is inmiddels vader geworden van een gezonde zoon en is apetrots.
Bij de laatste betaling knijpt Rik mijn hand fijn en bedankt me voor alles. Hij vertelt dat hij toch nog een vraag heeft. Hij heeft nooit de bekeuring gehad van de overschrijding van de snelheid. Ik kijk hem aan en zeg met een ernstig gezicht: “Daar ben je wel erg laat mee, Rik. Maar ik ga er onmiddellijk achteraan!”
Lachend loop ik weg, Rik met een verbaasd gezicht achterlatend.
maandag 16 februari 2015
De waarheid is hard
Als politieagent dien je altijd de waarheid te spreken. Op zich vanzelfsprekend, zonder enige twijfel. Hoewel je soms in situaties komt, waarbij je na moet denken voordat je direct de waarheid spreekt. Want die kan wel eens hard aankomen…
We krijgen een melding van een mogelijke reanimatie in een ‘massagesalon’ op de X straat. In deze salon is een man onwel geworden en vermoedelijk ademt hij ook niet meer. Met toeters en bellen rijden we naar de plaats toe en rennen met de AED (defibrillator) het gebouw binnen. We stampen de salon binnen en worden naar het ‘behandelkamertje’ gewezen waar de man ligt.
We sluiten direct de AED aan en starten de reanimatie. De collega’s van de brandweer en de ambulance komen ter plaatse en een half uur lang proberen we het leven van de man te redden. Helaas lukt het niet en de collega’s van de brandweer en ambulance vertrekken weer.
We spreken met de dame die de man een ‘behandeling’ heeft gegeven en vragen aan haar of ze weet hoe deze man heet. De dame in kwestie weet alleen te vertellen dat de man zich heeft voorgesteld als Joost, maar voor de rest weet ze helemaal niets van hem. Ze vertelt dat Joost een klant is die bij haar een behandeling kreeg, maar tijdens deze behandeling plotseling onwel werd. Het leek of Joost geen adem meer kreeg, probeerde op te staan en vervolgens op de grond viel.
We zoeken in de kleding van Joost en het enige wat wij in zijn kleding vinden zijn sleutels van een auto en twee briefjes van 50 euro. Voor de rest geen enkel identiteitsbewijs of enig aanknopingspunt wie het zou kunnen zijn. Dat hebben wij weer, is mijn eerste gedachte. Hoe moet ik nu achter de volledige identiteit van Joost zien te komen?
Als de chef van dienst ter plaatse komt krijg ik een idee. Ik stel voor om te voet door de straten in de omgeving te gaan wandelen en met de afstandbediening kijken bij welke Opel de deuren open zullen gaan. Nou dat heb ik geweten! Ik krijg kramp in mijn duim van op het knopje van de afstandbediening drukken. Joost mag het weten waar de auto staat. Ik zoek in de straten rondom de salon en maak de cirkel steeds groter. Uiteindelijk na 20 straten gehad te hebben vind ik de Opel. Ik vermoed dat Joost de auto bewust ver weg heeft gezet om anoniem te blijven, want in de auto vind ik zijn portemonnee met rijbewijs en zijn mobiele telefoon. Ik laat de auto staan, neem de portemonnee en de mobiele telefoon mee en loop weer terug naar de salon.
Na het opvragen blijkt Joost helemaal geen Joost te heten maar Jan. We besluiten om terug te gaan naar het politiebureau en twee andere collega’s nemen de taak op zich om te wachten op de politiearts, die ter plaatse komt op verzoek van de chef van dienst.
Wij gaan proberen om de familie op te sporen en deze in kennis te stellen.
Als ik in het bevolkingsregister kijk zie ik dat Jan als enige staat ingeschreven op het adres, terwijl hij wel gehuwd is. Zijn vrouw staat ingeschreven op een ander adres in een andere stad. Omdat dit te ver voor ons rijden is, verzoeken wij de collega’s van de andere regio om de vrouw in kennis te stellen van het overlijden van haar man.
Een half uur later worden wij teruggebeld door een collega van de andere regio, die aangeeft dat het overbrengen van het slechte nieuws bij de vrouw erg moeilijk zal zijn. Als ik vraag waarom zegt de collega dat ze het wel hebben geprobeerd, maar dat de vrouw in een verzorgingstehuis verblijft en ernstig dement is.
Ik heb mijn hoop nu gevestigd op hun zoon, die wel in onze regio woont. Samen met mijn collega gaan wij naar het adres toe en bellen aan.
Er wordt door een man opengedaan en het blijkt de zoon van Jan te zijn. Fronsend kijkt hij ons aan als we vragen of we even binnen mogen komen, omdat we slecht nieuws hebben. Binnengekomen vertel ik hem dat zijn vader is overleden, waarschijnlijk als gevolg van een hartstilstand. Ik vraag hem om mee te gaan naar de begrafenisondernemer, waar zijn vader inmiddels naar toe is gebracht, voor de confrontatie (herkenning).
Na de confrontatie die positief is, komt de onvermijdelijke vraag waar wij zijn vader hebben aangetroffen. Uit piëteit probeer ik me op de vlakte te houden door te vertellen dat het op de X straat was en dat de auto van zijn vader nog in de Y straat geparkeerd staat. Ik vind de waarheid zo hard als ik vertel waar we zijn vader hebben aangetroffen. Hij neemt echter geen genoegen met mijn antwoord en vraagt of het op straat was of in zijn auto. Ik vertel dat we zijn vader hebben aangetroffen in een woning op de X straat, waar hij kennelijk op bezoek was.
Onderzoekend kijkt hij mij aan en zegt: “U verbergt iets voor mij, ik wil graag de waarheid horen!”. Dan vertel ik hem dat wij zijn vader hebben aangetroffen in een massagesalon. Met grote ogen kijkt hij mij aan en het is een tijdje stil. Meewarig schudt hij zijn hoofd en zegt: “Die ouwe in een massagesalon, ik begrijp u en wil de rest niet weten”.
We brengen hem terug naar huis en rijden naar het bureau.
Ik vraag me af of hij de verdere familie verteld heeft waar zijn vader is overleden.
(volgende blog 2/3)
maandag 2 februari 2015
De gelaarsde voet
Een melding van een
aanrijding met gewonde(n), waarbij sprake is van ernstig letsel geeft toch een
zekere spanning als je er op weg naar toe gaat. Met de informatie, die een mobilofonist van de meldkamer je meegeeft, probeer je in je hoofd een beeld te
schetsen van wat je gaat aantreffen.
De gedetailleerde informatie, die de meldkamer bij deze melding vermeldt, veroorzaken koude rillingen over mijn lijf.
We zijn tijdens een zomerse avonddienst laat met het avondeten. Het is best wel druk geweest met meldingen en ik geniet samen met Anja en Roel van de Verkeerspolitie en twee collega’s van het KLPD verkeerspolitie Breda (de huidige Landelijke Eenheid) nog van een lekkere bak koffie. Ik heb deze avonddienst motorsurveillance en genoemde collega’s bemensen twee politieauto’s. Na gezellig nagetafeld te hebben gaan we voor het einde van de dienst nog ‘even’ een uurtje surveilleren.
Als ik op de motor stap en de snelweg oprijd hoor ik een melding van een aanrijding met een gewonde op de snelweg. Er is een motorrijder door een auto aangereden en er wordt gezegd dat het een politiemotor betreft. Ik hoor aan de stem van de mobilofonist dat het ernstig is als hij er tevens bij vermeldt dat de motorrijder zijn been er afgerukt is en de politieman ernstig bloed. Er is een getuige ter plaatse die het been inmiddels heeft afgekneld. We worden met spoed verzocht, evenals alle andere hulpdiensten. Ik meld bij de meldkamer dat ik ter plaatse ga en vol gas rijd ik met toeters en bellen naar de plaats van het onheil.
Als ik ter plaatse kom zie ik een politiemotor onder de vangrail in de middenberm liggen. Ik zie dat het een motor van de wijkpolitie betreft en loop naar Anja en Roel toe, die inmiddels bij de gewonde collega zitten. Dan slaat de schrik me om het hart. Ik zie dat de collega Hans is, mijn oude ploegmaatje van district Zuid. Met grote ogen kijkt Hans me aan. De altijd vrolijke en babbelende Hans ligt daar. Ik mis een motorlaars en een stuk been. Door snel ingrijpen van een voorbijganger, een militair, is voorkomen dat hij dood zou bloeden. De militair heeft onmiddellijk na de aanrijding een knevel om zijn been gedaan om het bloeden te stoppen.
Hans roept: “Hé Piet, jij bent ook van de partij? Gezellig!” Maar zo gezellig vind ik het niet. Ik ga naast Anja zitten als ik Hans hoor vragen hoe het met zijn voet is. Ik hoor Anja zeggen dat hij moet blijven liggen, totdat de ambulance komt. Maar Hans kennende is hij niet tevreden met het antwoord. Anja geeft naar zijn zin veel te weinig antwoord op zijn vraag. Dan richt Hans zich tot mij en vraagt of hij even naar zijn voet mag kijken, want hij heeft zo´n pijn. Ik kijk Hans aan en zeg dat het niet best is met zijn voet. Hans kijkt mij indringend aan en zegt: “Piet, ik wil nu een eerlijk antwoord! Wat is er aan de hand?” Ik vertel Hans dat zijn voet eraf is en het er slecht uit ziet. Met nog grotere ogen kijkt Hans mij aan, slaat vervolgens zijn handen voor zijn gezicht en roept: “Mijn God, zeg maar niks meer!” Hij barst in snikken uit.
De ambulance en het traumateam arriveren en Hans wordt in de ambulance ingeladen. Samen met de trauma-arts gaan we op zoek naar de laars en vinden deze ook. Voorzichtig maken we de laars open en tillen de sok met de voet en een stuk been eruit. De aanblik hiervan staat op mijn netvlies gebrand. Wat ik later begreep is dat iedereen met verbijstering heeft gekeken toen de trauma-arts de voet met daaraan de restanten uit de sok haalde.
