Copyright

Copyright P.Kats. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd worden en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.

maandag 26 mei 2014

Mens-erger-je-niet



Bepaalde dingen die ik zie of hoor, roepen bij mij zeer onprettige herinneringen op. Dat kan een bepaald liedje zijn die ik tijdens een reanimatie op de radio heb gehoord in een woning of een kinderspeelkleed waarin een slachtoffer door de dader was opgerold. Maar ook het bekende spel mens-erger-je-niet roept bij mij nog steeds herinneringen op.





Tijdens een avonddienst, tegen het einde van het jaar in de donkere dagen, krijgen we een melding van een meisje dat dreigt te stikken in iets. Er is een hoop paniek aan de telefoon en de meldkamer kan uit het gesprek niet opmaken wat er precies aan de hand is.
Wij zitten redelijk dicht in de buurt en rijden met spoed naar het adres aan de A straat toe.

Ter plaatse gekomen zien we een meisje van een jaar of 10 oud op de grond liggen. We zien dat ze al blauw aangelopen is. In de kamer is verder haar moeder, een vriendinnetje en een broertje aanwezig. Moeder is hevig in paniek en vertelt ons dat haar dochtertje een pionnetje van het spel mens-erger-je-niet in haar keel heeft zitten. Het meisje ademt niet meer en heeft tevens geen hartslag meer. Hierop starten wij direct met reanimeren. Voorzichtig probeer ik nog met mijn vinger in haar mond het pionnetje te vinden, maar ik voel niets. Ik geef een urgente status op mijn portofoon. Hiermee krijg je direct voorrang bij de meldkamer. Ik vraag met spoed om een ambulance en geef door dat we begonnen zijn met de reanimatie. Het is voor ons best lastig om een kind te reanimeren. Ten eerste omdat het een kind betreft en dat raakt je ! Ten tweede de kracht waarmee je moet reanimeren. Je kunt niet zo hard op zo’n klein lichaampje drukken zoals bij een volwassene, dus je moet daar heel goed rekening mee houden. Gelukkig komt na korte tijd het ambulancepersoneel ons versterken. We doen het volgens hen prima. Inmiddels is ook het mobiel medisch team aanrijdend, vliegen met de helikopter was niet mogelijk vanwege de weersomstandigheden.

Toch zijn ze vrij snel ter plaatse en wordt door de chirurg een drastische ingreep gedaan. Hij probeert nog met een sneetje in haar keel de luchtweg vrij te maken. Het is een dramatisch gezicht en je hoopt alleen maar op een goede afloop. Alles wordt klaargemaakt voor een spoedtransport naar het Sophia kinderziekenhuis. De brancard wordt door het ambulance personeel gehaald. Het betreft een kleine woning, die kort na de oorlog is gebouwd. Tot overmaat van ramp lukt het niet om de brancard via de smalle gang in de woonkamer te krijgen. Veel tijd is er niet over, dus besluiten we om de ruit van de woonkamer te vernielen. Gelukkig is de brandweer ook ter plaatse en met veel geweld wordt binnen korte tijd door hen de hele voorruit van de woning eruit geslagen. We hebben hierna een deken over het kozijn neergelegd en met een bezem snel het meeste naar buiten geslagen glas weggeveegd om een veilige doorgang te verzorgen.

Met spoed wordt het meisje overgebracht naar het ziekenhuis. Moeder gaat mee met de ambulance en het broertje en het vriendinnetje worden opgevangen bij de buren.
Wij blijven achter om het huis te beveiligen en te wachten op een afdichtingbedrijf.

Het mens-erger-je-niet spel is als stille getuige achtergebleven op de plaats des onheils. Eén groen pionnetje ontbrak. Uit later onderzoek blijkt dat het meisje het holle plastic pionnetje, gebruikelijk bij de goedkope variant van het spel, bij wijze van grap op haar tong had vastgezogen. Dit spelletje was misgegaan en het pionnetje was in de luchtpijp van het meisje terecht gekomen. Door de trechterachtige vorm van het pionnetje was dit muurvast in haar luchtpijp komen te zitten.

Helaas heeft het meisje het niet overleefd.


vrijdag 16 mei 2014

Schiet me maar dood!

We zijn afhankelijk van burgers die de meldkamer bellen als ze verdachte situaties zien of horen. Tegenwoordig doen we onze uiterste best om burgers, die een melding gedaan hebben, terug te bellen en even de afloop te laten weten van een melding. Dit is helaas niet altijd mogelijk, maar we stimuleren de collega’s wel om dit zoveel mogelijk te doen. Maar tijdens surveillance worden dingen  je ook wel eens in de schoot geworpen,je krijgt ze op een presenteerblaadje.

Samen met Anja van de verkeerspolitie rijden we om 03:00 uur ’s nachts op de A weg in de richting van de tunnel. Het is vrij rustig op de autosnelwegen, dus duiken we de stad maar eens in om te kijken of daar meer te beleven valt. Tegengesteld uit de tunnel zien we een auto aan komen rijden, zonder verlichting en grote rookwolken achter zich latend.  Als de auto dichterbij is zien we dat de motorkap wel een dak lijkt en de hele voorkant in de prak zit. Aan de voorkant is niet meer te zien wat voor merk auto het is. “Wat is dit nou?” roept Anja en keert onze dienstauto, nog net op tijd voor we de tunnel inrijden. Ondanks de schade heeft de bestuurder er nog flink de vaart in. De achterlichten van de auto, een gloednieuwe BMW 7-serie, branden wel, hoewel we de rook ook zouden kunnen volgen. Ondanks het stopteken blijft de auto stevig doorrijden. Na de toeters en bellen aangezet te hebben slaat de auto plotseling linksaf een straatje in en stopt abrupt.

Er springt een jongeman uit de auto en ik heb me al voorbereid op een achtervolging te voet. Echter komt de jongen, al schreeuwend en druk gebarend, naar onze auto toegelopen. Ik spring uit onze dienstauto en sommeer hem te blijven staan. Met grote ogen kijkt hij me aan en schreeuwt : “Oh mijnheer, schiet me maar dood, schiet me alstublieft dood!”. Ik blijf op veilige afstand staan, omdat ik niet weet wat er precies gebeurd.  Anja is ook uitgestapt, blijft ook op veilige afstand en roept naar de jongen dat hij op zijn knieën moet gaan zitten en luisteren wat hij moet doen. Hij gaat gewillig op zijn knieën zitten, met zijn rug naar ons toe, zijn handen in zijn nek. Hij wijst met zijn vinger naar zijn nek en schreeuwt naar Anja : “Hier mevrouw, hier moet u mij doodschieten, anders maakt mijn broer me wel dood!“ Met verbijsterde blikken kijken Anja en ik elkaar aan en ik gebaar dat ik hem ga boeien. Voorzichtig benader ik de jongen en sla hem in de boeien. Ik fouilleer hem om te kijken of hij geen wapens bij zich heeft, maar hij heeft niets bij zich.

We zetten hem overeind en kijken in het gezicht van een radeloze jongen. Bijna struikelend over zijn woorden vertelt hij dat hij zojuist met de gloednieuwe BMW tegen een betonnen barrier aan de noordkant van de tunnel is gereden. De BMW is eigendom van de werkgever van zijn broer. Zijn broer gaat morgen trouwen en heeft de auto te leen gekregen om met zijn bruid op deze heugelijke dag luxe rond te toeren.

De jongen, Koos, blijkt 17 jaar oud te zijn, dus nog niet in het bezit van een geldig rijbewijs. Nadat zijn broer in slaap is gevallen, heeft hij stiekem de autosleutels uit diens zak gepakt om een tourritje door Rotterdam te maken. Stilletjes sluipt hij de trap af en stapt in de dure bolide. Op de B weg trapt hij het gas van de 12 cilinder eens lekker in. Maar dan komt de bocht naar de tunnel en zijn snelheid is veel te hoog. Hij klapt met de voorzijde tegen de betonnen barrier aan en raakt in paniek. Hij wil, ondanks de grote schade, weg. Waarheen weet hij niet, dus rijdt de tunnel in richting Zuid. Tot overmaat van ramp komt hij dan ook nog een politiewagen tegen die de achtervolging inzet, na korte tijd zelfs met zwaailicht en sirene. Hij besluit dan toch maar te stoppen, maar wil het liefst dood zijn. Ik heb best wel medelijden met hem, want hoe gaan we dit inderdaad aan zijn broer vertellen? Koos vertelt dat hij zijn broer redelijk kent en dat die alles bij elkaar zal gaan gillen als hij dit ‘nieuws’ hoort.

We houden Koos aan en brengen hem over naar het bureau. Anja en ik zijn het met elkaar eens dat het de beste oplossing is om Koos veilig in een arrestantenverblijf te plaatsen en bij de broer van Koos aan de deur te gaan. Het valt me op dat het kenteken van de BMW nagenoeg gelijk is aan die van onze 4 weken oude Mercedes, dus heel oud zal hij niet zijn. De BMW wordt weggetakeld en wij bellen aan op het adres van zijn broer, tevens het adres van de vader en moeder van Koos.
Slaperig opent de vader van Koos de deur en kijkt ons fronsend aan als we vragen of hij de vader is van Koos. Als we vertellen waar voor we komen is hij wel gelijk klaarwakker. Hij zucht zwaar en laat ons binnen. Hij haalt gelijk de broer van Koos uit bed en Koos heeft niet gelogen. Hij gilt, schreeuwt en krijst alles bij elkaar en roept : “Ik maak hem dood, ik maak hem dood!”.

We proberen er alles aan te doen om de broer rustig te krijgen wat redelijk lukt. Maar als de broer vraagt of de schade misschien nog te repareren is voor de bruiloft, schiet ik bijna in de lach. Ik vertel hem, met moeite mijn gezicht in de plooi houdend, eerlijk dat de hele voorzijde zwaar beschadigd is en dat dit zeker niet gaat lukken. Het gevolg is weer dat hij begint te gillen : “Ik maak hem dood!”. We besluiten om maar weg te gaan en spreken met de vader van Koos af dat deze naar het politiebureau komt, om te kijken wat we het beste kunnen doen.

We rijden vervolgens naar de noordkant van de tunnel toe en treffen daar bij de betonnen barrier een enorme hoeveelheid brokstukken aan, waaronder ook de kentekenplaat van de BMW. Dat is dus duidelijk. De barrier heeft echter geen schade, dus we rapen alle brokstukken van de weg, vegen de boel aan, nemen de kentekenplaat mee en rijden naar het bureau.

In overleg met zijn vader laten we Koos voor zijn eigen veiligheid en om de gemoederen te bedaren overnachten in ons ‘hotel’. Later hoorden we dat de chef van dienst een goed gesprek had gehad met de vader van Koos en diens broer. Hij mocht toch op de trouwdag zijn van zijn broer, onder twee voorwaarden. Hij moest heel de dag zich gedeisd houden en zeker geen discussie met zijn broer aangaan. Ik ben benieuwd hoe het gegaan is die dag en wat voor trouwauto ze hadden. De verzekering keert de schade van de BMW wel uit, maar zal dit verhalen op Koos of diens ouders. Ik zou hier toch wel pijn in mijn buik hiervan hebben.

maandag 12 mei 2014

Luide knallen!

Ondanks dat je bij IBT (Integrale Beroepsvaardigheid Training) geleerd wordt dat je altijd klaar moet zijn voor onverwachte situaties, komen ze toch altijd onverwachts. Routine kan dodelijk zijn, maar wat kun je nu verwachten van een dagelijks tafereel aan de balie, zoals een verwarde jongeman die je verplicht om boekjes te lezen?

Op een dag komt een jongeman het bureau Zuidplein binnengelopen, een grote sporttas meezeulend. Voor de balie zet hij de sporttas neer en wordt aangesproken door een baliemedewerkster van de ISO (Intake, Service & Ondersteuning), Aurora. Aurora is een dame met een behoorlijk temparement, die al gauw tot de conclusie komt dat er met deze jongeman, Bart genaamd, niet te praten valt. Bart komt namelijk vertellen dat hij een chef van dienst wil spreken om even te vertellen dat hij vindt dat de politie haar werk niet goed doet. In zijn sporttas bevinden zich stapels boekjes van ‘inspecteur Arglistig’ en volgens hem moeten alle politieagenten deze boekjes eens lezen. Hij opent de sporttas, pakt er een paar boekjes uit en legt deze op de balie.

Aurora vertelt dat ze liever heeft dat Bart de boekjes weer terug in de sporttas doet en het bureau verlaat. Bart wil dit echter niet en begint te schreeuwen. Aurora is echter onverschrokken. Ze verheft haar stem ook en verzoekt Bart wederom om het bureau te verlaten. Ik zit op dat moment achter de mobilofoon in de wachtcommandantruimte en hoor de stem van Aurora. Ik zie op de camera’s een jongeman in een trainingspak staan te stuiteren. Nieuwsgierig sta ik op en loop naar Aurora toe. Ik zie achter de balie Bart staan, een jongeman van zo’n 20 jaar oud. Ik zie de ogen van Bart wild rondraaien en hij oogt kennelijk nogal boos. Direct als hij mij ziet richt hij zijn pijlen op mij en vraag of ik de chef ben. Ik vertel hem dat ik niet de chef ben, maar de wachtcommandant. Aurora verzoekt aan mij of ik hem het bureau uit wil zetten. Ik vraag aan Bart of het duidelijk is dat hij het bureau moet verlaten. Bart is dit niet van plan en vraagt of hij de chef mag spreken. Kees, de chef, heeft inmiddels het tumult ook gehoord en komt aanlopen. Samen lopen we achter de balie vandaan en gaan via de toegangsdeur de hal binnen naar Bart toe. Kees stelt zich voor als de chef van dienst en vraagt aan Bart wat het probleem is. Bart vertelt dat hij boekjes bij zich heeft die alle politieagenten maar eens moeten lezen. Ze zullen dan veel beter functioneren. Kees vertelt dat we op zijn boekjes geen prijs stellen, maar dat het beter is dat hij het bureau verlaat in plaats van de boel op stelten te zetten. Inmiddels is een andere collega, Erik, ook bij ons komen staan en met z’n drieën pakken we Bart beet en met zachte hand zetten we hem het bureau uit. Ik loop terug, pak de boekjes van de balie en doe deze in de sporttas. Ik pak de sporttas op en voel dat deze behoorlijk zwaar is. Ik zie dat er zeker zo’n 20 boekjes inzitten en ook een spijkerbroek. Achteraf had ik moeten weten dat de sporttas van die 20 boekjes nooit zo zwaar had kunnen zijn. Ik smijt de sporttas buiten naast Bart neer en met z’n drieën lopen we weer naar binnen. De deur van het bureau gaat dicht. Zo, dit is weer even geklaard.

Bart staat buiten te schreeuwen en te gebaren met zijn armen, dus we kijken wel even wat hij nog in petto heeft. We zien hem de sporttas openritsen. Hij smijt een aantal boekjes op het trottoir en haalt vervolgens de eerdergenoemde spijkerbroek uit de tas. Het lijkt wel of er in de spijkerbroek een voorwerp zit, want de ene broekspijp blijft stijf overeind staan. Ik doe de deur open en het volgende moment klinkt er een serie luide knallen. Uit de gebogen pijp van de spijkerbroek komen grote steekvlammen. We staan stijf genageld aan de grond en schrikken ons wild. Aurora slaakt een ijselijke gil en duikt onder de balie. Ik weet nog dat ik aan vuurwerk dacht wat misschien uit de broekspijp kwam. Voor mijn gevoel duurt het behoorlijk lang voordat we in actie komen. Als er opnieuw luide knallen klinken en opnieuw vlammen uit de broekspijp komen, beseffen we pas dat hij een vuurwapen in handen heeft. Instinctief duiken we op Bart af en ik grijp de broekspijp vast. Ik voel een warme loop en ruk het geweer uit handen van hem. Kees en Erik vloeren Bart op hardhandige wijze en daar sta ik met het geweer in mijn hand. Wat ik daarna zie is achteraf lachwekkend. Uit de toegangsdeur komen collega's in allerlei posities aangekropen c.q. aangestormd. Er heeft er één een kogelwerend vest voor zijn borst geklemd, één een kogelwerend vest als een dak boven zijn hoofd en één kruipt al tijgersluipend langs de toegangsdeur heen met zijn pistool in zijn hand. Als ze eenmaal doorhebben dat de situatie onder controle is, veranderen deze posities snel.

Bart wordt op zijn buik gelegd, geboeid en samen met een andere collega haal ik het wapen uit de spijkerbroek. Het blijkt een automatisch geweer te zijn, een Kalashnikov met een inklapbare kolf. Er blijken twee magazijnen aan elkaar geplakt te zitten, geladen met scherpe patronen. In de broekspijp blijken 14 lege hulzen te zitten. Bart heeft dus 14 keer met scherp geschoten, gelukkig in de lucht. We beseffen dat we er ontzettend goed vanaf gekomen zijn, want tegen zulke kogels helpt geen enkel kogelwerend vest. Dan pas voel ik dat ik brandblaren op mijn hand heb zitten. Deze heb ik door de adrenaline niet eens gevoeld.

Bart wordt het cellencomplex binnengebracht, gefouilleerd en in een VAV (Voorlopig Arrestanten Verblijf) geplaatst. Dit duurt echter niet lang, want hij schopt de deur en de ramen er zowat uit. Hij schreeuwt alles aan elkaar en lijkt wel een stuiterbal. Besloten wordt om hem in de isoleercel te plaatsen, waarin een observatiecamera is geplaatst. Bart wordt ontdaan van de nodige kleding om zichzelf niets aan te kunnen doen. In de observatiecel echter zien we via de camera tot grote ontsteltenis dat hij de wand, welke bestaat uit zachte bekleding zodat iemand zichzelf geen pijn kan doen, begint te slopen. Hij hapt als een wild dier met zijn tanden in de bekleding en scheurt dit open. Grote repen bekleding met zachtschuim belanden op de grond. Voordat we de deur van de kalmeringscel weer open hebben, heeft Bart een groot deel van de wand vernield. Hierop wordt besloten om hem op de luchtplaats te brengen, omdat hij daar niets kan vernielen. Wederom kijken we op de camera van de luchtplaats mee, wat Bart hier gaat ondernemen. We zien dat hij aan het ingemetselde kastje van de intercom staat te rommelen. Normaal gesproken heb je een schroevendraaier nodig om het voor elkaar te krijgen dit uit de muur te trekken, maar Bart lukt het met zijn vingers. We zien op een gegeven moment dat hij het plaatje van de intercom los heeft getrokken en met zijn tanden de draden uit de muur trekt. Hierop besluiten we, in overleg met de chef van dienst, om Bart aan handen en voeten te boeien in afwachting van een arts, die hem kalmerende middelen toedient. Bart wordt later opgenomen in een psychiatrische inrichting.

’s Avonds op de bank heb ik tot in de late uurtjes enkele biertjes genuttigd. En ik weet nog dat ik die nacht heel weinig geslapen heb. We zijn er weer goed vanaf gekomen.

maandag 5 mei 2014

Kostbare lading



Van de week heb ik meerdere keren motorrijders gezien, die zonder beschermende kleding op hun motorfiets zaten. Het gaat toch altijd goed!? Helaas zijn er situaties die je zelf niet in de hand hebt. Eén fout van een medeweggebruiker kan grote gevolgen hebben voor de motorrijder en/of de passagier. Het menselijk lichaam heeft op verschillende plaatsen botten die uitsteken en bij aanraking met het wegdek als eerste hier overheen schuren.


De motorrijder met z’n flapperende pantalon, platte schoenen en blote handen, die ik van de week zag rijden, deed me terugdenken aan een ongeval, waarbij een vader met z’n dochter zwaargewond raakten.

Het is een prachtige zomerdag en het belooft erg warm te worden als twee weggebruikers besluiten om die dag de weg op te gaan. Martin heeft zijn glimmende Harley-Davidson uit de garage gereden en besluit om met zijn 16-jarige dochter Marloes een tourrit te gaan maken. Samen stappen ze in hun T-shirtje, korte broek en sportieve schoenen op de grote Harley-Davidson, uiteraard wel met een helm op. Martin rijdt al vele jaren motor en is een rustige rijder. Zijn vrouw waarschuwt hen nog dat ze vooral voorzichtig moeten zijn, maar Martin wuift dit weg door te zeggen dat hij altijd voorzichtig rijdt en uitkijkt.

Kees besluit vandaag om met zijn aanhangwagen een stalen cilinder van 700 kilo weg te brengen van zijn bedrijf naar de reparateur 40 kilometer verderop. De cilinder is zo zwaar dat hij nooit van de aanhangwagen af kan vallen, dus vastzetten is absoluut niet nodig.  Zoiets valt er toch nooit vanaf. Dat klopt ook wel, maar alles wat met snelheid voortbewogen wordt, zal ook op enige tijd afgeremd moeten worden. En als dat niet door remmen gebeurt, zal dat ergens anders door ‘afgeremd’ worden.

Op de provinciale weg, met verkeer in beide richtingen, wordt Kees zenuwachtig. Het is erg druk op de weg en hij vreet zich op achter het stuur. Hij wil op tijd bij de reparateur zijn, want die staat anders op hem te wachten. En tijd is geld! In de verte uit tegenovergestelde richting komt Martin met Marloes aangereden.
Dan remt het verkeer voor Kees plotseling af. Kees, die op te korte afstand van zijn voorganger rijdt, kan zijn auto niet tijdig meer tot stilstand brengen en botst tegen de auto die voor hem rijdt. Echter de aanhanger met de zware lading drukt door. Maar verder als de auto van Kees kan de aanhanger niet komen. De aanhanger ‘passeert’ de auto van Kees, schaart, kantelt en de zware cilinder vliegt als een veertje door de lucht. De cilinder belandt op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer.