Dan komt stukje bij beetje de gruwelijke waarheid boven tafel. Hans blijkt tot twee keer toe expres te zijn aangereden door de bestuurder van een auto, die hij een stopteken gegeven had. Bij de tweede keer kon Hans zijn motor niet meer onder controle houden en kwam ten val. Als ik deze informatie hoor voel ik een enorme boosheid in mij opkomen. Ik stap op de motor en ga weg van de plaats van de aanrijding. Het wordt mij een beetje teveel en ik ga op zoek naar de dader. Het schijnt dat hij, na de aanrijding, het havengebied is ingereden en straatje voor straatje scan ik de omgeving af. Het is denk achteraf maar goed dat ik hem niet tegengekomen ben op dat moment. Dan komt de melding dat er in de X straat in het havengebied een auto in de brand staat. Ik rijd er naar toe en het gaat om de bewuste auto, die gestolen blijkt te zijn. Van de dader ontbreekt elk spoor.
Het werd een lange avonddienst en samen met de collega’s van het KLPD en Roel en Anja praten we nog even na. Wat een op z’n zachtst gezegd, dramatisch einde van deze dienst. Een heftig incident kan best hard aankomen. Maar als het een bekende collega van je betreft komt het des te harder aan. Veel collega's (hulpverleners) zullen dit herkennen.
De dader werd later opgepakt. Hij verklaarde dat hij niet aangehouden wilde worden, omdat hij een weekendje Center Parcs had geboekt en dit niet mis wilde lopen. De voet van Hans kon niet meer aan zijn been gezet worden. Hans krijgt ‘levenslang’ en moet uiteindelijk de dienst uit.
De militair die Hans zijn leven redde kreeg het rode erekoord uitgereikt, een militaire onderscheiding, voor zijn heldhaftig optreden.
(deze blog is met toestemming van Hans geplaatst, volgende blog 16 februari)
De gedetailleerde informatie, die de meldkamer bij deze melding vermeldt, veroorzaken koude rillingen over mijn lijf.
We zijn tijdens een zomerse avonddienst laat met het avondeten. Het is best wel druk geweest met meldingen en ik geniet samen met Anja en Roel van de Verkeerspolitie en twee collega’s van het KLPD verkeerspolitie Breda (de huidige Landelijke Eenheid) nog van een lekkere bak koffie. Ik heb deze avonddienst motorsurveillance en genoemde collega’s bemensen twee politieauto’s. Na gezellig nagetafeld te hebben gaan we voor het einde van de dienst nog ‘even’ een uurtje surveilleren.
Als ik op de motor stap en de snelweg oprijd hoor ik een melding van een aanrijding met een gewonde op de snelweg. Er is een motorrijder door een auto aangereden en er wordt gezegd dat het een politiemotor betreft. Ik hoor aan de stem van de mobilofonist dat het ernstig is als hij er tevens bij vermeldt dat de motorrijder zijn been er afgerukt is en de politieman ernstig bloed. Er is een getuige ter plaatse die het been inmiddels heeft afgekneld. We worden met spoed verzocht, evenals alle andere hulpdiensten. Ik meld bij de meldkamer dat ik ter plaatse ga en vol gas rijd ik met toeters en bellen naar de plaats van het onheil.
Als ik ter plaatse kom zie ik een politiemotor onder de vangrail in de middenberm liggen. Ik zie dat het een motor van de wijkpolitie betreft en loop naar Anja en Roel toe, die inmiddels bij de gewonde collega zitten. Dan slaat de schrik me om het hart. Ik zie dat de collega Hans is, mijn oude ploegmaatje van district Zuid. Met grote ogen kijkt Hans me aan. De altijd vrolijke en babbelende Hans ligt daar. Ik mis een motorlaars en een stuk been. Door snel ingrijpen van een voorbijganger, een militair, is voorkomen dat hij dood zou bloeden. De militair heeft onmiddellijk na de aanrijding een knevel om zijn been gedaan om het bloeden te stoppen.
Hans roept: “Hé Piet, jij bent ook van de partij? Gezellig!” Maar zo gezellig vind ik het niet. Ik ga naast Anja zitten als ik Hans hoor vragen hoe het met zijn voet is. Ik hoor Anja zeggen dat hij moet blijven liggen, totdat de ambulance komt. Maar Hans kennende is hij niet tevreden met het antwoord. Anja geeft naar zijn zin veel te weinig antwoord op zijn vraag. Dan richt Hans zich tot mij en vraagt of hij even naar zijn voet mag kijken, want hij heeft zo´n pijn. Ik kijk Hans aan en zeg dat het niet best is met zijn voet. Hans kijkt mij indringend aan en zegt: “Piet, ik wil nu een eerlijk antwoord! Wat is er aan de hand?” Ik vertel Hans dat zijn voet eraf is en het er slecht uit ziet. Met nog grotere ogen kijkt Hans mij aan, slaat vervolgens zijn handen voor zijn gezicht en roept: “Mijn God, zeg maar niks meer!” Hij barst in snikken uit.
De ambulance en het traumateam arriveren en Hans wordt in de ambulance ingeladen. Samen met de trauma-arts gaan we op zoek naar de laars en vinden deze ook. Voorzichtig maken we de laars open en tillen de sok met de voet en een stuk been eruit. De aanblik hiervan staat op mijn netvlies gebrand. Wat ik later begreep is dat iedereen met verbijstering heeft gekeken toen de trauma-arts de voet met daaraan de restanten uit de sok haalde.
Dan komt stukje bij beetje de gruwelijke waarheid boven tafel. Hans blijkt tot twee keer toe expres te zijn aangereden door de bestuurder van een auto, die hij een stopteken gegeven had. Bij de tweede keer kon Hans zijn motor niet meer onder controle houden en kwam ten val. Als ik deze informatie hoor voel ik een enorme boosheid in mij opkomen. Ik stap op de motor en ga weg van de plaats van de aanrijding. Het wordt mij een beetje teveel en ik ga op zoek naar de dader. Het schijnt dat hij, na de aanrijding, het havengebied is ingereden en straatje voor straatje scan ik de omgeving af. Het is denk achteraf maar goed dat ik hem niet tegengekomen ben op dat moment. Dan komt de melding dat er in de X straat in het havengebied een auto in de brand staat. Ik rijd er naar toe en het gaat om de bewuste auto, die gestolen blijkt te zijn. Van de dader ontbreekt elk spoor.
Het werd een lange avonddienst en samen met de collega’s van het KLPD en Roel en Anja praten we nog even na. Wat een op z’n zachtst gezegd, dramatisch einde van deze dienst. Een heftig incident kan best hard aankomen. Maar als het een bekende collega van je betreft komt het des te harder aan. Veel collega's (hulpverleners) zullen dit herkennen.
De dader werd later opgepakt. Hij verklaarde dat hij niet aangehouden wilde worden, omdat hij een weekendje Center Parcs had geboekt en dit niet mis wilde lopen. De voet van Hans kon niet meer aan zijn been gezet worden. Hans krijgt ‘levenslang’ en moet uiteindelijk de dienst uit.
De militair die Hans zijn leven redde kreeg het rode erekoord uitgereikt, een militaire onderscheiding, voor zijn heldhaftig optreden.
(deze blog is met toestemming van Hans geplaatst, volgende blog 16 februari)
maandag 19 januari 2015
Niets is vanzelfsprekend
Elk
jaar hebben we als ploeg een aantal dagen die we in het kader van
teambuilding zelf in mogen vullen. We vullen deze dagen meestal met
een teamoverleg, op bezoek te gaan bij diverse bedrijven of partners om hun
werkwijze eens aan te horen, een verkeerscontrole met diverse
partners of een sportief uitje.
Deze keer gaan we onze dag volledig besteden aan het opknappen van Huize Thomas in Rotterdam. Dit is een op Christelijke grondslag gebaseerde dagopvang voor circa 55 meervoudig gehandicapte kinderen, die daar de dag doorbrengen en begeleid worden in de dagactiviteiten. Het pand is van binnen gedateerd en kan een opknapbeurt wel gebruiken. Donkerbruin overheerst als kleur en de pastelkleuren op de muren kunnen ook wel een nieuwe lik gebruiken.
Als we met vijftien man/vrouw aankomen zien we busjes af en aan rijden en kinderen worden naar binnen gebracht.
De dag begint met een dagopening en wij worden daarbij uitgenodigd. In een achthoekige ruimte, een soort aula, zoeken we een plaats tegen de muur en kijken om ons heen.
We zien meervoudig gehandicapte kinderen in de leeftijd van vijf tot zeventien jaar in een ruime kring. Kinderen in rolstoelen die lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapt zijn, kinderen die spastisch zijn of anderszins een beperking hebben.
Er zit een begeleidster die een melodie op een kleine harp inzet en er worden wat bekende liederen gezongen. Doordat de kinderen, door hun handicap ongecontroleerde bewegingen maken met hun hele lichaam en andere kinderen ondefinieerbare klanken voortbrengen, lijkt de dagopening op een ritueel van een onbekende bevolkingsgroep. Het maakt indruk en we kijken allemaal geraakt om ons heen. Eigenlijk weten we ons als doorgewinterde politiemensen geen houding te geven.
Na de dagopening gaan de kinderen naar hun klasjes, de begeleiding is één op drie en er is grote bewondering voor de mensen die dit werk doen.
Er wordt aangepakt, niet gemopperd en gezweet. Tussen de middag genieten we van een lunch waarvan we, door het beperkte budget van het huis, in verlegenheid worden gebracht.