Martin ziet het gevaarte op zich afkomen en remt uit alle macht. Hij weet echter de cilinder niet helemaal te ontwijken en het voorwiel van de motor schampt deze. De motor tolt, Marloes vliegt over Martin heen en smakt op het wegdek. Door de snelheid schaaft haar lichaam over het wegdek heen. Ze loopt hierdoor schaafwonden over haar hele lichaam op en blijft zwaargewond op het wegdek liggen. Martin komt met zijn rechterbeen onder de motor terecht en door het schuiven van de motor schaaft zijn voet voor een groot deel aan de zijkant af. Ook zijn rechterarm wordt door de aanraking met het wegdek afgeschuurd.
Het regent telefoontjes bij de meldkamer en deze slaat direct groot alarm. Alle hulpdiensten rijden met spoed naar de plaats van het ongeval.

Als ik op mijn motor ter plaatse kom tref ik een erbarmelijke situatie aan. Omstanders zijn druk bezig om Martin onder de zware Harley Davidson vandaan te krijgen en ook hebben ze zich over Marloes ontfermd.
Mijn eerste gedachte is waar ik in vredesnaam moet beginnen met orde scheppen in deze chaos. Overal lopen mensen te rennen en te vliegen. Er komt direct een man naar me toegelopen, die zich kenbaar maakt als brandweerman. Hij vraagt of hij iets voor me kan doen. In dit soort situaties is deze hulp fantastisch. Ik vraag hem om zich te concentreren op Marloes en het mij te laten weten als hij hulp nodig heeft. Ik snel op Martin af en spreek de burgers aan die zich over Martin ontfermd hebben. Hiertussen blijkt ook een arts te zijn, die eerste hulp verleent. Ik vraag hem ook om mij op de hoogte te houden.
Het is onvoorstelbaar hoeveel mensen aan je beginnen te plukken en vragen beginnen te stellen. Je ziet het wel eens op televisie als iemand belaagd wordt door de pers met 20 microfoons voor zijn mond, dit kun je er ongeveer mee vergelijken. Het is echter volkomen begrijpelijk, omdat iedereen zijn verhaal kwijt wil in dit soort ernstige situaties.
Ik praat de meldkamer bij zodat deze kan inschatten hoeveel hulpverleners ter plaatse moeten komen en ben blij als deze arriveren.
Ik ga als eerste zoveel mogelijk namen van daadwerkelijke getuigen noteren, omdat de ervaring leert dat deze als eersten de plaats van het ongeval verlaten. En dat zijn juist degenen die cruciaal zijn voor ons als politie. Verder neem ik Kees apart en duw hem in de handen van de inmiddels gearriveerde collega’s. Kees is in wezen de veroorzaker, dus de verdachte. Maar Kees is ook slachtoffer, want niemand wil dit op zijn geweten hebben. Het kan zijn dat conflictsituaties ontstaan, doordat burgers hun agressie botvieren op Kees, om hetgeen hij veroorzaakt heeft.

Marloes wordt inmiddels in de ambulance geplaatst en blijkt ernstige schaafwonden over haar gehele lichaam te hebben. Ze wordt met een spoedtransport overgebracht naar het ziekenhuis.
Martin heeft ook ernstige schaafwonden, vooral aan zijn enkel waar het complete bot is weggeschaafd, doordat zijn voet onder de motor vastgeklemd zat.
Verder waren de uitstekende delen van zijn rechterarm, zoals de knobbel van zijn elleboog en op zijn pols recht afgeschaafd.
In motorkleding zitten niet voor niets op een aantal plaatsen protectors. De ellebogen, de schouders, de rug, de knieën en bij motorlaarzen de verstevigde enkels. Ook motorhandschoenen zijn cruciaal, omdat bij een val als eerste de handen uitgestoken worden om deze te breken. Haal uw vinger even met kracht over het wegdek en u weet wat het effect van schuren op het wegdek over het hele lichaam kan betekenen.

Kees wordt veroordeeld voor het veroorzaken van een aanrijding met zwaar letsel. De rechter is van mening, na raadplegen van deskundigen, dat de ernst van de aanrijding veel minder had geweest als de cilinder goed had vastgezeten. De advocaat van Kees betoogt dat het letsel van Martin en Marloes aanzienlijk minder was geweest als ze beschermende motorkleding hadden gedragen. Ironisch genoeg heeft hij hier echter wel een punt.

Doe altijd beschermende motorkleding aan, ook al bent u een uitstekend motorrijder. De fout van een ander kan u fataal worden. De huidige zomermotorkleding is luchtig en biedt goede bescherming.

Zet lading op een aanhangwagen altijd vast. De veelgehoorde kreet dat het er nooit vanaf kan vallen is een fabel. De lading wordt met dezelfde snelheid als uw snelheid voortbewogen. De meeste zware ongelukken gebeuren door de fout van een ander.
Martin is blijvend gehandicapt aan zijn rechterarm en been doordat zijn gewrichten zijn verminkt.
Zijn kostbare lading, Marloes, is er weer bovenop gekomen, al heeft ze heel veel plastische chirurgie moeten ondergaan en zal haar lichaam blijvend getekend zijn.

 

maandag 28 april 2014

Vriendjespolitiek

Soms kom je voor een groot dilemma te staan wanneer je als politiemens op moet treden tegen een bekend iemand. Nou is dat voor een bekeuring al vervelend, laat staan voor een misdrijf zoals inbraak.
Waar je absoluut niet op zit te wachten, is als er een wel heel bekende verdachte opeens voor je neus staat, die je moet gaan aanhouden.

Zo is het die ochtend vroeg dat we naar een inbraak heterdaad bij een school worden gestuurd en al vrij snel ter plaatse zijn. Het kan niet anders of de verdachte moet nog binnen zitten. Met vier collega’s omsingelen we het gebouw en ik houd zicht op de achterkant van het gebouw. Ik meld dat er aan de achterzijde, waar ik positie heb ingenomen, een raam openstaat. Nog geen minuut later komen er opeens twee benen door het raam naar buiten, gevolgd door het achterwerk van een manspersoon. De verdachte heeft kennelijk gezien dat er politie aan de voorkant van het gebouw staat en probeert nu te ontsnappen via de achterzijde. Hij heeft alleen pech dat ik daar sta. Als de man op de grond springt, brul ik “Politie staan blijven !”. Kennelijk heeft de man dit totaal niet verwacht, want hij verstijft van schrik. Ik grijp hem vast en plaats hem met een ferme duw tegen de muur. Ik roep dat hij zijn handen tegen de muur moet plaatsen en geen verzet moet bieden anders zou ik hem ….
Hij mompelt iets van dat hij zich over geeft en ik niet zo moet schreeuwen. Ik roep via de portofoon  dat ik een verdachte heb aangehouden en plaats de verdachte in de handboeien. Hierna draait de verdachte zich om, kijkt me fronsend aan en zegt : “Piet Kats!” Ik kan wel door de grond zakken. Ik bekijk hem nog eens goed en zie dan pas dat het een oud schoolgenoot is, waar ik vroeger heel veel mee opgetrokken ben. Ik zal hem Henk noemen. Ik ben echt even uit het veld geslagen. Ik weet dat ik gewoon mijn werk doe, maar hier baal ik enorm van. Hij ziet mijn gezicht en vraagt of ik normaal tegen hem wil doen. Vroeger was het een boom van een kerel, maar wat nu voor me staat is een vermagerde kerel met een pokdalig uiterlijk en lang slonzig haar. Een echte junk !
Inmiddels zijn de collega’s al naar mij toegekomen om mij te assisteren. Eén van de collega’s herkent Henk van een eerdere aanhouding, waarbij hij veel verzet gepleegd heeft. Later vertelt deze collega dat hij niet begreep dat Henk zo rustig was.

Op het bureau gekomen heb ik lange tijd met Henk zitten praten in een VAV (Voorlopig Arrestanten Verblijf). Hij vertelt mij zijn levensverhaal. Nadat Henk de middelbare school heeft verlaten krijgt hij een baan in Rotterdam. Hij komt hij in aanraking met verkeerde vrienden uit Rotterdam. ‘Vrienden’ die Henk meeslepen in het uitgaansleven en voor de kick Henk ook cocaïne leren gebruiken. Henk raakt verslaafd en maakt thuis het leven van zijn familie zuur. Henk moet het huis uit en verblijft op allerlei adressen in Rotterdam. Zijn gebruik wordt meer en meer en tot overmaat van ramp raakt hij ook zijn baan nog kwijt. Om toch aan cocaïne te komen gaat Henk stelen. Voornamelijk bedrijfsinbraken of winkeldiefstal, geen woninginbraken. Als ik hem vraag waarom geen woninginbraken, zegt hij nooit mensen in hun persoonlijke levenssfeer te willen aantasten.

Diverse keren belandt hij in een politiecel of moet hij in de bak zitten. Ook krijgt hij psychische stoornissen, waardoor hij heel agressief kan reageren.
Hij vertelt mij dat hij dit leven zat is en zich aan wil melden voor verplicht afkicken.
Als ik de deur van de VAV dicht trek, besef ik wat een rijk leven mij gegeven wordt, waar je eigenlijk niet bij stilstaat.
Als ik het proces-verbaal aan het klaarmaken ben, wordt er door de wachtcommandant assistentie bij de arrestantenzorg gevraagd. Henk is compleet uit zijn dak gegaan en staat te rammen op de deur van zijn VAV. Hij blijkt door de arrestantenbewaker naar een cel gebracht te zijn en gevraagd te hebben of hij mag roken, maar daar is op dat moment geen tijd voor. Als hij vervolgens aan diezelfde bewaker vraagt of hij Piet Kats dan mag spreken, heeft deze gezegd dat ik niet meer aanwezig ben. Henk, zo ontvlambaar als hij is, begint op de deur van zijn cel te timmeren. Dit gebeurt met zo’n kracht dat ze bang zijn dat hij zichzelf ernstig zal verwonden.
Dus moet Henk dan maar naar de isoleercel gebracht worden.
Een dozijn collega’s snelt naar de cellengang, waaronder ikzelf. Op de gang hoor ik dat het om Henk gaat. Ik hoor hem schreeuwen : “Ik sloop jullie allemaal !” De collega’s, die Henk niet kennen en ook niet weten dat het een oude schoolvriend van me is, bereiden zich voor. De schilden worden erbij gehaald en ze bereiden zich voor op een zogenaamde schildprocedure. Hierbij gaan twee collega’s met schilden naast elkaar naar binnen. Ze duwen een verdachte dan met kracht tegen de muur, zodat deze zijn armen en benen niet kan gebruiken. Voordeel is dat zowel de collega’s als de verdachte nagenoeg geen letsel oplopen.

Ik wring mij langs de collega’s heen en ga voor het ruitje van de cel staan. Ik moet vriendjespolitiek toepassen. Ik vraag de collega’s enige afstand te houden, zodat ik even met Henk kan praten. Met grote ogen staan ze me aan te kijken of ik gek geworden ben. Die gestoorde gek zal mij aanvliegen! Ik kijk Henk aan en zeg tegen hem dat hij even op het bankje moet gaan zitten. Henk zijn verwilderde blik verdwijnt en maakt plaats voor tranen. Hij kalmeert en zo mak als een lammetje gaat hij op het bankje zitten. Ik doe de deur open en maak een gebaar naar de collega’s dat ze wel even voor de zekerheid  om het hoekje moeten blijven staan. Ik stap de cel binnen en vraag een beetje boos aan Henk waarom hij opeens zich zo gedraagt. Hij biedt zijn excuses aan en belooft dat hij het niet meer zal doen. Ik zeg tegen hem dat ik voor zijn insluiting nog even bij hem langskom en dat hij onder mijn begeleiding op de luchtplaats nog even een sigaret mag roken. Ik stap de cel weer uit en kijk in de verbijsterde gezichten van de collega’s. Wat een prachtig gezicht is dat. Ze begrijpen er helemaal niets van en vragen zich af of ik een soort wonderdokter ben. Nadat ik uitgelegd heb hoe de vork in de steel zit, vraag ik de chef van dienst en de arrestantenverzorger om Henk nog een kans te geven door hem niet in de isoleercel te plaatsen, maar nog even in een gewone cel te laten zitten. Henk houdt zijn woord en kan na een half uur alsnog even een sigaret roken.
Zwijgend kijken we elkaar aan en met een schouderklop neem ik met een rotgevoel afscheid van Henk. Het is zo makkelijk om een oordeel over het uitschot van deze maatschappij te vellen als alles om je heen voorspoedig gaat, maar het zal je kind of je broer zijn.

Wat een wereld van verschil, in onze jeugd heel veel samen opgetrokken, veel dezelfde idealen en dromen, maar ik nu als wetshandhaver en Henk aan de zelfkant van de samenleving.
Gelukkig gaat het nu langzamerhand de goede kant op met Henk, al heeft hij nog wel een lange weg te gaan.

maandag 21 april 2014

Pech of geluk?

We hebben als motorrijders van de Verkeerspolitie dit jaar twee dagen de taak om tijdens het NK wielrennen in Rotterdam de hele zaterdag wielrenners in allerlei disciplines te begeleiden, met als parcours tegengesteld de afgezette Brienenoordbrug op, via de Maasboulevard en Boompjes de Erasmusbrug op en dan via de Laan op Zuid naar de Stadionweg weer terug naar de Brienenoordbrug. Het gehele parcours is afgezet met hekken, behalve op een gedeelte van de Boompjes, waar een doorsteek is voor voetgangers en fietsverkeer. Daar staan echter verkeersregelaars die op het moment van passeren van de wielrenners zorgen dat het publiek niet oversteekt. Het is midzomer en bloedheet, dus dat zal wel zweten worden.

De eerste dag verloopt vlotjes, hoewel het peentjes zweten is in ons motorpak.
Als ik de dag erop ‘s ochtends mijn sokken aantrek zie ik dat een schaafwondje op mijn rechtervoet een beetje rood gezwollen is. Ik had eergisteren mijn blote voet in de tuin gestoten aan een tak. Ik plak er een pleister op en trek mijn sokken aan.
We krijgen die ochtend opnieuw een briefing op het stadhuis van Rotterdam en gaan van start. De lucht is weer onbewolkt en het is rond de 25 graden.
Na urenlang rijden begint mijn rechtervoet toch wel te jeuken, kennelijk als gevolg van de warmte en het zweten van mijn voet in de laars. Tijdens een korte pauze doe ik mijn laars uit en zie dat mijn voet inmiddels behoorlijk gezwollen is. Nadat ik mijn laars weer heb aangedaan, neem ik weer deel aan de begeleiding. Het duurt immers toch niet zo lang meer.

Na de zoveelste ronde kom ik weer op het gedeelte van de Boompjes waar alles geregeld zou worden door verkeersregelaars. Ik rijd met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur als plotseling een man met een fiets aan zijn hand oversteekt. De verkeersregelaars staan kennelijk te slapen. Ik kan de man niet meer ontwijken en raak de fiets precies in het midden. De fiets smakt tegen de grond en ik rijd er dwars overheen. De man slaat tegen mijn kuip aan en valt achterover op het wegdek. Ik weet niet hoe ik mijn motor overeind hou en hoe dit eruit gezien heeft, maar het voelt of ik op een rodeostier zit en voor ik eraf geslingerd word deze toch weer onder controle krijg.
Wonderwel kan ik zonder te vallen een stukje verderop stoppen en laat een gevouwen fiets, een geschrokken man en een verbaasd publiek achter. Ik draai me om en vertel maar liever niet wat ik geroepen heb naar de man. Ik ben pisnijdig en erg geschrokken. Mijn motor lijkt onbeschadigd en mijn rechterspiegel ligt daar nog op de grond, maar omdat de kopgroep eraan komt gestormd rijd ik verder. Ik meld via de commandant dat ik een aanrijding heb gehad en of ze collega’s naar de man willen sturen om de aanrijding op te nemen. De man heeft kennelijk (gelukkig) geen verwondingen, want hij blijkt snel met zijn kapotte fiets weggelopen te zijn en de collega’s  krijgen van de verkeersregelaars de kapotte spiegel in handen gedrukt.

Ik word vervangen door een collega en kan even adempauze nemen.
Na deze schrik krijg ik een andere schrik. Als ik mijn motor langs het parcours parkeer, heb ik geen gevoel meer in mijn voet. Nu begin ik me toch wel zorgen te maken, want ik kan er zelfs bijna niet op staan. Ik meld dit aan mijn commandant en deze adviseert mij dan maar vast naar het bureau terug te gaan, omdat de wedstrijd toch nagenoeg afgelopen is.

Ik rijd terug naar het bureau aan de Boezembocht om daar mijn motor in de hal te parkeren. Ik weet dan nog niet dat ik helemaal niet meer op mijn voet kan staan. Ik stap van mijn motor af en dan gebeurt het… Ik zak door mijn voet heen en val tussen mijn motor en een naast mij staande motor in. Mijn motor valt tegen mij aan en ik zit er tussen geklemd. Ik kan geen kant op. Ik kan zelfs geen assistentie roepen, omdat ik niet bij mijn telefoon en mijn portofoon kan. Gelukkig zit mijn borst niet bekneld, dus moet ik maar afwachten tot er een collega in de buurt verschijnt. Omdat het zondag is kan dit wel eens een tijdje gaan duren. En wat duren minuten dan lang. Ik heb zeker een half uur zo gezeten, als ik ineens de toegangsdeur hoor opengaan. Ik roep om hulp en zie een verbaasde Harm van taxizaken om de hoek verschijnen. Op een drafje komt hij naar me toe en vraagt wat ik in vredesnaam aan het doen ben. Ik vertel hem dat ik ben gevallen, omdat ik niet meer op mijn voet kan staan. Nadat hij de motor overeind heeft gezet en mij er tussen vandaan heeft gehaald doet hij mijn laars en sok uit. Het ziet er niet best uit. Ik heb geen gevoel meer in m’n voet en het wondje is paars van kleur. Verder vertoont mijn been rode striemen. Ik vraag hem of hij mij thuis wil brengen, maar Harm zegt dat hij mij naar het ziekenhuis gaat brengen in plaats van naar huis. Hij snelt naar binnen, haalt de sleutel van een dienstauto en brengt mij naar de spoedeisende hulp van het Sint Franciscus Gasthuis. Daar stellen ze vast dat ik bloedvergiftiging heb en krijg onmiddellijk een spuit. Ze vertellen dat ik op tijd ben gekomen anders had het wel eens veel slechter af kunnen lopen. De arts adviseert een opname, maar na lang aandringen mag ik naar huis toe onder de voorwaarde dat ik direct medicijnen bij de apotheek laat halen en ik me de volgende dag ga melden op het spreekuur. Verder moet ik het verband op mijn voet goed nathouden en de boel koelen.

Harm brengt me hierop naar huis en daar zit ik dan. Een dag kan wel eens raar lopen. Ik denk dat ik kan spreken van pech EN geluk.

 

maandag 14 april 2014

Wij zijn de baas!

Kortgeleden vroeg een collega aan mij of ik wel eens bang ben geweest tijdens mijn werk. Er zijn gelukkig weinig van die momenten geweest, maar onderstaand verhaal was er toch wel eentje van.

We hebben in de avond en nachtelijke uren van het weekend veel overlast van dronken ‘oosterburen’. In de omgeving van Rotterdam Zuid zijn er behoorlijk wat gehuisvest. Harde werkers doordeweeks, maar sommigen zijn in het weekend echt probleemgevallen. Door het goedkope bier, meestal in de vorm van halve literblikken, kijken ze niet op een litertje maar ook niet op de klok. Om het maar in politietaal te noemen, ze hebben regelmatig last van de ziekte van Heineken.

Vannacht zat ik voor het eerst met Robin op de auto. Robin is nog niet zo lang klaar met zijn politieopleiding, maar heeft al wat tropenjaren achter de rug bij een harde ‘club’ van de landmacht. Hij kan kennelijk nog geen afstand nemen van zijn verplichte kapsel, want ook deze dienst ziet zijn haar er strak gemillimeterd uit. Eigenlijk kennen wij elkaar nog niet goed, maar ik moet zeggen dat ik al snel voel dat hij van hetzelfde hout gesneden is als ikzelf.