Even deze dag geen schietpartij, geen steekpartij, geen huiselijk geweldsituatie, geen bekeuringen schrijven of het ophalen van vervelende winkeldieven, maar zoals de Politiewet voorschrijft “hulp aan hen die dit behoeven”.
Om 16:00 uur zijn we weer in de ruimte waar de dagopening heeft plaatsgevonden en praten we nog even na. Dan blijkt hoeveel indruk alles heeft gemaakt en hoezeer we daardoor geraakt zijn. We horen dat een collega tranen in zijn ogen heeft gekregen bij de aanblik van deze kinderen. Naast hem horen we van andere collega’s dat deze ook waren geraakt door de aanblik van deze kinderen. Als politieman vind ik dat ik soms best wel een zware baan heb, maar als ik het werk van de begeleidsters zie, dan ben ik dankbaar voor het werk wat ik nu mag doen. Ik zou me geen raad weten om hun werk te doen, wat een grote bewondering heb ik voor de begeleidsters, want dat is pas zwaar!
Andersom geven de begeleidsters aan dat zij onze baan niet zouden willen doen, omdat ze het zwaar werk vinden. Gelukkig heeft ieder mens zijn eigen interesses en gaven. Tegen 17.00 uur wordt de dag afgesloten en worden de klussen die nog niet helemaal af zijn doorgenomen. Er wordt afgesproken om deze op een andere dag in eigen tijd af te maken.
Niets is vanzelfsprekend en we zijn weer even met onze neus op de feiten gedrukt. Glimlachend kijk ik terug op deze dag!
(Volgende blog 2 febr)
(foto Willem van Hoorn schildert skelter/tekstgedeelte A. Besems)
Deze keer gaan we onze dag volledig besteden aan het opknappen van Huize Thomas in Rotterdam. Dit is een op Christelijke grondslag gebaseerde dagopvang voor circa 55 meervoudig gehandicapte kinderen, die daar de dag doorbrengen en begeleid worden in de dagactiviteiten. Het pand is van binnen gedateerd en kan een opknapbeurt wel gebruiken. Donkerbruin overheerst als kleur en de pastelkleuren op de muren kunnen ook wel een nieuwe lik gebruiken.
Als we met vijftien man/vrouw aankomen zien we busjes af en aan rijden en kinderen worden naar binnen gebracht.
De dag begint met een dagopening en wij worden daarbij uitgenodigd. In een achthoekige ruimte, een soort aula, zoeken we een plaats tegen de muur en kijken om ons heen.
We zien meervoudig gehandicapte kinderen in de leeftijd van vijf tot zeventien jaar in een ruime kring. Kinderen in rolstoelen die lichamelijk en/of verstandelijk gehandicapt zijn, kinderen die spastisch zijn of anderszins een beperking hebben.
Er zit een begeleidster die een melodie op een kleine harp inzet en er worden wat bekende liederen gezongen. Doordat de kinderen, door hun handicap ongecontroleerde bewegingen maken met hun hele lichaam en andere kinderen ondefinieerbare klanken voortbrengen, lijkt de dagopening op een ritueel van een onbekende bevolkingsgroep. Het maakt indruk en we kijken allemaal geraakt om ons heen. Eigenlijk weten we ons als doorgewinterde politiemensen geen houding te geven.
Na de dagopening gaan de kinderen naar hun klasjes, de begeleiding is één op drie en er is grote bewondering voor de mensen die dit werk doen.
Er
is door een collega, die de dag heeft georganiseerd, een werkschema gemaakt en
nadat we de dagopening hebben ervaren willen we maar een ding, namelijk beginnen met de
werkzaamheden.
Er
wordt geschuurd en geschilderd, er worden ramen gezeemd, speeltoestellen
en fietsjes/karretjes gerepareerd en geschilderd. Verder wordt er getegeld, de badkamer schoongemaakt, het dak en de goten schoongemaakt en er wordt beurtelings in het
bijzijn van de kinderen door twee geüniformeerde ploegleden een fietsendief
aangehouden. Tevens wordt er een rondje met de politieauto gemaakt, zwaailicht en
sirene gaan af en toe aan en de kinderen genieten zichtbaar. Het is verrassend
hoeveel verborgen talent er zich onder de politiemensen bevindt, ieder doet waar hij/zij goed in is.Er wordt aangepakt, niet gemopperd en gezweet. Tussen de middag genieten we van een lunch waarvan we, door het beperkte budget van het huis, in verlegenheid worden gebracht.
Even deze dag geen schietpartij, geen steekpartij, geen huiselijk geweldsituatie, geen bekeuringen schrijven of het ophalen van vervelende winkeldieven, maar zoals de Politiewet voorschrijft “hulp aan hen die dit behoeven”.
Om 16:00 uur zijn we weer in de ruimte waar de dagopening heeft plaatsgevonden en praten we nog even na. Dan blijkt hoeveel indruk alles heeft gemaakt en hoezeer we daardoor geraakt zijn. We horen dat een collega tranen in zijn ogen heeft gekregen bij de aanblik van deze kinderen. Naast hem horen we van andere collega’s dat deze ook waren geraakt door de aanblik van deze kinderen. Als politieman vind ik dat ik soms best wel een zware baan heb, maar als ik het werk van de begeleidsters zie, dan ben ik dankbaar voor het werk wat ik nu mag doen. Ik zou me geen raad weten om hun werk te doen, wat een grote bewondering heb ik voor de begeleidsters, want dat is pas zwaar!
Andersom geven de begeleidsters aan dat zij onze baan niet zouden willen doen, omdat ze het zwaar werk vinden. Gelukkig heeft ieder mens zijn eigen interesses en gaven. Tegen 17.00 uur wordt de dag afgesloten en worden de klussen die nog niet helemaal af zijn doorgenomen. Er wordt afgesproken om deze op een andere dag in eigen tijd af te maken.
Niets is vanzelfsprekend en we zijn weer even met onze neus op de feiten gedrukt. Glimlachend kijk ik terug op deze dag!
(Volgende blog 2 febr)
(foto Willem van Hoorn schildert skelter/tekstgedeelte A. Besems)
maandag 5 januari 2015
Vrachtwagenchauffeurs zijn monsters!
Een aanrijding met een vrachtwagen, hoe vaak lees
je dat in de krant? Lange files en mopperende automobilisten die de
vrachtwagens de schuld weer geven voor het oponthoud zijn het gevolg, maar vaak weten ze niet
wat de oorzaak is van de aanrijding. Hoeveel is het percentage vrachtwagens ten
opzichte van de auto´s?
Je mag ervan uitgaan dat vrachtwagenchauffeurs professionals zijn die juist moeten weten hoe ze een aanrijding moeten voorkomen. Dikwijls ligt de oorzaak toch iets anders.
We krijgen een melding van een aanrijding op de snelweg. Er zijn diverse rijstroken geblokkeerd en het schijnt een chaos te zijn. Daarbij komt ook nog dat men vermoedelijk aan het vechten is.
Als we aan komen rijden zien wij een auto dwars voor een vrachtwagen staan, een trekker met een oplegger. We zien wat mensen om de cabine van de vrachtwagen staan en zetten onze politieauto dusdanig neer dat achteropkomend verkeer er niet zomaar tegen op kan klappen. We stappen uit en spreken de mensen aan die midden op de snelweg staan. We vragen direct wie getuige zijn van de aanrijding en wie bij de aanrijding betrokken zijn. Vrijwel direct weten we wie de bestuurder van de auto is, want hij is witheet en wijst naar de cabine van de vrachtwagen. Hij vertelt zojuist expres te zijn aangereden door de vrachtwagenchauffeur en dat deze zijn cabine op slot heeft gedaan omdat hij bang zou zijn. Inderdaad, de chauffeur zit achter het stuur en zijn deuren zitten op slot. Ik wenk naar de vrachtwagenchauffeur om zijn raam open te doen en vraag hem een klein stukje achteruit te rijden, zodat de auto loskomt van de vrachtwagen. Ik vraag de chauffeur om even te wachten in zijn cabine en vertel dat ik zo bij hem kom om zijn verhaal aan te horen.
De bestuurder van de auto blijft onophoudelijk ratelen dat de chauffeur het expres gedaan heeft. Er blijkt één goede getuige te zijn die de aanrijding daadwerkelijk heeft zien gebeuren, de rest van de mensen blijken gestopt te zijn om te helpen. Ik bedank hen voor hun hulp en vertel dat ze verder kunnen gaan. Ik hoor in het kort het verhaal van de getuige aan en noteer snel zijn gegevens. Hij vertelt dat hij niet de aanrijding heeft zien gebeuren, maar wel dat de auto voor de cabine van de vrachtwagen hing terwijl deze ‘gewoon’ door bleef rijden. Hij is het helemaal met de bestuurder van de auto eens dat het ongehoord was dat de chauffeur door bleef rijden, met de auto voor zijn cabine hangend. Ik vertel de getuige dat ik nog contact met hem opneem en hij zijn weg kan vervolgen. We staan nu alleen nog met het ‘slachtoffer’ en samen bekijken we of zijn auto nog kan rijden. Dat blijkt zo te zijn en ik wil zo snel mogelijk weg van de rijstrook, simpelweg omdat het levensgevaarlijk is op een snelweg. Rijkswaterstaat kan hier van meepraten omdat er wekelijks auto’s van hen aan gort worden gereden door de zogenaamde ‘kijkers’, 'dromers' of
'app-ers'.
Ik stap achter het stuur van de auto en start hem. Gelukkig blijkt er weinig aan de hand te zijn. Met de bestuurder naast me rijd ik de auto van de weg naar een veilige plaats. Mijn collega neemt de vrachtwagen mee achter zich aan en de snelweg is weer vrij. Ik hoor onderweg niets anders dan dat de vrachtwagenchauffeur de schuldige is en dat vrachtwagenchauffeurs gewoon monsters zijn. Ik heb mijn bedenkingen bij deze opmerking, omdat ik niet kan geloven dat de chauffeur hem expres vooruit geschoven heeft.