Dat blijkt ook wel als we een melding krijgen van een flinke geluidsoverlast in een portiekwoning, waarbij niet alleen de muziek hard staat, maar ook dat er flink geschreeuwd wordt. Meerdere melders denken dat de bewoners flink dronken zijn en dat ze ruzie hebben. En het is zeker niet de eerste keer.
Als we gearriveerd zijn bij de woning horen we luide muziek en geschreeuw wat wel moet doorklinken in het hele woonblok. De woning betreft een portiekwoning, in dit geval op de tweede etage. Op de eerste etage is de voordeur, waarachter zich een trap bevindt die naar de tweede etage leidt. Aanbellen heeft geen zin dus vragen we de chef van dienst, Rob, erbij voor een machtiging tot binnentreden, die je nodig hebt om een woning te betreden. Zonder toestemming van de bewoner mag een huis niet binnengetreden worden, tenzij er een levensbedreigende situatie is waarop we niet kunnen wachten. De machtiging is overigens niet nodig voor tuinen, erven, schuren of dergelijke objecten.
Nadat Rob de machtiging heeft uitgeschreven maakt Robin de deur open met maat 44, ofwel hij trapt de deur open. Bovengekomen wordt de situatie wat duidelijker. De muziek staat keihard aan en de glazen salontafel en de grond zijn bezaaid met bierblikken. Achter de tafel op een zitbank bevindt zich een reus van een kerel die ons wazig aankijkt. Mijn eerste gedachten zijn dat, als we daar mee moeten gaan vechten, we er wel een erg grote kluif aan hebben. Verder zijn er nog twee dames in de kamer en een sprietachtige jongeman, ik zal hem de spriet noemen, die kennelijk de aanvoerder is van het kwartet. Alle vier zijn straalbezopen, dus de communicatie verloopt bepaald niet vlotjes. Ze spreken een beetje Duits, dus delen we hen in die taal ook mee waarvoor wij komen. De muziek staat nog steeds hard aan, dus loop ik naar de stereo-installatie en zet hem uit. Dat is kennelijk te brutaal in de ogen van de spriet, want hij stapt direct op de stereo af en zet deze weer aan. Ik ben hier niet van onder de indruk en trek de stekker eruit zodat het weer stil is. De spriet begint te schreeuwen, stapt op mij af en wil mij kennelijk te lijf gaan. Robin voorziet dat al en geeft de spriet een duw zodat hij op de bank terecht komt naast de reus. De reus blijft nog steeds wazig voor zich uitkijken, wat ik niet erg vind.
Dan mengen beide dames zich in de conversatie en proberen te ‘bemiddelen’, maar Robin en ik hebben hier helemaal geen zin in. Voor ons was het al duidelijk, dit gaat niet zonder slag of stoot. Inmiddels vorderen wij van de vier een geldig identiteitsbewijs, maar we krijgen er maar drie. De spriet verklaart geen legitimatiebewijs te willen geven. We noteren van beide dames en de reus de gegevens en vragen wie de hoofdbewoner is van het pand. En hoe kan het anders, de spriet blijkt de hoofdbewoner te zijn. Aangezien wij een bekeuring willen geven aan de hoofdbewoner van het pand en uit dienen te reiken op zijn naam, vorderen wij nogmaals een geldig legitimatiebewijs. De dames vertolken aan de spriet dat hij een bekeuring krijgt voor geluidsoverlast en dat hij zijn legitimatiebewijs moet tonen, anders zal hij aangehouden worden.
Dan gebeurt er iets, waarop ik even niet gerekend heb. De dronken spriet springt op als elastiek en geeft mij een duw, zodat ik mijn evenwicht verlies en tegen de buitendeur van het balkon val. Ik grijp nog net de arm van de spriet vast en trek hem mee in mijn val. De buitendeur van het balkon springt door het gewicht open en ik val met de spriet bovenop me op het balkon. Robin ziet het gebeuren en schiet me te hulp. Tot overmaat van ramp springt één van de dames Robin als een tijgerin boven op zijn nek.
Dan wordt Robin boos. Ik zie een grimas op zijn gezicht verschijnen en niet veel later vliegt de dame door de lucht en belandt naast me op het balkon. Vervolgens trekt Robin de spriet van mij af, ook deze vliegt als een veertje door de lucht en belandt in de hoek van de kamer. Ik spring op en duik boven op hem. Ik leg een nekklem aan, maar hij wil niet opgeven. Hij zet zijn voet tegen de kamermuur en duwt met kracht naar achteren. Hierdoor verlies ik wederom mijn evenwicht, omdat achter mij een glazen salontafel staat die mij achteruitstappen belet. Ik val achterover, dwars door de glazen salontafel heen met opnieuw de spriet boven op me. Ik blijf echter de spriet in een wurggreep houden, zodat hij geen lucht meer krijgt en hoor hem gorgelen. Om mij heen ligt het bezaait met glasscherven en ik begin me nu echt zorgen te maken. Robin is nu met beide dames in de weer en gelukkig blijft de reus nog steeds op de bank zitten. Maar hoelang gaan we dit in de krappe kamer nog volhouden als ook de reus in beweging komt?
Met mijn vrije hand druk ik de noodknop van de portofoon in. Dat betekent dat er een open lijn is tussen de meldkamer en ons. De hele regio hoort het gegorgel van de spriet, het gegil van de dames en mijn ietwat verhoogde stem met verzoek om assistentie. Reken maar dat dit gezellig geklonken heeft. De meldkamer weet waar wij zijn en stuurt direct versterking, spoedassistentie genoemd. Dat betekent dat alle in de directe omgeving rijdende politieauto’s met spoed naar ons toegestuurd worden.

Ik voel het lichaam van de spriet verslappen en duw hem van me af. Ik ga vervolgens boven op hem zitten en wil hem de handboeien om doen. Ik heb al die tijd gewacht met het gebruik van pepperspray in de kleine kamer, omdat de kans op besmetting groot is. Bij gebruik kan Robin of ikzelf hierdoor ook uitgeschakeld worden, wat nog gevaarlijker is. Maar als de spriet opnieuw tot leven komt en zich weer begint te verzetten pak ik mijn pepperspray, pak hem bij zijn haren beet en spuit zijn ogen vol. Ik wil maar één ding en dat is zo snel mogelijk naar buiten toe. Ik pak de spriet beet en roep naar Robin dat die zijn benen vast moet pakken, voordat de reus met het ‘feestje’ mee gaat doen. Waar ik al bang voor was, gebeurt met het gebruik van de pepperspray. Kennelijk doordat ik vrij dichtbij de spriet gepepperd heb kaatst de spray en treft de reus in het gezicht. De reus ontwaakt en begint hierdoor heftig te kuchen en wil opstaan. Ik geef de reus een flinke duw en deze valt achterover in de zitbank. Al vechtend, de beide dames wegduwend, banen we ons een weg naar de uitgang. Daar staat inmiddels Rob weer, die de deur voor ons openhoudt en gelijk weer dicht trekt als we hierdoor zijn. In het trappenhuis lopen we, de spriet met kop en kont beethoudend, naar beneden. We horen op dat moment heel veel sirenes.
De spriet gilt als een mager speenvarken, kennelijk doet de pepperspray flink zeer. Ik zie dat mijn hele overhemd onder het bloed zit en zie dat in mijn arm een paar oppervlakkige snijwonden zitten. Ook de spriet heeft een aantal oppervlakkige snijwonden aan zijn gezicht en armen. Door de worsteling is het bloed overal uitgesmeerd en zie ik eruit of ik zwaargewond ben. Beneden gekomen staat het vol met politieauto’s en met collega’s die met verbazing staan te kijken naar ons: een gillende spriet, een zwaar bebloede Piet en het verbeten gezicht van Robin, die de spriet helemaal zat is.
Ik roep tegen de collega’s dat alles onder controle is en dat we ‘de buit’ binnen hebben. De spriet wordt op z’n buik in de bus gelegd, ik ga boven op hem zitten en we rijden naar het politiebureau. Ik ben echt pissig, duw de spriet met zijn hoofd op de grond en zeg : “Wij zijn de baas, begrijp je dat? Wij zijn de baas! Dan begint de spriet keihard te lachen en herhaalt met een Pools accent : Wai zin de baas! Bij aankomst staat er een ontvangstcomité klaar. Als ze ons zien kijken ze ons bezorgd aan. De spriet blijft luidkeels continue herhalen: “Wai zin de baas! De collega’s vragen wat de spriet nu precies roept. Ik zeg tegen hen dat ik hem zojuist zijn eerst zin in het Nederlands heb geleerd.
Achteraf besef ik dat we heel veel geluk gehad hebben. Bij het zien van mezelf in de spiegel heb ik wel gelachen, ik kon me de bezorgde blikken van mijn collega’s voorstellen, want ik zag er niet uit !!Gelukkig blijken de snijwonden oppervlakkig te zijn en kan ik met een paar pleisters en een schoon overhemd weer verder.

De spriet bleek na ontnuchtering niks meer van het voorval te weten dan alleen een zin die in zijn hoofd was blijven hangen: “wij zijn de baas!”

maandag 7 april 2014

Een flinke pakkerd




Tijdens mijn avonddienst mag ik de collega’s van de Intake Service Ondersteuning (ISO) assisteren aan de balie met het opnemen van aangiftes of advies geven aan burgers met vragen, maar ook het aanhoren van klaagverhalen van boze of verdrietige burgers. Ik heb altijd grote bewondering voor het geduld van deze collega’s en niet te vergeten de kundigheid. Het is niet mis als je hoort wat ze tijdens een dienst voor hun kiezen krijgen. Je zou kunnen zeggen dat ze tijdens een dienst optreden als maatschappelijk werker, adviesmedewerker, psychiatrisch medewerker of gezondheidsmedewerker. Maar ze worden ook wel eens gebruikt als uitlaatklep, oneerbiedig gezegd als vuil behandeld. Regelmatig wordt onze hulp gevraagd, omdat ze zwaar beledigd of uitgescholden worden. Dan zetten we zo iemand ‘keurig’ het bureau uit, want hier zijn we niet van gediend.
 
Zo ook vandaag, want mijn geduld is na een uur al op. Ik word aangesproken door een man, die er uit ziet als een gangster. Zijn zonnebril blijft op zijn neus, ondanks dat binnen nou niet echt de zon schijnt. Hij stekkert recht op mij af en sommeert mij dat ik aangifte op moet nemen van diefstal van zijn portemonnee, mijnheer wenst direct geholpen te worden. Ik antwoord hem vriendelijk terug dat de twee vrouwen die naast hem staan eerst aan de beurt zijn, wens hem een goedendag en verzoek hem plaats te nemen tot ik hem roep. Dat is het heerschap voor me totaal niet van plan, want volgens hem betaalt hij als belastingbetaler mijn salaris en moet ik naar hem luisteren. Hierna schreeuwt hij een paar hele lelijke woorden tegen mij, die ik absoluut niet tolereer. Ik wijs naar de draaideur en zeg tegen hem dat hij door de draaideur heen naar buiten mag lopen. Vervolgens negeer ik hem totaal en richt mij tot de vrouwen die hevig verschrikt staan te kijken. Na een paar krachttermen geschreeuwd te hebben verlaat hij scheldend het bureau.

Voor mij staan twee flink gezette dames, die met een verdrietige blik vertellen dat ze hun verstandelijk gehandicapte broer van 40 jaar kwijt zijn sinds die middag 15:00 uur. Het is inmiddels 19:00 uur en ze maken zich grote zorgen. Hij is met een taxibusje door vervoer op maat afgezet bij een tante op de H weg. De taxichauffeur had kennelijk zo’n haast dat hij na het uitstappen direct is weggereden. Antonio, zoals de jongeman genaamd is, was uitgestapt en zag dat het taxibusje gelijk wegreed. In plaats van naar het huis van zijn tante te lopen begaf hij zich in de grote wereld als vrij man, een vrijheid die hij eigenlijk niet aankon. Op een dorp zou dit niet zo’n probleem zijn, maar in de grote stad zoeken is problematisch. Antonio ging als vrij man op verkenning uit.
Ik probeer de dames gerust te stellen door te zeggen dat we direct een bericht voor alle wagens gaan maken om te vragen of alle politieauto’s uit willen kijken naar Antonio. Verder dat ook de externe partners, zoals het openbaar vervoer, taxicentrales enz. gevraagd worden om uit te kijken.
Ik schrijf het signalement op van Antonio en krijg een duidelijke foto van hem, die de dames op advies van de collega’s van het callcenter naar het bureau hebben meegenomen. En met duidelijke foto bedoel ik een opvallend signalement van Antonio. Hij heeft een uitzonderlijk grote neus en hele grote lippen. Het is een kleine foto. Ik neem de foto mee naar de schrijfkamer in de agentenwacht en leg deze onder de kopieermachine om deze te verspreiden onder de dienstdoende collega’s. Handmatig toets ik het aantal procenten in om te vergroten, maar toets per ongeluk 400% groter en u raadt het al wat opvallend is aan de erg vergrote foto van Antonio. Alleen zijn neus en lippen staan erop, zodat de meekijkende chef van dienst, Willem, met verbazing naar de kopie staat te kijken. Ik vertel hem dat het een verstandelijk gehandicapte jongen, genaamd Antonio, is die sinds vanmiddag kwijt is en ergens vermoedelijk in Rotterdam-zuid op straat loopt. Ik maak een normale kopie, geef de originele foto terug aan de dames en schrijf hun telefoonnummer op. De dames vertellen dat hun broer helemaal verzot is op de politie en een grote fan van ons is. Ik vertel dat we onze uiterste best doen om hem te zoeken en de dames verlaten het bureau.

Inmiddels verlaat Willem ook het bureau en rijdt na ongeveer een kwartier over de W straat. Willem rijdt een nogal gezette negroïde jongen voorbij die uitbundig zwaait naar Willem. Willem zwaait terug en rijdt verder. Maar als Willem een stukje verder is, beginnen de radertjes in zijn hoofd te draaien. Hij heeft van die opvallend grote lippen, dat komt hem bekend voor. Nog geen 50 meter verder trapt Willem bovenop de rem, zet het voertuig in zijn achteruit en stopt bij de jongen. Hij stapt uit de auto en vraagt aan de jongen hoe hij heet. De jongen antwoordt: ‘Antonio’ en slaat zijn arm om Willem heen. Dan valt het puzzelstukje bij Willem en beseft hij dat het de vermiste gehandicapte jongen is waar we naar op zoek zijn. Antonio stapt gewillig voorin bij Willem in de politieauto en samen rijden ze naar bureau Zuidplein toe. Antonio is in zijn nopjes. Hij mag voorin in de politieauto zitten en kraait van plezier. Het liefst wil hij aan alle knopjes zitten, maar Willem vertelt dat dit misschien straks even mag. Willem geeft aan de meldkamer door dat Antonio gevonden is en het bericht voor alle wagens kan vervallen.
Als Willem dicht bij het bureau is, mag Antonio even het zwaailicht en de sirene aanzetten. Hij vindt het geweldig. Op het bureau gekomen krijgt Antonio van ons een lekker bekertje chocomel en worden zijn zussen gebeld. Kort hierna herenigen we Antonio met zijn zussen. Samen met Willem sta ik erbij te lachen. Dit is echt genieten. Dan komen de zussen naar ons toe en staan erop om ons een knuffel te geven. We krijgen inderdaad allebei een flinke ‘pakkerd’ en worden haast fijngeknepen, zo blij zijn ze. Ik zie het gezicht van Willem als hij die pakkerd krijgt, heerlijk!

Als tip wil ik meegeven dat het voor de politie handig is als in de kleding van verstandelijk gehandicapten, demente mensen, psychiatrisch patiënten of kleine kinderen een gedeelte van de personalia wordt opgeschreven of erin wordt genaaid. In de politiesystemen maken we gebruik van de zogenaamde kenosleutel of zoeksleutel. Die bestaat uit de eerste vier letters van de achternaam (zonder voorvoegsel), de eerste voorletter en het geboortejaar. Dus bijvoorbeeld Jan Cornelis van der Zwaan, geboren 23-04-1930 is bijvoorbeeld zwaaj30. Dat scheelt veel zoekwerk voor de politie, maar kan ook veel stress schelen bij de familie.

maandag 31 maart 2014

Even een appelflap halen


Het is een zaterdagochtend als ik aan de chef van dienst, Paul, vraag of hij zin heeft om met mij de straat op te gaan. Paul vindt dat wel gezellig en zodoende gaan we op surveillance. Het is, zoals verwacht, zo ontzettend rustig op straat, dat zelfs de collega’s van de meldkamer duimen zitten te draaien. En dat gebeurt in Rotterdam heel weinig. We komen op een gegeven moment langs de bakker op de X straat. Ik vraag aan Paul of hij de lekkerste appelflap van de regio wel eens heeft geproefd. Paul heeft daar wel oren naar en daarom parkeer ik de politieauto voor de bakkerij. Nou wil het geval dat daar ooit een uitrit is geweest, maar dit reeds lange tijd niet meer het geval is. Het verbodsbord is toen weggehaald, maar op het wegdek zijn nog wel de verweerde strepen te zien en is de verlaagde trottoirband nog aanwezig. Dus in mijn onschuld parkeer ik hem daar.

Aan de overkant zie ik dat een man eveneens zijn auto parkeert, het lijkt wel op een driftige manier. Hij is eerder uit zijn auto gestapt dan wij en ik zie dat hij zijn portier dichtsmijt en op hoge poten naar ons toe komt lopen. Hij is netjes gekleed in een zijden overhemd en oogt als een heer, maar zijn gezicht staat op storm. Hij vertelt ons dat wij als politie een voorbeeld moeten geven en dat ik direct de auto ergens anders neer moet zetten. Om een sfeerbeeld te geven, zijn ogen rollen door zijn kassen, hij spreekt met consumptie en op luide toon, zodat heel de straat het kan horen. Ik vraag me af of er ergens een draadje is losgeschoten of dat hij misschien een hele slechte nacht heeft gehad, want hij is niet voor rede vatbaar. Op zeer korte afstand blijft hij herhalen dat wij een voorbeeld moeten zijn en dat hij, als hij zijn auto op deze parkeerplaats zou parkeren, een bekeuring zou krijgen. Rustig probeer ik hem diverse keren uit te leggen dat het al geruime tijd geen uitrit meer is en dat zelfs het bord al weggehaald is, maar hij luistert totaal niet en  wordt hysterisch. Ook Paul probeert op zijn beurt de man tot rede te brengen en te vragen of hij wel gehoord heeft wat ik tegen hem gezegd heb. Alles ten spijt, maar ook Paul geeft het op. Ik wuif met mijn hand naar de man en wens hem een prettige dag en loop weg naar de deur van de bakkerswinkel ongeveer 10 meter verderop. Ook Paul draait zich om en loopt achter mij aan. Ik hoor de man nog roepen : “Nou wordt het helemaal mooi, ze gaan nog naar de bakker toe ook! “, maar sla hier verder geen acht op.

Tot ik de deur van de winkel open doe en opeens een enorme duw in mijn rug krijg. Ik val letterlijk met de deur de bakkerswinkel binnen. Ik draai me om en zie dat het de man is die weer achter me staat en inmiddels met een wurggreep en een voetveeg gevloerd wordt door Paul. In mijn kwaadheid spring ik op en grijp ik het zijden overhemd van de man beet en schudt hem door elkaar. De hele bovenkant van het overhemd scheurt en de knoopjes springen er als vlooien af. Het kan me op dat moment niets schelen, ik ben boos.
Inmiddels staan de bakker en zijn twee medewerkers achter de toonbank en kijken ons met grote ogen aan (na het incident gezien op de camerabeelden).

Kennelijk schrikt de man heel erg, want hij kijkt me met grote ogen aan en vraagt of ik hem los wil laten en hem niet wil slaan. Nu breekt mijn klomp, want opeens ligt daar een zielig mannetje die bang is. Ik trek hem overeind en vraag hem nogmaals waarom dit allemaal nodig is en dat deze hele situatie nergens over gaat. De man biedt zijn excuses aan en vraagt of wij hem alstublieft niet willen aanhouden. Ik vraag hem naar zijn legitimatiebewijs, omdat ik toch graag wil weten met wie ik te maken heb. De man wil echter geen legitimatiebewijs geven en smeekt of hij de winkel uit mag lopen en weggaan. Ik vraag hem nogmaals om zijn legitimatiebewijs en vertel dat wij geweld hebben gebruikt tegen hem en dat dit op papier gezet moet worden. Ook heb ik zijn overhemd aan flarden gescheurd en dat moet wel vergoed worden, alhoewel het zijn eigen schuld is. De man voelt nog eens aan het gescheurde overhemd en zegt dat het maar een klein scheurtje is en dat het toch zijn eigen schuld is. Hij vraagt of we hem alstublieft toch niet naar zijn legitimatiebewijs willen vragen, maar ik zeg dat ik het absoluut wil zien. Aarzelend toont hij ons een legitimatiebewijs van een overheidsdienst. Het blijkt een collega van een overheidsdienst te zijn, werkzaam in dezelfde regio. Met verbazing kijk ik naar het legitimatiebewijs, ik moet zeggen dat mijn mond letterlijk open viel. Ik zie dat de man mij aanstaart en mijn verbaasde blik ziet. Hij vraagt mij nogmaals of wij geen consequenties hieraan willen verbinden.

Paul neemt het woord en vraagt aan de man hoe het komt dat hij zulk onwenselijk verdrag vertoont en dat voor iemand die nota bene bij een overheidsdienst werkt. De man vertelt dat hij de laatste tijd heel veel problemen heeft en dat het hem allemaal niet mee zit. Hij vertelt dat hij een dag ervoor een conflict heeft gehad met iemand van parkeerbeheer, die hem een bekeuring gegeven heeft voor verkeerd parkeren. Toen hij zag dat ik de politieauto voor een inrit parkeerde was dit voor hem de bekende druppel die de emmer deed overlopen. Ook het feit dat ik me had omgedraaid en was weggelopen zonder de politieauto van de parkeerplek weg te halen, ontstak hem in woede. Hij vertelde dat zijn vader kortgeleden was overleden, hij momenteel met een dubbele hypotheek zat en zijn vrouw mogelijk van hem ging scheiden. Kortom, hij ging even uit zijn dak, maar wel tegen de verkeerden. Ik vertel hem dat ik totaal niet uit was om hem dwars te zitten en dat het daadwerkelijk gaat om een ‘oude’ inrit, waar men gewoon mag parkeren. Hij vertelt dat het allemaal zijn schuld is en dat hij zich rot schaamt voor zijn gedrag. De bakker is inmiddels bij ons komen staan en vertelt dat hij alles gezien heeft van het begin tot het eind. Hij vertelt ons dat de man een vaste klant van hem is en zijdelings op de hoogte is van de problemen van de man. De bakker vraagt ook aan ons of we niet over ons hart willen strijken. Paul vertelt de man dat er wel een mutatie in het systeem gemaakt wordt, omdat er geweld is gebruikt, maar we verder niet tot aanhouding overgaan. De man wil niets horen met betrekking tot zijn overhemd, omdat dit volgens hem te wijten is aan zijn eigen gedrag en mijn kwaadheid en handelen heel begrijpend vond. We hebben elkaar de hand geschud en zijn uit elkaar gegaan.