Uit ervaring weet ik namelijk dat een geladen vrachtwagen een auto gemakkelijk vooruit kan duwen, zonder dat de chauffeur het merkt. Ik was de gelukkige dat ik van mijn werkgever mijn vrachtwagen + aanhanger rijbewijs mocht halen. Dan pas merk je wat er allemaal bij komt kijken en dat je niet zomaar deze combinatie bestuurt. Er wordt behoorlijke stuurmanskunst van je gevergd en een grote mate van oplettendheid. Ik heb hierna nog diverse keren met grote combinaties gereden en je merkt dat een vol geladen vrachtwagen niet zomaar stilstaat. Tijdens het lessen moest mijn lesinstructeur Leo regelmatig om me lachen, omdat ik zat te mopperen over dwaze acties van automoblisten. En eerlijk gezegd hebben sommige van deze acties geleid tot het ontbieden van hen of het opmaken van een proces-verbaal.
Dan spreken we de vrachtwagenchauffeur aan en hij vertelt zijn verhaal. Hij verklaart enorm geschrokken te zijn, toen opeens bleek dat er een auto voor zijn cabine hing. Hij bemerkte wel dat zijn geladen vrachtwagen van veertig ton opeens een beetje zwaarder ging rijden en dat hij een schurend geluid hoorde. Vlak hierna begonnen auto’s naast hem te claxonneren en begonnen bestuurders te wijzen naar de voorkant van zijn cabine. Hij boog zich voorover en schrok zich rot toen hij de kleine auto voor zijn cabine zag hangen. Dat was dus het geluid. Gezien de sporen had de auto wel honderd meter voor zijn cabine gehangen. Maar een auto van nog geen duizend kilo schuif je met zo’n grote massa makkelijk vooruit. Nadat hij gestopt was kwam de bestuurder er uit en met een witheet gezicht wilde hij de cabine binnenkomen om hem te lijf te gaan. De chauffeur blijkt een geroutineerde chauffeur te zijn die al ettelijke kilometers op zijn naam heeft staan en van onbesproken gedrag is. Bovendien lijkt hij me helemaal geen agressieveling, een soort monster dus.
Hij had hierna de deuren op slot gedaan, had 112 gebeld en wijselijk onze komst afgewacht. Gelukkig meldt zich bij de meldkamer een getuige die daadwerkelijk gezien heeft wat er gebeurde. Deze vertelt dat hij gezien heeft dat het ‘slachtoffer’ op het laatste moment, terwijl de vrachtwagen in de file reed, zijn auto voor de cabine van de vrachtwagen heeft geprakt. De zogenaamde veilige ruimte die de chauffeur behield op zijn voorganger. De vrachtwagenchauffeur, die zojuist optrok, had het kleine autootje niet gezien en door de schuine stand van het invoegende autootje duwde hij deze dwars, zodat deze recht voor zijn cabine terechtkwam en verder vooruit schoof.
Ik confronteer het ‘slachtoffer’ met de verklaring van de andere getuige en vraag hem of hij op het laatste moment is ingevoegd. Hij erkent dat hij is ingevoegd, maar volgens hem was er ruimte genoeg. Onophoudelijk moet ik aanhoren dat de chauffeur het expres deed. Ik ben het eigenlijk zat en vertel dat het monster schuilt in hem zelf, omdat hij geen flauw benul heeft waar hij over praat. Met grote ogen kijkt hij me aan en nu ben ik het mikpunt. Ik ben partijdig en ben op de hand van de vrachtwagenchauffeur. Ik heb wijselijk mijn mond gehouden, heb geholpen met het schadeformulier en heb hem verder uitgelegd dat de verzekering een beslissing neemt wie de schuldige is. Ik hoop van harte dat kennismaken met een vrachtwagen een vast onderdeel wordt van het lesprogramma van beginnende bestuurders. Dat zal heel verhelderend werken!
(Foto van Flashphoto.nl, met dank, is een voorbeeldsituatie)
Je mag ervan uitgaan dat vrachtwagenchauffeurs professionals zijn die juist moeten weten hoe ze een aanrijding moeten voorkomen. Dikwijls ligt de oorzaak toch iets anders.
We krijgen een melding van een aanrijding op de snelweg. Er zijn diverse rijstroken geblokkeerd en het schijnt een chaos te zijn. Daarbij komt ook nog dat men vermoedelijk aan het vechten is.
Als we aan komen rijden zien wij een auto dwars voor een vrachtwagen staan, een trekker met een oplegger. We zien wat mensen om de cabine van de vrachtwagen staan en zetten onze politieauto dusdanig neer dat achteropkomend verkeer er niet zomaar tegen op kan klappen. We stappen uit en spreken de mensen aan die midden op de snelweg staan. We vragen direct wie getuige zijn van de aanrijding en wie bij de aanrijding betrokken zijn. Vrijwel direct weten we wie de bestuurder van de auto is, want hij is witheet en wijst naar de cabine van de vrachtwagen. Hij vertelt zojuist expres te zijn aangereden door de vrachtwagenchauffeur en dat deze zijn cabine op slot heeft gedaan omdat hij bang zou zijn. Inderdaad, de chauffeur zit achter het stuur en zijn deuren zitten op slot. Ik wenk naar de vrachtwagenchauffeur om zijn raam open te doen en vraag hem een klein stukje achteruit te rijden, zodat de auto loskomt van de vrachtwagen. Ik vraag de chauffeur om even te wachten in zijn cabine en vertel dat ik zo bij hem kom om zijn verhaal aan te horen.
De bestuurder van de auto blijft onophoudelijk ratelen dat de chauffeur het expres gedaan heeft. Er blijkt één goede getuige te zijn die de aanrijding daadwerkelijk heeft zien gebeuren, de rest van de mensen blijken gestopt te zijn om te helpen. Ik bedank hen voor hun hulp en vertel dat ze verder kunnen gaan. Ik hoor in het kort het verhaal van de getuige aan en noteer snel zijn gegevens. Hij vertelt dat hij niet de aanrijding heeft zien gebeuren, maar wel dat de auto voor de cabine van de vrachtwagen hing terwijl deze ‘gewoon’ door bleef rijden. Hij is het helemaal met de bestuurder van de auto eens dat het ongehoord was dat de chauffeur door bleef rijden, met de auto voor zijn cabine hangend. Ik vertel de getuige dat ik nog contact met hem opneem en hij zijn weg kan vervolgen. We staan nu alleen nog met het ‘slachtoffer’ en samen bekijken we of zijn auto nog kan rijden. Dat blijkt zo te zijn en ik wil zo snel mogelijk weg van de rijstrook, simpelweg omdat het levensgevaarlijk is op een snelweg. Rijkswaterstaat kan hier van meepraten omdat er wekelijks auto’s van hen aan gort worden gereden door de zogenaamde ‘kijkers’, 'dromers' of
'app-ers'.
Ik stap achter het stuur van de auto en start hem. Gelukkig blijkt er weinig aan de hand te zijn. Met de bestuurder naast me rijd ik de auto van de weg naar een veilige plaats. Mijn collega neemt de vrachtwagen mee achter zich aan en de snelweg is weer vrij. Ik hoor onderweg niets anders dan dat de vrachtwagenchauffeur de schuldige is en dat vrachtwagenchauffeurs gewoon monsters zijn. Ik heb mijn bedenkingen bij deze opmerking, omdat ik niet kan geloven dat de chauffeur hem expres vooruit geschoven heeft.
Uit ervaring weet ik namelijk dat een geladen vrachtwagen een auto gemakkelijk vooruit kan duwen, zonder dat de chauffeur het merkt. Ik was de gelukkige dat ik van mijn werkgever mijn vrachtwagen + aanhanger rijbewijs mocht halen. Dan pas merk je wat er allemaal bij komt kijken en dat je niet zomaar deze combinatie bestuurt. Er wordt behoorlijke stuurmanskunst van je gevergd en een grote mate van oplettendheid. Ik heb hierna nog diverse keren met grote combinaties gereden en je merkt dat een vol geladen vrachtwagen niet zomaar stilstaat. Tijdens het lessen moest mijn lesinstructeur Leo regelmatig om me lachen, omdat ik zat te mopperen over dwaze acties van automoblisten. En eerlijk gezegd hebben sommige van deze acties geleid tot het ontbieden van hen of het opmaken van een proces-verbaal.
Dan spreken we de vrachtwagenchauffeur aan en hij vertelt zijn verhaal. Hij verklaart enorm geschrokken te zijn, toen opeens bleek dat er een auto voor zijn cabine hing. Hij bemerkte wel dat zijn geladen vrachtwagen van veertig ton opeens een beetje zwaarder ging rijden en dat hij een schurend geluid hoorde. Vlak hierna begonnen auto’s naast hem te claxonneren en begonnen bestuurders te wijzen naar de voorkant van zijn cabine. Hij boog zich voorover en schrok zich rot toen hij de kleine auto voor zijn cabine zag hangen. Dat was dus het geluid. Gezien de sporen had de auto wel honderd meter voor zijn cabine gehangen. Maar een auto van nog geen duizend kilo schuif je met zo’n grote massa makkelijk vooruit. Nadat hij gestopt was kwam de bestuurder er uit en met een witheet gezicht wilde hij de cabine binnenkomen om hem te lijf te gaan. De chauffeur blijkt een geroutineerde chauffeur te zijn die al ettelijke kilometers op zijn naam heeft staan en van onbesproken gedrag is. Bovendien lijkt hij me helemaal geen agressieveling, een soort monster dus.