Na nog even nagepraat te hebben met de bakker vertrokken we met de appelflappen in de auto. Onderweg hebben we, al etend, zitten te proesten van het lachen; zo erg dat de kruimels van de appelflappen over het hele dashboard vlogen. Leuk, even een appelflap halen……..

dinsdag 25 maart 2014

Op het nippertje......

Wat veel burgers niet weten, is dat de politie ontheffing (vrijstelling) heeft voor de verkeersregels, zoals omschreven in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens (1990).

De meeste burgers denken dat de politie de verkeersregels alleen mag overtreden als we met zwaailicht en sirene rijden. Maar dit is een fabel, die we vervelend genoeg,  soms aan moeten horen als we de regels zonder zwaailicht en sirene overtreden. We mogen dus, zonder zwaailicht en sirene, door rood rijden, op het trottoir parkeren, een fiets/voetgangersgebied inrijden, zonder gordel rijden (wanneer je met een arrestant zit bijv.), een mobiele telefoon in de hand vasthouden tijdens het rijden, de maximum snelheid overschrijden enz. Er zijn een aantal uitzonderingen zoals spookrijden of langs gesloten (halve) spoorbomen rijden. De stelregel is dat we het overige verkeer niet (ernstig) in gevaar brengen en dat het voor de dienst noodzakelijk is. Maar u moet u voorstellen dat we bij een heterdaad verkrachting in een park MET zwaailicht en sirene aan komen rijden en we dan voor het park gaan stilstaan, omdat we geen ontheffing hebben om het park in te gaan. Wat denkt u, zullen we de dader dan nog gaan pakken? Of we rijden met ‘toeters en bellen’ naar een overval of een inbraak heterdaad. De verdachten horen ons van verre aankomen en zijn dan al lang en breed vertrokken. Ook een groot voordeel is dat er veel minder paniek is onder de weggebruikers als je zonder ‘toeters en bellen’ ergens langsrijdt, bijv. een linker/rechterrijstrook of een fietspad naar een kruising. Helaas kunnen we niet altijd uitleggen aan burgers wat voor melding we hebben als we op deze manier rijden, maar ik kan u verzekeren dat we dit niet doen om koffie te gaan drinken. We hebben strenge richtlijnen en worden ‘afgerekend’ als we onnodig het verkeer in gevaar brengen.

Het is een mooie zomerse avond en ik rij op de motor door een wijk in Rotterdam heen. Meestal neem ik ook de parken en fietsroutes voor mijn rekening, omdat de surveillanceauto’s daar niet kunnen komen. Tijdens surveillance in het park krijg ik soms te maken met burgers die zich irriteren aan het feit dat ik met een motor over een fietspad of door een park heenrijd. Nu hebben we de laatste tijd last van een man die vrouwen lastigvalt in het A park. Daar bovenop hebben we de laatste tijd ook opmerkelijk veel diefstallen met geweld, de zogenaamde berovingen. Ik besluit om na het avondeten door het betreffende park eens een gedegen surveillanceronde te maken.
Zichtbaar aanwezig zijn is één van de preventieve maatregelen, het verlaagt de kans op dit soort delicten. Meestal reageren burgers positief bij het zien van de politie, maar ik kom er weer een man tegen op z’n mountainbike die hevig misprijzend met zijn hoofd zit te schudden als we elkaar passeren.

Ik besluit om de man even aan te spreken en keer mijn motor. Ik rij achter hem aan en vraag of hij even wil stoppen. We staan stil en ik vraag hem waarom hij met zijn hoofd zit te schudden. Hij, ik zal hem Arie noemen, vertelt me dat hij zich ergert omdat ik met de motor in het park rijd. Ik mag helemaal niet in een park komen met een motor. Als hij zoiets doet wordt door ons onmiddellijk een bekeuring uitgeschreven. Hij is zichtbaar geïrriteerd, maar ik doe mijn best om hem te overtuigen. Ik leg hem uit dat ik voor de veiligheid van de burgers aanwezig ben en probeer boeven te vangen die zijn familie of partner lastigvallen. Ik vertel hem dat er de laatste tijd veel incidenten gebeurd zijn en dat we als politie vrijstelling of ontheffing hebben om overal te surveilleren. Ik vraag hem waarom hij zo boos reageert en hij vertelt mij dat hij de laatste tijd een aantal bekeuringen heeft gehad en daarom geïrriteerd is omdat hij mij met een motor in het park ziet rijden.

Dan gebeurt er iets waarin ik kan laten zien dat mijn aanwezigheid in het park nog zo gek niet is. Aan de overkant van het water staan een klein meisje van 3 jaar oud en haar broertje van 5 jaar oud bij de waterkant. Ik heb ze al gezien als ik met Arie in gesprek ben, maar zie dat een vrouw, kennelijk de moeder, een stukje verderop op een bankje met haar mobiele telefoon zit te bellen. Tijdens ons gesprek zie ik dat het meisje wel erg dicht met haar fietsje bij de waterkant komt en er plotseling invalt. Ik geef een brul, start mijn motor en scheur naar de plaats toe. Ik moet een klein stukje omrijden over een bruggetje heen, maar ben er vrij snel. Ik leg mijn motor in het gras neer en ren naar de plaats toe waar het meisje viel. Een open plek in het kroos verraad waar het meisje verdween. Met één been stap ik in de sloot en graai. Ik voel het lichaampje van het meisje en trek het er gelijk uit. Ze zit helemaal onder het kroos.De moeder staat op de kant te gillen en verstijfd. Gelukkig komt Arie op de mountainbike aangereden, smijt zijn fiets neer en komt aanrennen. Arie steekt me zijn hand uit en trekt ons op de kant. Ik leg het kind op het gras neer en tot mijn vreugde hoest en proest ze en begint te huilen. Ik roep naar de meldkamer dat ik zojuist een kind uit het water heb gevist en dat ik graag een ambulance ter plaatse wil, omdat ik het vermoeden heb dat het meisje mogelijk vies water in haar longen heeft gekregen. Dan wordt er een hand op mijn schouder gelegd en Arie kijkt me aan. Hij zegt : “Sorry mijnheer, het spijt me wat ik gezegd heb.” Ik vertel hem dat het goed is en vraag of hij even de moeder en het jongetje op hun gemak kan stellen. De ambulance arriveert en neemt het meisje en de moeder met haar broertje mee naar het ziekenhuis. Inmiddels komt er ook een politiewagen door het park aangereden. De collega’s nemen de fietsjes mee en brengen deze naar het woonadres.
Als ik omkijk zie ik Arie met een rood hoofd staan met mijn motor in zijn hand. Hij heeft inmiddels mijn zware motor overeind getild. Hij zegt: “Ik had wat goed te maken, van mij geen kwaad woord meer over de politie, dat was op het nippertje zeg!”

Ik bedank Arie ook hartelijk voor zijn hulp en geven elkaar lachend een hand.
Op het bureau stap ik met mijn motorkleding onder de douche en spoel het modderwater er vanaf.
Het meisje moest een nachtje in het ziekenhuis blijven en hield gelukkig aan het incident niets over.

Het is in meerdere opzichten een vruchtvolle dag geweest.

maandag 17 maart 2014

Chaos compleet

Op de motor rijdt je al snel mee met een melding die spannend lijkt te zijn of nog gaat worden.

In de Rotterdam zuid woont een grote familie, die er een voor Nederlandse begrippen vervelende levensstijl op na houdt. Ze beginnen pas ’s avonds met wakker worden en houden dan de hele nacht de rest van de wijk wakker. Ze praten namelijk niet met elkaar, ze schreeuwen tegen elkaar! Daarbij komt ook nog eens overmatig alcoholgebruik om de hoek kijken en het feit dat ze graag communiceren midden op straat. Ook kauwen ze op Qat, een licht stimulerende drug, wat bij overmatig gebruik leidt tot slapeloosheid en sneller verlies van zelfbeheersing.

Zo krijgt een politieauto 's ochtends de melding dat er een steekpartij heeft plaatsgevonden op de M straat in Rotterdam. Er loopt een hevig bloedende en schreeuwende man op straat, die vermoedelijk het slachtoffer is van de steekpartij. De dader zou een vrouw zijn, die op het balkon van de portiekwoning eveneens hard aan het schreeuwen is, kortom de chaos is compleet.
Ter plaatse meldt de bemanning van de politieauto dat ze de man hebben aangetroffen, inderdaad hevig bloedend. Hij heeft een groot gat in zijn arm en ze vragen aan de meldkamer of de GGD aanrijdend is. Gezien de aard van de melding heeft de meldkamer deze al meegestuurd.
Kort hierop kom ik met de motor ter plaatse. Ik zie dat de collega’s op de grond naast het slachtoffer zitten en proberen de bloedende wond onder controle te krijgen.
Dit lukt nauwelijks omdat het slachtoffer kennelijk niet echt geholpen wil worden en zijn arm wil losrukken.
De grote stoorzender in het geheel is de schreeuwende vrouw op het balkon, die in haar moerstaal kennelijk allerlei verwensingen tegen de man roept, die hierop heftig reageert.
Ik besluit om het schreeuwende mens van het balkon te gaan halen om zo orde te scheppen in de chaos. Als ik bij de portiekdeur kom, valt het mij op dat de ruit naast de deur aan diggelen ligt en op de scherven  hiervan bloeddruppels en bloedvegen zitten.

Eenmaal boven grijp ik het mens van het balkon en trek haar naar binnen. De situatie wordt rustiger en ik vraag haar wat er gebeurd is. Er blijkt helemaal geen mes in het spel te zijn. Het slachtoffer op straat is haar man, die voor de zoveelste keer weer eens te diep in het glaasje heeft gekeken. Hij heeft een kwade dronk en is dan niet in staat om zich te beheersen. Zij vertelt dat in hun cultuur het normaal is dat, wanneer een man op een acuut moment met zijn vrouw het bed wil delen, zijn vrouw onmiddellijk moet luisteren en dit ook moet doen. Ze vertelt dat ze dit helemaal zat is, omdat het nooit op een liefelijke wijze gaat en ze hem deze avond geweigerd heeft. Hierbij is hij haar te lijf gegaan en is zij het huis uitgevlucht, de straat op, met in haar kielzog haar dronken en schreeuwende man. Op straat is hij ten val gekomen en vrouwlief heeft hier handig op ingespeeld door het  portiek in te vluchten en de deur dicht te trekken. Haar man, die kennelijk door zijn val nog kwader is geworden, slaat met zijn vuist het raam naast de portiekdeur in om zo de portiekdeur via het ‘geopende’ raam open te doen. Echter ver komt hij niet, want het glas snijdt zijn pols dusdanig open, dat hij noodgedwongen zijn arm moet terugtrekken.
De buren hadden 112 gebeld en zodoende kwamen wij ter plaatse.

Ik weet genoeg en loop, na de vrouw vriendelijk gevraagd te hebben om de balkonscène niet over te doen, terug naar de collega’s en meld hen mijn bevindingen. Het slachtoffer is de dader van huiselijk geweld en van vernieling. Hij moet dus aangehouden worden. De GGD is inmiddels ter plaatse en bekijkt de wond. Deze is veel te groot en te diep en moet gehecht worden in het ziekenhuis bij de spoedeisende hulp. Omdat de man is aangehouden moet er iemand van de politie mee naar het ziekenhuis. Ik bied aan om mee te gaan, zodat de collega’s ter plaatse aangifte kunnen opnemen en een glaszetter voor de ruit kunnen bestellen.

In het ziekenhuis is het al druk bij de spoedeisende hulp. De verdachte wordt tussen twee patiënten in op een kamer gelegd. Gelukkig zijn de gordijnen tussen de bedden dichtgeschoven, zodat wij aan het zicht onttrokken zijn. Dan begint het wachten. Wat een drama wordt dat! De verdachte, die nog steeds flink dronken is, is ontzettend vervelend. Ik moet hem diverse keren waarschuwen overal van af te blijven en zich te gedragen. Hij zit aan alle knoppen, zodat het bed op en neergaat en diverse standen aanneemt. Ik gris de afstandsbediening uit zijn handen en leg deze buiten handbereik. Hierop zijn de knoppen van de apparatuur aan de beurt. Ik grijp zijn rechterarm beet om hem te beletten op de knopjes te drukken. Hierop draait hij zich om en gaat de knopjes met zijn linkerhand bedienen. Ik draai hem terug en laat hierbij even zijn rechterarm los. In een onbewaakt moment krijg ik een dreun in mijn gezicht en grijpt hij mijn pistool vast. Dan ben ik het spuugzat. Ik geef hem een kaakslag, waardoor hij bijna naast het bed valt. In zijn val grijpt hij de gordijnen vast, waardoor de gehele gordijnrail van het plafond komt. Hierdoor vallen de gordijnen van de beide buren ook.

Ik kijk in de ogen van een ouder echtpaar. De vrouw ligt op bed en haar man zit op een stoel ernaast, ze kijken mij half bedolven onder het gordijn verbijsterd en angstig aan. Aan de andere kant ligt ook een oude man, die hartgrondig begint te schelden, omdat de gordijnrail boven op zijn hoofd terecht is gekomen. De verdachte ligt half op bed en half op de grond. In mijn boosheid ruk ik hem zo hard omhoog, dat hij dubbel klapt op het bed. Hij is even zijn lucht kwijt en wordt rustig. Op ‘gepaste’ wijze breng ik de verdachte onder controle en maak hem middels de handboeien aan de leuning van het bed vast. Ik zit inmiddels helemaal onder het bloed, evenals het bed en de vloer, omdat door de worsteling het verband van de arm van de verdachte is losgegaan. Gelukkig had ik mijn handschoenen aangehouden. Het lijkt wel een slagveld!

Inmiddels is de gewaarschuwde beveiliging ter plaatse gekomen, die de gordijnen en rails verwijderen. Ik verontschuldig mij tegenover de andere mensen. De scheldende man vertelt mij dat hij mijn vele waarschuwingen heeft gehoord. Hij vindt dat ik al veel geduld heb gehad, hij zou al veel eerder geslagen hebben. Het oudere echtpaar vraagt aan de beveiliging of ze alstublieft naar een ander kamer kunnen, omdat ze bang zijn. Ik heb echt medelijden met die oude mensen.
We besluiten om de verdachte daar weg te halen en apart te leggen.
Na een half uur wordt de wond van de verdachte gehecht en kan hij in de boeien, door de inmiddels ter plaatse gekomen collega’s, worden overgebracht naar het politiebureau.

Op het bureau word ik bekeken door de collega's die vragen of ik in een slachthuis geweest ben. Mijn hele motorjas zit onder het bloed. Ik vertel mijn verhaal aan de collega’s en meld het geweld, wat ik gebruikt heb, bij de chef van dienst. We hebben er wel om gelachen, wat een dienst was dit weer! Gelukkig hield er niemand, behalve de verdachte, letsel aan over.

dinsdag 11 maart 2014

'Verliefd' stelletje


Wij stammen niet af van de slakken, maar denkbeeldig staan er voelsprieten bij politiemensen op hun hoofd. Of het onderbuikgevoel. Deze prikkels heb je nodig om goed je werk te kunnen doen. Altijd kloppen doet het niet, maar vaak zijn deze gevoelens de juiste.


We krijgen een melding op treinstation A voor lastige jeugd op het perron.
Als wij arriveren, stopt er net een trein en stappen er passagiers uit.
Wij lopen via de gewone trap naar beneden en zoals gewoonlijk scannen we het ons tegemoet lopende publiek. Wat we al gezien hebben is, als de trein wegrijdt, er zich totaal geen jeugd meer op het perron bevindt.
Als we bijna beneden op het perron zijn, komt ons een stelletje tegemoet lopen, een man en een vrouw. Ik zie dat de man de vrouw stevig vasthoudt om haar middel en haar lachend aankijkt, hij is zo te zien hevig verliefd.
Maar wat mij ook opvalt, is dat de vrouw niet echt stevig verliefd op de man lijkt te zijn.
Ik kijk haar recht in haar gezicht en zie een stel bedroefde en angstige ogen. Dat bevreemdt mij.
Leo en ik kijken elkaar aan en we hebben beiden dezelfde gedachten. Toch lopen we in eerste instantie verder om naar mogelijk lastige jeugd te kijken. Ik ben eigenlijk helemaal niet meer met mijn gedachten bij onze melding en kennelijk Leo ook niet want deze vraagt, op het moment dat ik dezelfde vraag wil stellen, of we niet beter kunnen omkeren om het stel aan te spreken. Het zit ons gewoon niet lekker.

We keren op het perron om en nemen de roltrap naar boven. Het stel is inmiddels boven op het parkeerdek en loopt in de richting van de uitgang. Ik zie nog net dat de man omkijkt in de richting van ons, voor we ze uit het oog verliezen als ze de uitgang uitlopen.
Met versnelde pas lopen we naar de uitgang en treffen de vrouw buiten alleen aan. De man is nergens meer te bekennen.
We vragen haar waar de man is gebleven die haar zojuist stevig vasthield en ze wijst ons de richting waar hij is heengelopen. Ik vraag haar wie die man is, maar ze vertelt dat ze niet weet wie hij is. Hij heeft haar beetgepakt in de trein en gevraagd of ze met hem mee wilde lopen. Ze heeft kennelijk behoorlijk wat drank genuttigd, want er komen ons een flinke alcoholische damp tegemoet. Ik vraag of deze man haar heeft gedwongen of heeft bedreigd om mee te lopen, maar volgens haar is daar geen sprake van. We vertrouwen het niet, dus laten we de vrouw in onze bus plaatsnemen en rijden als een speer in de richting waar de man is heengelopen.

Gelukkig zien we hem in de verte lopen en spreken hem aan. Hij doet natuurlijk of zijn neus bloedt, de vrouw was spontaan met hem mee de trein uitgelopen en van bedreiging was geen sprake. Na hem even haarfijntjes verteld te hebben dat van meelopen geen sprake was, maar eerder van beetpakken, vasthouden en meenemen, begint hij toch wel lichtelijk te transpireren. We vertellen hem dat we duidelijk gezien hadden dat hij de vrouw stevig vasthield toen we hem de trein uit zagen komen en dat de vrouw hem bepaald niet vasthield, maar eerder weg wilde komen uit zijn klem.

Terwijl Leo in gesprek blijft met de man en zijn identiteit natrekt, probeer ik meer informatie los te krijgen bij de vrouw. Ze vertelt dat ze uit X stad komt en met een vriendin is wezen ´stappen´ in Rotterdam. Ze hadden behoorlijk wat alcohol gedronken en bij station C was haar vriendin uitgestapt. Toen de trein daar wegreed kwam die man naast haar zitten en begon heel vriendelijk tegen haar te praten. Ze had het idee dat ze gewoon gehypnotiseerd werd door hem, want toen hij over haar knie begon te wrijven deed ze niets terug of zei er niets van. Hij gaf haar ook een paar zoenen op haar wang en ook hiertegen deed ze eigenlijk niets. Bij station A pakte hij haar vast en zei dat ze hier even moest uitstappen om ´elkaar beter te leren kennen´. Ze barst in tranen uit en vertelt dat het wel leek of hij haar in zijn macht had en kon doen en laten wat hij wilde.
Toen ze de trein uitstapte en ons zag had ze een vlammende hoop dat wij ‘iets’ zouden doen.
Ik vraag of hij aan intieme delen van haar heeft gezeten of haar bedreigd heeft, maar daar is helaas (of juist gelukkig voor haar) geen sprake van.
Ze vertelt dat ze absoluut nergens aangifte van wil doen, maar gewoon heel graag naar huis wil naar haar man en kinderen.

Leo heeft inmiddels informatie gekregen van de wachtcommandant en het blijkt dat de man al eerder dit soort dingen gedaan heeft, maar alles op basis van ´vrijwilligheid´. Kennelijk heeft hij een neus voor kwetsbare vrouwen.
Het is in dit soort gevallen erg jammer dat er geen strafbare handelingen zijn gepleegd, want dit soort tuig zou ik graag oppakken.
Het blijkt dat de man in dorp B woont, getrouwd is en twee kinderen heeft. Op de vraag of zijn vrouw ook van deze praktijken op de hoogte is of dat ik het even aan haar zal vragen, wordt hij boos en dreigt een aanklacht in te dienen als zijn vrouw hiervan op de hoogte gebracht wordt. Hij vindt dat het zijn zaken zijn en dat we hier ons niet mee moeten bemoeien. Op dat soort momenten moet je professioneel blijven, maar eerlijk gezegd jeuken mijn handen!

We moeten de man laten gaan en brengen de vrouw opnieuw naar trein. We hebben haar man in kennis gesteld van het gebeuren. Uiteraard met de mededeling dat zijn vrouw hier helemaal niets aan kon doen, maar wel met de vraag of hij zijn vrouw bij het treinstation in X stad kan ophalen.
We wachten tot de volgende trein komt en spreken kort de conducteur aan die belooft toe te zien dat de vrouw in C stad over zou stappen in de juiste trein naar X stad.

Het geeft Leo en mij een dubbelgevoel. Enerzijds blij dat we erger hebben voorkomen, maar anderzijds dat we een potentiële dader hebben moeten laten lopen.