Hij had hierna de deuren op slot gedaan, had 112 gebeld en wijselijk onze komst afgewacht. Gelukkig meldt zich bij de meldkamer een getuige die daadwerkelijk gezien heeft wat er gebeurde. Deze vertelt dat hij gezien heeft dat het ‘slachtoffer’ op het laatste moment, terwijl de vrachtwagen in de file reed, zijn auto voor de cabine van de vrachtwagen heeft geprakt. De zogenaamde veilige ruimte die de chauffeur behield op zijn voorganger. De vrachtwagenchauffeur, die zojuist optrok, had het kleine autootje niet gezien en door de schuine stand van het invoegende autootje duwde hij deze dwars, zodat deze recht voor zijn cabine terechtkwam en verder vooruit schoof.
Ik confronteer het ‘slachtoffer’ met de verklaring van de andere getuige en vraag hem of hij op het laatste moment is ingevoegd. Hij erkent dat hij is ingevoegd, maar volgens hem was er ruimte genoeg. Onophoudelijk moet ik aanhoren dat de chauffeur het expres deed. Ik ben het eigenlijk zat en vertel dat het monster schuilt in hem zelf, omdat hij geen flauw benul heeft waar hij over praat. Met grote ogen kijkt hij me aan en nu ben ik het mikpunt. Ik ben partijdig en ben op de hand van de vrachtwagenchauffeur. Ik heb wijselijk mijn mond gehouden, heb geholpen met het schadeformulier en heb hem verder uitgelegd dat de verzekering een beslissing neemt wie de schuldige is. Ik hoop van harte dat kennismaken met een vrachtwagen een vast onderdeel wordt van het lesprogramma van beginnende bestuurders. Dat zal heel verhelderend werken!
(Foto van Flashphoto.nl, met dank, is een voorbeeldsituatie)
donderdag 18 december 2014
Het zal me een zorg zijn!
Een vak dat ik ook een warm hart toedraag is de zorg, een beroep waar zeker niet te min over gedacht mag worden. Wij hebben er als politie dikwijls mee te maken, meestal als het gaat om de medewerkers te assisteren om bijvoorbeeld midden in de nacht een gevallen bewoner mee te helpen in bed te tillen, maar ook bij lastige en/of agressieve patiënten. Wij klagen bij de politie soms wel eens over drukke en lange diensten, maar in de ziekenhuizen en verzorgingstehuizen lopen de medewerkers ook de benen uit het lijf. Dikwijls moet een handjevol medewerkers in een nacht een heel 'huis' draaiende houden en dan komen ze wel eens handjes tekort. Zeker met een brand..
Het is rond de kerst als we 's-nachts een melding krijgen van een brand in een verzorgingstehuis. Het is niet zomaar een automatische brandmelding, maar een daadwerkelijke brand in een kamer van een bewoner. De meldkamer bereidt ons al voor op een eventuele evacuatie van de afdeling, waar vierentwintig bewoners wonen. We zitten gelukkig dichtbij en zijn binnen enkele minuten ter plaatse.
Op de bewuste afdeling hangt een penetrante brandgeur en de medewerkers zijn al druk in de weer om de bewoners te verplaatsen. De bewoner van de kamer, waar de brand is, is al weggebracht en de deur is dichtgetrokken. Het belangrijkste is om alle bewoners veilig naar de andere vleugel te brengen. De evacuatie loopt op rolletjes, maar één bewoonster weigert haar kamer te verlaten. Ik hoor haar tekeer gaan tegen een medewerkster en schiet deze te hulp. De enigszins dementerende mevrouw van Zanten (gefingeerd) van rond de 85 jaar zit met een verontwaardigd gezicht inmiddels in een stoel en houdt zich stevig beet aan de leuningen. Ik zie als de medewerkster haar probeert op te tillen uit de stoel, deze klappen krijgt. Ik kijk haar aan, zeg dat ze onmiddellijk moet ophouden en dat ze in de rolstoel moet gaan zitten die de medewerkster voor haar houdt. Vervolgens zeg ik tegen haar dat er brand is en dat ze tijdelijk even van haar kamer afmoet. Maar ook van mij is ze niet onder de indruk en zegt in onvervalst Rotterdams: “Het zal me een zorg zijn, ik ga ech nie van m'n kamer!”. Nou zijn wij gewend om dan gelijk korte metten te maken met zulke sujetten, maar ik heb hier te maken met een broze oude vrouw die ik niet zomaar bij kop en kont ruw kan beetpakken.
Ik til haar daarom met stoel en al op en loop met haar de kamer af de gang op. Ze wordt ontzettend boos en al lopend krijg ik klappen in mijn gezicht. Ik wend mijn hoofd zoveel mogelijk af om de klappen te ontwijken. Ze gromt: “Blijf met je poten van me af, viezerik!” en vervolgens “Help, ik word ontvoerd!”. Op de gang kom ik mijn verbaasde collega tegen die vervolgens keihard begint te lachen. Op de andere vleugel zet ik haar weer voorzichtig neer. Met een nog steeds boze blik kijkt ze me aan. Ik kan helaas geen goed meer doen en ga maar snel weg. Ze wordt liefdevol opgevangen door een medewerkster die haar kalmeert.
De brand wordt vakkundig door de brandweer geblust en de brandweercommandant complimenteert het personeel met hun uiterst snelle en vakkundige optreden.
De brand bleek te zijn ontstaan bij de kerstboom, waarschijnlijk doordat een lampje van de kerstboom tegen het gordijn had gezeten. Hierdoor was het gordijn gaan smeulen en was er een behoorlijke rookontwikkeling ontstaan. Gelukkig ging hierdoor het brandalarm af. Vanwege de rookontwikkeling nam de medewerkster van het verzorgingstehuis de juiste beslissing, haalde zo snel mogelijk de bewoner uit de kamer en trok de deur dicht. Beiden werden door het ambulancepersoneel nagekeken vanwege ingeademde rook. Gelukkig viel het reuze mee.
Op het bureau gekomen vertelt mijn collega het verhaal in geuren en kleuren. Er wordt natuurlijk hard om gelachen dat ik me heb laten slaan door een oude vrouw. Spottend vragen ze of ik nog aangifte wil doen. Meewarrig heb ik mijn hoofd maar geschud. Maar stiekem ben ik trots op mijn actie, de klappen neem ik wel op de koop toe.
Hoe belangrijk is een goede werkende brandmelder voor u?
Ik wens al mijn lezers goede kerstdagen toe en een gezond en gelukkig 2015.
(volgende blog 05/01)
maandag 8 december 2014
Soms loopt het anders....
Het is
begin januari als ik weer aan de beurt ben om een dag Integrale
BeroepsvaardigheidsTraining, afgekort IBT, op de Boezembocht te gaan volgen.
Ik heb wel een handicap, want sinds een paar weken heb ik een fikse peesontsteking aan mijn rechterarm. Omdat het clusteren, zoals het ook wel genoemd wordt, eigenlijk niet zomaar afgezegd kan worden besluit ik het gewoon te volgen en wel te zien hoe ver ik kom. Het beste is om mijn arm zoveel mogelijk te ontzien.
Ik moet zeggen dat alle oefeningen, inclusief het schieten, heel goed gaan en mijn arm niet hevig protesteert. Ik heb van tevoren mijn handicap vermeld, dus er wordt wel rekening met mij gehouden door de collega´s.
Met een tevreden gevoel loop ik om 15:00 uur al weer naar de parkeerplaats, aan de achterzijde op het industrieterrein, toe. We zijn lekker op tijd klaar en ik heb gelukkig mijn arm niet overmatig belast.
Ik steek, in uniform gekleed, de weg over aan de achterzijde van de Boezembocht met mijn sporttas in mijn handen als een oude man, van rond de 75 jaar oud, met een angstige blik en bezweet hoofd aan mij vraagt: “Mag ik u iets vragen?”
Eigenlijk een beetje verwonderd, maar aan de andere kant bezorgd om zijn gezichtsuitdrukking, antwoord ik hem: “Natuurlijk mag u wat vragen!”
Hij wijst naar een geparkeerde auto en vertelt dat zijn vrouw niet goed geworden is in de auto en of ik kan helpen. De auto staat aan de doorgaande weg geparkeerd. Ik zie echter in de auto, waar de man naar wijst, helemaal niemand zitten. Ik loop naar de auto toe en zie dan pas op de bijrijderstoel een vrouw zitten. Haar hoofd hangt achterover tussen de stoel en de deurstijl. Ze is lijkbleek en haar mond hangt half open. Razendsnel kom ik in actie, trek het portier open en til de vrouw uit de auto. Ik sleep haar naar de achterzijde van de auto en leg haar op de weg neer. Ik controleer haar hartslag en haar ademhaling, maar die heeft ze beiden niet.
Ik start de reanimatie en kijk tegelijkertijd om mij heen of er iemand in mijn buurt is die mij kan helpen. Gelukkig, er komt een fietser aan. Ik roep naar de man of hij wil helpen. Het gekke is dat hij mij aankijkt, blijft aankijken, om vervolgens voorbij te fietsen. Kennelijk ziet het eruit of ik hem voor de gek houd. Dan komt gelukkig een collega, Monique, aanlopen. Ze vertelt mij dat ze me niet kan helpen met reanimeren vanwege een flinke blessure. Ik vraag haar om dan de oude man op te vangen die verslagen rondloopt. Dan komt collega Paul (de collega uit mijn blog “Even een appelflap halen”) aanlopen. Hij kijkt mij met een verbaasde blik aan als hij mij bezig ziet met de reanimatie. Het is net of hij zich afvraagt waar ik nou weer mee bezig ben. Ik vraag aan Paul of hij onmiddellijk de meldkamer wil bellen om een ambulance en mij wil assisteren met reanimeren.
Dan gaat het snel. De ambulance en ook de collega’s van de noodhulp komen ter plaatse. Ze nemen het van mij en Paul over en dan pas voel ik mijn arm. Hij is zowat lam en doet hevig pijn. Daar ging mijn voornemen om mijn arm te ontlasten, maar dit was niet te vermijden. Tijdens de reanimatie heb ik helemaal niets gevoeld, maar nu weet ik weer dat ik een peesontsteking heb.
Ik heb wel medelijden met de oude man, omdat hij eigenlijk zo respectvol aan mij vroeg hem te komen helpen. Ik hoop niet dat het mij ooit een keer overkomt, maar als ik zoiets zou meemaken dan zou de gehele omgeving weten dat er iemand onwel is geworden in mijn auto.
Het bleek dat de oude man al zeker tien minuten, met zijn in elkaar gezakte vrouw naast zich, had rondgereden en toen bedacht dat er in de buurt van het politiebureau Boezembocht wel eens een agent kon lopen die hij zou kunnen aanspreken.
Helaas konden de collega’s van de ambulancedienst, ondanks verwoede pogingen, niets meer voor de vrouw doen.
Ik bedank Monique en Paul voor hun hulp en stap in mijn auto. Tijdens de rit naar huis lukt het me haast niet om normaal te schakelen. Ik heb twee weken lang geweten dat ik gereanimeerd heb. Ik heb het uiteraard voor dit goede doel over gehad, alleen jammer dat het zo triest is afgelopen met de vrouw.
Een politiedag is onvoorspelbaar, zelfs als je IBT hebt met goede voornemens. Soms loopt het anders.
Kijk even op de website http://www.hartslagnu.nl/ voor nuttige informatie
(Volgende blog 22/12/2014)
Ik heb wel een handicap, want sinds een paar weken heb ik een fikse peesontsteking aan mijn rechterarm. Omdat het clusteren, zoals het ook wel genoemd wordt, eigenlijk niet zomaar afgezegd kan worden besluit ik het gewoon te volgen en wel te zien hoe ver ik kom. Het beste is om mijn arm zoveel mogelijk te ontzien.
Ik moet zeggen dat alle oefeningen, inclusief het schieten, heel goed gaan en mijn arm niet hevig protesteert. Ik heb van tevoren mijn handicap vermeld, dus er wordt wel rekening met mij gehouden door de collega´s.
Met een tevreden gevoel loop ik om 15:00 uur al weer naar de parkeerplaats, aan de achterzijde op het industrieterrein, toe. We zijn lekker op tijd klaar en ik heb gelukkig mijn arm niet overmatig belast.
Ik steek, in uniform gekleed, de weg over aan de achterzijde van de Boezembocht met mijn sporttas in mijn handen als een oude man, van rond de 75 jaar oud, met een angstige blik en bezweet hoofd aan mij vraagt: “Mag ik u iets vragen?”
Eigenlijk een beetje verwonderd, maar aan de andere kant bezorgd om zijn gezichtsuitdrukking, antwoord ik hem: “Natuurlijk mag u wat vragen!”
Hij wijst naar een geparkeerde auto en vertelt dat zijn vrouw niet goed geworden is in de auto en of ik kan helpen. De auto staat aan de doorgaande weg geparkeerd. Ik zie echter in de auto, waar de man naar wijst, helemaal niemand zitten. Ik loop naar de auto toe en zie dan pas op de bijrijderstoel een vrouw zitten. Haar hoofd hangt achterover tussen de stoel en de deurstijl. Ze is lijkbleek en haar mond hangt half open. Razendsnel kom ik in actie, trek het portier open en til de vrouw uit de auto. Ik sleep haar naar de achterzijde van de auto en leg haar op de weg neer. Ik controleer haar hartslag en haar ademhaling, maar die heeft ze beiden niet.
Ik start de reanimatie en kijk tegelijkertijd om mij heen of er iemand in mijn buurt is die mij kan helpen. Gelukkig, er komt een fietser aan. Ik roep naar de man of hij wil helpen. Het gekke is dat hij mij aankijkt, blijft aankijken, om vervolgens voorbij te fietsen. Kennelijk ziet het eruit of ik hem voor de gek houd. Dan komt gelukkig een collega, Monique, aanlopen. Ze vertelt mij dat ze me niet kan helpen met reanimeren vanwege een flinke blessure. Ik vraag haar om dan de oude man op te vangen die verslagen rondloopt. Dan komt collega Paul (de collega uit mijn blog “Even een appelflap halen”) aanlopen. Hij kijkt mij met een verbaasde blik aan als hij mij bezig ziet met de reanimatie. Het is net of hij zich afvraagt waar ik nou weer mee bezig ben. Ik vraag aan Paul of hij onmiddellijk de meldkamer wil bellen om een ambulance en mij wil assisteren met reanimeren.
Dan gaat het snel. De ambulance en ook de collega’s van de noodhulp komen ter plaatse. Ze nemen het van mij en Paul over en dan pas voel ik mijn arm. Hij is zowat lam en doet hevig pijn. Daar ging mijn voornemen om mijn arm te ontlasten, maar dit was niet te vermijden. Tijdens de reanimatie heb ik helemaal niets gevoeld, maar nu weet ik weer dat ik een peesontsteking heb.
Ik heb wel medelijden met de oude man, omdat hij eigenlijk zo respectvol aan mij vroeg hem te komen helpen. Ik hoop niet dat het mij ooit een keer overkomt, maar als ik zoiets zou meemaken dan zou de gehele omgeving weten dat er iemand onwel is geworden in mijn auto.
Het bleek dat de oude man al zeker tien minuten, met zijn in elkaar gezakte vrouw naast zich, had rondgereden en toen bedacht dat er in de buurt van het politiebureau Boezembocht wel eens een agent kon lopen die hij zou kunnen aanspreken.
Helaas konden de collega’s van de ambulancedienst, ondanks verwoede pogingen, niets meer voor de vrouw doen.
Ik bedank Monique en Paul voor hun hulp en stap in mijn auto. Tijdens de rit naar huis lukt het me haast niet om normaal te schakelen. Ik heb twee weken lang geweten dat ik gereanimeerd heb. Ik heb het uiteraard voor dit goede doel over gehad, alleen jammer dat het zo triest is afgelopen met de vrouw.
Een politiedag is onvoorspelbaar, zelfs als je IBT hebt met goede voornemens. Soms loopt het anders.
Kijk even op de website http://www.hartslagnu.nl/ voor nuttige informatie
(Volgende blog 22/12/2014)
maandag 24 november 2014
In staat van oorlog
De tweede wereldoorlog leeft bij de oude generatie nog steeds. Hoewel
die generatie een uitstervend ras is heb ik mijn 90 jarige vader nog, die alles
van de oorlog haarscherp voor de geest staat. Hij was 16 jaar oud toen de
oorlog begon en volgens hem zijn de mooiste jaren van z'n jeugd
afgepakt door de Duitsers (hij noemt ze anders maar dat ga ik niet opschrijven
zult u begrijpen). Wij kennen de tijd van de oorlog met Duitsland gelukkig niet
en leven in vrede met de huidige generatie van het Duitse volk. Ik probeer me wel
altijd een voorstelling te maken als mijn vader het heeft over de Duitse
soldaten van toen, die niet keurig aanbelden, maar met hun spijkerlaarzen tegen
de deur schopten of bonsden en krachttermen schreeuwden. Met deze melding moest
ik toch wel even terugdenken aan zijn verhalen.
Zo krijgen mijn collega Robin en ik een melding van een geluidsoverlast op de A-straat. De bewoonster van het pand draait luide muziek en veroorzaakt veel overlast bij de buren. De meldster vertelt dat de buurvrouw de laatste tijd behoorlijk vaak dronken is en luide muziek draait, volgens de buurvrouw een soort oorlogsmuziek. Collega’s zijn er al eerder aan de deur geweest. Ze heeft toen een proces-verbaal gehad en de waarschuwing dat de volgende keer de geluidsapparatuur in beslag genomen wordt.
We weten niet wat de meldster met een soort oorlogsmuziek bedoelt tot we voor de woning staan. Uit de woning schalt luide Duitse marsmuziek, zoals in de propagandafilms van Hitler wordt gedraaid. We kunnen begrijpen dat de buren hier overlast van hebben, je zou er gek van worden. We hebben al veel meldingen van geluidsoverlast van muziek gehad, maar deze soort nog nooit. Aanbellen heeft geen zin dus kloppen we op een manier aan, zoals de Duitsers dat volgens mijn vader in de oorlog deden, tegen de deur trappen en bonzen.
Er verschijnt een oudere vrouw voor de ramen, hoewel je het geen vrouw kan noemen.
Voor ons staat werkelijk, oneerbiedig uitgedrukt, een heks met grijs sluik haar, een haviksneus, een gebitloze mond die in het Duits schreeuwt naar ons dat we weg moeten wezen. Het is duidelijk dat ze de Duitse taal verheft boven de Nederlandse taal. Zelfs boven de muziek uit horen we haar schreeuwen. Verscheidene keren brengt ze de Hitlergroet en hoe we ook proberen, ze weigert om de deur open te doen. We verzoeken de chef van dienst ter plaatse voor een machtiging tot binnentreden en vragen een slotenmaker om de deur open te maken.
Het geschreeuw en de herrie blijven maar doorgaan als een oneindige langspeelplaat. Ik zie opeens dat het keukenraam op een kier staat en kan met een handigheidje het raam opendoen. Kennelijk heeft de vrouw dat ook door want ze staat opeens in de keuken en wil het raam weer dichttrekken. Maar hier heb ik even geen zin in. Ze schreeuwt: “Raus, weg, schnell!” Onwillekeurig moet ik terugdenken aan de verhalen van mijn vader. Het lijkt er inderdaad wel verdacht veel op. Ik pak haar in een snelle beweging beet en trek haar naar het raam toe. Op dezelfde manier schreeuw ik in het Nederlands in haar oor dat ze de keuze heeft. Of ik trek haar helemaal door het raam naar buiten of ze gaat de voordeur voor ons opendoen en ons binnenlaten.
Opeens kan ze Nederlands spreken, want ze smeekt om haar los te laten. Ze zal de deur voor ons opendoen en ons binnenlaten. Ik laat haar los, maar houd voor de zekerheid het keukenraam open. Ze doet inderdaad de voordeur voor ons open en Robin stapt direct langs haar heen en trekt de stekker uit de stereoset. Dan blijkt dat ook de televisie in turbostand staat met als hoofdmoot een film van marcherende Duitsers in de tweede wereldoorlog. Robin trekt ook de stekker van de televisie eruit. Hierna is het gelukkig een stuk minder met de herrie. De decoraties aan de muren zegt ons genoeg over de sympathieën van de vrouw. Ze tracht ons wijs te maken dat de tweede wereldoorlog die goede oude tijd was en we daar een voorbeeld aan zouden moeten nemen. Ik merk op dat mijn vader hier toch heel anders over denkt en een dialoog met hem wel eens voor een verrassing zou kunnen zorgen. Als ze begint dat wij van de Joden afstammen en ze ons vergeten zijn dood te maken, begint het bij ons toch wel lichtjes te kriebelen. We moeten hier maar gauw weggaan, echter niet zonder de stereoset en de televisie in beslag te nemen. Ze is in staat van oorlog. Als blikken kunnen doden…..
We verlaten de woning met de apparatuur, haar scheldend achterlatend.
Glimlachend moet ik aan mijn vader denken.
Zo krijgen mijn collega Robin en ik een melding van een geluidsoverlast op de A-straat. De bewoonster van het pand draait luide muziek en veroorzaakt veel overlast bij de buren. De meldster vertelt dat de buurvrouw de laatste tijd behoorlijk vaak dronken is en luide muziek draait, volgens de buurvrouw een soort oorlogsmuziek. Collega’s zijn er al eerder aan de deur geweest. Ze heeft toen een proces-verbaal gehad en de waarschuwing dat de volgende keer de geluidsapparatuur in beslag genomen wordt.
We weten niet wat de meldster met een soort oorlogsmuziek bedoelt tot we voor de woning staan. Uit de woning schalt luide Duitse marsmuziek, zoals in de propagandafilms van Hitler wordt gedraaid. We kunnen begrijpen dat de buren hier overlast van hebben, je zou er gek van worden. We hebben al veel meldingen van geluidsoverlast van muziek gehad, maar deze soort nog nooit. Aanbellen heeft geen zin dus kloppen we op een manier aan, zoals de Duitsers dat volgens mijn vader in de oorlog deden, tegen de deur trappen en bonzen.
Er verschijnt een oudere vrouw voor de ramen, hoewel je het geen vrouw kan noemen.
Voor ons staat werkelijk, oneerbiedig uitgedrukt, een heks met grijs sluik haar, een haviksneus, een gebitloze mond die in het Duits schreeuwt naar ons dat we weg moeten wezen. Het is duidelijk dat ze de Duitse taal verheft boven de Nederlandse taal. Zelfs boven de muziek uit horen we haar schreeuwen. Verscheidene keren brengt ze de Hitlergroet en hoe we ook proberen, ze weigert om de deur open te doen. We verzoeken de chef van dienst ter plaatse voor een machtiging tot binnentreden en vragen een slotenmaker om de deur open te maken.
Het geschreeuw en de herrie blijven maar doorgaan als een oneindige langspeelplaat. Ik zie opeens dat het keukenraam op een kier staat en kan met een handigheidje het raam opendoen. Kennelijk heeft de vrouw dat ook door want ze staat opeens in de keuken en wil het raam weer dichttrekken. Maar hier heb ik even geen zin in. Ze schreeuwt: “Raus, weg, schnell!” Onwillekeurig moet ik terugdenken aan de verhalen van mijn vader. Het lijkt er inderdaad wel verdacht veel op. Ik pak haar in een snelle beweging beet en trek haar naar het raam toe. Op dezelfde manier schreeuw ik in het Nederlands in haar oor dat ze de keuze heeft. Of ik trek haar helemaal door het raam naar buiten of ze gaat de voordeur voor ons opendoen en ons binnenlaten.
Opeens kan ze Nederlands spreken, want ze smeekt om haar los te laten. Ze zal de deur voor ons opendoen en ons binnenlaten. Ik laat haar los, maar houd voor de zekerheid het keukenraam open. Ze doet inderdaad de voordeur voor ons open en Robin stapt direct langs haar heen en trekt de stekker uit de stereoset. Dan blijkt dat ook de televisie in turbostand staat met als hoofdmoot een film van marcherende Duitsers in de tweede wereldoorlog. Robin trekt ook de stekker van de televisie eruit. Hierna is het gelukkig een stuk minder met de herrie. De decoraties aan de muren zegt ons genoeg over de sympathieën van de vrouw. Ze tracht ons wijs te maken dat de tweede wereldoorlog die goede oude tijd was en we daar een voorbeeld aan zouden moeten nemen. Ik merk op dat mijn vader hier toch heel anders over denkt en een dialoog met hem wel eens voor een verrassing zou kunnen zorgen. Als ze begint dat wij van de Joden afstammen en ze ons vergeten zijn dood te maken, begint het bij ons toch wel lichtjes te kriebelen. We moeten hier maar gauw weggaan, echter niet zonder de stereoset en de televisie in beslag te nemen. Ze is in staat van oorlog. Als blikken kunnen doden…..
We verlaten de woning met de apparatuur, haar scheldend achterlatend.
Glimlachend moet ik aan mijn vader denken.
maandag 10 november 2014
Sstt, mammie slaapt!
Soms vragen mensen of er nog dingen zijn die mij altijd bijgebleven zijn. Ik moet eerlijk zeggen dat ik nergens vreemd meer van op kijk. Voor een schrikbarend hoog aantal hulpverleners is het meemaken van heftige gebeurtenissen onverteerbaar. Bij deze collega’s komt de emmer vol te zitten en ze belanden thuis met PTSS (Post Traumatische Stress Stoornis). Ik kan mij er iets bij voorstellen, omdat sommige incidenten ook mij heftig aangegrepen hebben.Huiselijk geweld is iets vreselijks, waar we helaas bijna elke dienst mee te maken krijgen. In je veilige leefomgeving je niet veilig voelen. Partners slaan elkaar soms bijna letterlijk de hersens in om luttele zaken. Ik kan mij in sommige situaties soms best voorstellen als bijvoorbeeld één van de partners tot het uiterste gedreven wordt door de andere partner en de stoppen bij hem of haar doorslaan. Maar wat ik niet begrijp is dat hij/zij dan vervolgens zijn/haar woede botviert op het lichaam van zijn/haar partner. Ik zeg altijd dat je bij zo een woede beter het Zuiderpark tien keer kan rondrennen of een hakbijl nemen en een boomstam tot luciferhoutjes slaat en dan rustig bedenkt of de relatie nog zin heeft. Bij mishandeling tast je de lichamelijke integriteit van iemand aan waardoor hij/zij zowel lichamelijk als geestelijk onherstelbaar beschadigd raakt. Bij mishandeling is de vertrouwensband weg en regeert men uit angst. Angst dat hij/zij weer toeslaat, dus worden bewust (positieve) confrontaties vermeden. Vaak vindt huiselijk geweld plaats nadat één of beide partijen alcohol of drugs gebruikt heeft. Men kan dan vaak niet meer realistisch nadenken.
We krijgen een melding dat iemand ijselijk gegil heeft gehoord in de woning van de buren. Het is een bekend adres waar we al vaker zijn geweest de laatste tijd. Er woont een gezin, bestaande uit vader Kees, moeder Truus en Mien, een kind van een jaar of vier oud. Kees en Truus zijn allebei werkloos en leven van een uitkering. Ze zijn allebei alcoholist en hebben een zogenaamde knipperlichtrelatie. Het gaat een tijd goed en dan gaat het weer mis in de relatie. Truus gaat dan met Mien een tijd weg naar familie, maar komt vervolgens weer terug en trekt weer bij Kees in. Ondanks de vele gesprekken van de collega’s en instanties blijft Truus terugkomen. Kees wordt enkele keren aangehouden voor mishandeling van Truus en het gaat van kwaad tot erger. Truus weigert telkens aangifte te doen, omdat Kees toch nog zo ‘lief ‘ is.
We komen ter plaatse en horen eigenlijk niets, dan alleen het brabbelen van Mien die kennelijk aan het spelen is. We kunnen niet in de woning kijken, dan alleen door de brievenbus. Normaal gesproken zou je zeggen dat we gewoon onze weg weer kunnen vervolgen, omdat het ogenschijnlijk rustig is. Maar gezien de informatie uit het verleden, besluiten we om aan te bellen. Er wordt niet op aanbellen gereageerd, dus besluiten we om gewoon stevig op de deur te bonzen. We horen kleine Mien aan komen lopen en we kijken samen, op onze hurken door de brievenbus. Dan slaat de schrik ons om het hart. We zien, als kleine Mien komt aanlopen, dat ze onder het bloed zit. Ze zet haar vinger tegen haar lippen en zegt : Sstt, mammie slaapt!
Dit is foute boel flitst het door me heen, we moeten zo snel mogelijk naar binnen. Ik zeg tegen Mien dat ze naar mammie toe moet gaan en haar even wakker moet maken, om haar zodoende bij de deur weg te krijgen. Mien dribbelt de gang weer in en hetzelfde moment trapt mijn collega met een paar ferme trappen de deur in. We vliegen de kamer binnen en zien het verschrikkelijke. Truus ligt achterover op de grond, tussen de bank en het raamkozijn gevallen. Haar hele gezicht is bedekt met bloed en er zitten wrijfsporen over het hele gezicht, kennelijk doordat kleine Mien over het gezicht van haar moeder aan het wrijven is geweest. Een grote vaas ligt half aan scherven naast haar hoofd. Ze is kennelijk de hersens ingeslagen met de vaas, flitst het door mij heen. Het is een grote chaos in de kamer. Ik ga op zoek naar Kees en voor ik bij de slaapkamer ben, komt deze waggelend de slaapkamer uit. Hij zegt nog wauwelend : “Het is dat t***wijf haar eigen schuld!”.
In een flits geef ik hem een trap, zodat hij achterwaarts de slaapkamer in valt. Mijn collega, die achter mij aan was gelopen, duikt boven op hem en binnen korte tijd ligt Kees geboeid op de grond. We verzoeken onmiddellijk met spoed om assistentie van collega’s en vragen tevens om een ambulance. Ik ga bij Truus kijken, maar het ziet er niet goed uit. Ze heeft een snurkende ademhaling en heeft flinke verwondingen aan haar hoofd. We komen eigenlijk handen tekort, want mijn collega houdt Kees onder controle en ik moet ook Mien nog in de gaten houden. Gelukkig arriveren de collega’s, die aan mijn stem wel gehoord hebben dat het ernst is, binnen korte tijd en kunnen we Kees aan hen overdragen. Mien zit inmiddels weer bij haar moeder en wil weer knuffelen met haar, dus moet ik haar wegtrekken. Tot overmaat van ramp begint ze te huilen dat ze bij mammie wil blijven. Mijn hart breekt. Ik pak haar vast en probeer haar gerust te stellen. Inmiddels arriveren de ambulancecollega’s en ontfermen zich over Truus, die binnen no-time ingeladen wordt in de ambulance. Met een spoedtransport wordt Truus overgebracht naar het ziekenhuis.
De collega’s van de recherche ontfermen zich over de kleine besmeurde Mien en nemen de zaak van ons over. Op het bureau vang ik nog een glimp van Kees op die naar zijn cel gebracht wordt. Ik koester een diepe haat tegen deze man en steek dit tegenover de collega’s niet onder stoelen of banken. Het is een natuurlijke reactie, maar niet professioneel. Ik word er door bevangen.
Drie dagen na het incident krijg ik te horen dat Truus aan haar verwondingen is overleden.
Na nog een aantal heftige incidenten in een korte periode ontbreekt de lust om nog aan het werk gegaan. Na een tijdje thuis gezeten te hebben krabbel ik weer overeind dankzij de juiste professionele hulp. Voor mij was dit gelukkig maar een korte tijd. Er zijn collega’s die er (bijna) niet overheen komen en reeds lange tijd thuis zitten. Gelukkig is er steeds meer aandacht voor PTSS, wat als een beroepsziekte is erkend.
Een aanrader om hierover meer te lezen is de link van collega Jacco Bezuijen http://mijnjongensdroom.blogspot.nl/?m=1 of de site van Arthur van der Vlies op http://reflectieinblauw.nl
(volgende blog 24 nov 2014)
maandag 27 oktober 2014
Diensttijger
Buiten onze geweldsmiddelen die wij bij ons
dragen, zoals pepperspray, wapenstok en vuurwapen kunnen wij bij ernstige en/of
geweldsincidenten een beroep doen op een diensthondgeleider, ook wel hondenman
genaamd. De hond van een diensthondgeleider is speciaal getraind voor
politiewerk en gecertificeerd. De diensthondgeleider is een politieagent die
dagelijks met zijn/haar hond bezig is, zodat beiden op elkaar ingespeeld zijn. Dit
is een waardevolle aanvulling voor ons als politieagenten op straat.François verdwijnt enkele maanden uit ons beeld, omdat hij een gevangenisstraf moet uitzitten vanwege zijn drugsdelicten. Maar opnieuw vervalt hij in zijn oude praktijken, het verkopen van drugs. We krijgen een melding van bewoners van de A straat, dat bij hun buren het een komen en gaan is van mensen. Dit gaat ook midden in de nacht door wat zou kunnen duiden op een pand van waaruit drugs verkocht wordt. We besluiten de woning een tijdje te gaan observeren. Tot onze verbazing zien we een bekende jongeman de deur uitkomen. Het is François die weer op vrije voeten is. Na enkele dagen komen we tot de conclusie dat hij de ‘bewoner’ is van het pand en weer flink in de ‘handel’ zit. Telkens als hij de voordeur verlaat of weer binnengaat, zien we dat hij zeer spichtig om zich heen kijkt, bang voor zijn belagers, wij dus.
We bereiden een inval voor en wachten tot er weer grote tassen naar binnen gedragen worden. Maar vreemd genoeg blijft dit uit. We stellen de inval uit en gaan investeren in het volgen van François. Het blijkt heel lastig te zijn, omdat hij gebruik maakt van meerdere auto’s, die verspreid in de wijk staan. We weten uiteindelijk dat hij naar een andere woning in de X straat gaat en na observatie blijkt hij hier zijn ‘pakhuis’ te hebben. Vanuit deze woning brengt hij steeds kleine hoeveelheden drugs naar de andere woning toe om zo te voorkomen dat bij een aanhouding heel zijn voorraad wordt aangetroffen. We zijn in opperste paraatheid om in actie te komen.
Dan gaat het hart van een collega van ons team heel hard kloppen. Als observant van het pand in de X straat, komt er een dure auto aangereden van waaruit enkele grote tassen de ‘woning’ worden ingedragen. Het gaat allemaal heel snel, dus we moeten snel zijn. Enkele auto’s, bemand met teamleden volgen deze auto en voeren een zogenaamde autoprocedure uit. Een snelle procedure, waarbij de inzittende, voordat deze het weet, geboeid op de achterbank van ons voertuig ligt. De auto van de verdachte wordt meegenomen. Inmiddels ziet onze observant dat François zijn ‘pakhuis’ verlaat. Uiteindelijk zien we hem de woning aan de A straat weer binnen gaan. Ons team maakt zich klaar voor de volgende inval, het ‘pakhuis’. Er blijkt hier niemand aanwezig te zijn, maar we vinden wel, na grondig zoeken, zeker twintig kilo cocaïne, ruim vijftigduizend euro en een doorgeladen pistool. Dat zou kunnen betekenen dat François ook gewapend is.
We moeten snel actie ondernemen en de woning aan de A straat binnenvallen, waar François nu binnenzit. Aangezien François vluchtgevaarlijk is en mogelijk vuurwapengevaarlijk, vragen we een hondenman ter plaatse.
Kees van de hondenbrigade komt ter plaatse en hoort ons verhaal aan. Laat Kees nou net zijn laatste werkweek hebben als diensthondgeleider en een hele felle diensthond hebben. Sommige diensthonden kunnen nog eens aardig zijn, maar deze staat bekend als een echte bijter. We zien Kees zijn ogen gaan glimmen als we hem vertellen dat we haast zeker weten dat François zal gaan vluchten door de tuinen.
Via de buren regelen we dat er een collega op het balkon van hen komt te staan. Op die manier zal François er niet voor kiezen om via het dak te gaan maar via de tuin. In de zijstraat waar de brandgang uitkomt, zetten we ook collega’s neer, zodat daar ook de weg voor hem versperd wordt. Ik loop met Kees en zijn hond mee. We gaan via de brandgang naar de tuin van de woning van François toe en nemen een strategische positie in. Dan kan het feest gaan beginnen.
Ons team aan de voorkant begint op de voordeur te rammen. Zoals verwacht is deze weer gebarricadeerd en nog geen paar seconden later vliegt de balkondeur open en verschijnt François op het balkon. “Politie, blijf staan!” schreeuwt mijn collega en Francois vliegt weer naar binnen. Hij ziet het kennelijk niet zitten om deze keer weer via de regenpijp naar beneden te gaan. Ondertussen klinken grote klappen op de voordeur en wordt de voorruit door ons team eruit geslagen. De achterdeur vliegt open en Francois rent naar de brandgang en rent richting de uitgang aan de zijstraat. Daar schreeuwt ook een collega dat hij moet blijven staan. Tja, en wie niet horen wil moet dan maar voelen. Francois rent terug de brandgang in en ondanks waarschuwingen van Kees blijft hij doorrennen. De diensthond vliegt hem achterna en uit alle macht weet Francois nog het hekwerk te bereiken aan de andere kant van de brandgang. Hij springt op het hekwerk met punten en blijft met zijn broeksriem steken aan de scherpe punten. Ongenadig hapt de diensthond in zijn onderbeen, het been wat zo mooi weer geheeld was. Er klettert iets op de grond wat uit de broeksband van Francois valt. Het blijkt een vuurwapen te zijn wat hij bij zich had. Doordat François blijft hangen aan het hekwerk scheurt de 40 kilo zware diensthond van Kees de kuit van hem er zowat af, voordat Kees erbij is. Het ziet er niet best uit, hij gilt van de pijn. Wij hebben in ieder geval geluk gehad dat we niet beschoten zijn door François en verzoeken een ambulance ter plaatse. Dit keer klinkt er geen ‘Vive la France’ maar veel gekerm. In het ziekenhuis vraagt de arts of er een granaat tegen het been van François is ontploft. Droogjes antwoordt mijn collega dat er een vriendelijke diensthond in heeft gehapt. Verbaasd kijkt de arts hem aan en vraagt of we ook tijgers in dienst hebben.
François zal nooit meer normaal kunnen lopen en verblijft enkele weken in het ziekenhuis, vanwaar hij naar de gevangenis gaat. Hij krijgt enkele jaren gevangenisstraf en zal niet meer terugkeren bij ons in de wijk, omdat zijn schuldeisers hem zeker gaan zoeken en (nog) minder humaan voor hem zullen zijn.
Kees was trots op zijn trouwe viervoeter en kon terugkijken op een mooie laatste inzet.
Abonneren op:
Posts (Atom)








