Het werk loslaten als diender tijdens de vakantie.
Heel logisch, want er is ook een tijd voor ontspanning. Maar soms lukt dat niet
helemaal, het bloed kruipt toch waar het niet gaan kan.
Op vakantie in Frankrijk hoort een kijkje in de
omgeving er zeker bij, ook het bezoek aan een oud stadje waar een hele grote
markt is. Lekker slenteren langs de kraampjes en genieten van de typisch Franse
producten, maar ook van bezoekers kijken. Af en toe stilstaan als ik weer eens
te ver vooruit gelopen ben van de rest.
Dan wordt mijn blik getrokken naar een jongeman
die heen en weer drentelt. Hij kijkt opvallend rond zich heen en gaat aan de
overzijde van mij tegen de gevel van de huizen achter de kramen staan.
Zijn hele gedrag voorspelt niet veel goeds en mijn
politiehart begint te kloppen. Ik zie dat in de nabijheid een aantal mensen op
een terrasje zit, waarvan één een oudere vrouw. Naast haar staat een tas,
waarvan de rits open is en de portemonnee duidelijk zichtbaar is. De geobsedeerde
blik van de jongeman is duidelijk gericht op de tas.
Het zal toch niet.....
Daar sta ik dan, quasi nonchalant
aan de overzijde tegen de gevel, zogenaamd kijkend op mijn telefoon.
Wat ga ik zo meteen doen als de jongeman de
portemonnee uit de tas van de vrouw steelt? Ik kijk eens rond me heen en mijn oog
valt op een andere man die met priemende ogen ook naar de jongeman staat te
kijken. Ik frons mijn wenkbrauwen eens en vraag me af of dit een handlanger van
de jongeman is. Maar gezien zijn uiterlijk en vakantieoutfit lijkt hij in de
verste verte niet op een Fransoos. Plotseling kijkt hij mijn richting uit en
kijken we elkaar in de ogen. Het grappige is dat we hierna beurtelings naar
elkaar en naar de jongeman kijken. Dan wijst de onbekende man naar hem
en maakt het zogenaamde graai-gebaar. Ik knik en maak hetzelfde gebaar.
Ik besluit om de diefstal te voorkomen, want ik heb helemaal geen zin in een aanhouding met alle gevolgen vandien. Ik loop
naar de jongeman toe en ga naast hem staan. Ik fluister hem ‘keurig’ in de
Franse taal dat hij met zijn handen van de portemonnee van de vrouw af moet
blijven en moet ‘opzouten’. Tijdens mijn jaren bij de Verkeerspolitie hebben we
(bij)les gehad in de Franse taal vanwege de drugrunners. De straattaal heb ik
goed onthouden en maak hier nu handig gebruik van. Nog even denk ik dat de
jongeman me wil aanvliegen, maar met een boos gezicht loopt hij weg.
Dan staat opeens de man naast me van de overkant.
In onvervalst Nederlands zegt hij tegen mij : “Jij had het dus ook gezien!"
Het blijkt een collega uit Utrecht te zijn die ook
op vakantie is en het gedrag van de potentiële dief ook had gesignaleerd.
We gieren het uit van de lach, geven elkaar een
hand en lopen weer verder.
De rest van de familie is in geen velden of wegen
meer te zien. Na een telefoontje voeg ik me weer bij hen. Op de vraag waar ik
al die tijd was, vertel ik dat ik even een ‘klusje’ had.
Met verbaasde gezichten staan ze me aan te kijken.
Je bent toch vrij?
Volgende blog 14/09
Copyright
Copyright P.Kats. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd worden en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.
maandag 24 augustus 2015
maandag 27 juli 2015
Gestoordeling
Een verdachte met de handboeien ergens aan vastzetten. Tijdelijk ‘parkeren’
of in vaktermen tijdelijk in verzekering stellen. Het lijken wel middeleeuwse
praktijken om iemand publiekelijk te schande te zetten. Maar soms moet je wel.
Ik hoor via de mobilofoon op de motor dat een vrouw in overspannen toestand haar woning heeft verlaten en met haar auto mogelijk in de richting van X stad gaat. Bij het verlaten van de woning heeft ze gezegd zelfmoord te gaan plegen. Met de politiemotor neem ik op de autosnelweg een strategische positie bij een knooppunt in, waarvan ik vermoed dat ze hier wel eens langs kan komen rijden in de richting van X stad.
Nog geen half uur later zie ik haar met de auto voorbij rijden. Op gepaste afstand volg ik haar en geef aan de meldkamer de positie door.
Ik zie dat ze in haar binnenspiegel zit te kijken naar mij. Ondanks dat ze op de autosnelweg rijdt gaat ze steeds langzamer rijden, waardoor ik genoodzaakt ben om ook langzamer te gaan rijden. Ze nadert een grote brug en zie dat ze haar voertuig stilzet op het kleine smalle stukje vluchtstrook kort voor de brug. De schrik slaat me om het hart, ze zal toch niet uit gaan stappen en van de brug naar beneden springen. Snel plaats ik mijn motor achter haar auto en stap af.
Voor ik haar kan beletten stapt ze uit en springt de rijbaan op voor een naderende auto. Door hevig te remmen en uit te wijken weet de chauffeur haar te ontwijken. Ik kan haar vastgrijpen en trek haar mee de vluchtstrook op. Maar ze vecht als een tijger en voor ik het weet lig ik plat op de grond met haar. Ze weet weer op te staan en springt voor een aankomende vrachtauto. Een zware claxon van de vrachtauto doet mij denken aan een doemscenario, waarbij ik samen met haar zo plat als een dubbeltje wordt gereden.
De vrachtwagenchauffeur remt uit alle macht en een gierend en piepend geluid van remmen en banden komt naderbij. Weer weet ik ze van de rijstrook weg te trekken en ze op de vluchtstrook te krijgen. Met een paar fikse klappen krijg ik weer controle en weet een boei om haar ene pols te krijgen. De andere hand is onder haar lijf en krijg ik niet te pakken. Dan is daar de stang van de vangrail die uitkomst biedt. De andere boei sla ik hier omheen en ze zit vastgeketend aan de vangrail. Eindelijk heb ik de gelegenheid om de meldkamer om assistentie te vragen en hijgend vertel ik dat ik de vrouw onder controle heb. Ik doe mijn helm af die ik nog op heb. Ik heb het bloedheet.
Maar ik krijg het nog warmer als op het kleine stukje vluchtstrook nog een auto stopt. Levensgevaarlijk! Uit de auto stapt een man, die met een verontwaardigd gezicht naar me toe komt lopen en me begint uit te schelden. Het netste woord wat uit zijn mond komt is dat ik een ‘gestoordeling’ ben. Ik moet de vrouw onmiddellijk losmaken en op een humane manier behandelen. Ik heb helemaal geen tijd en zin in uitleg en vertel hem dat ik met mijn werk bezig ben. Ik sommeer hem om onmiddellijk weer in zijn auto te stappen en heel gauw weg te wezen, omdat hij het verkeer ernstig in gevaar brengt door op deze manier te gaan staan. Het verkeer rijdt inmiddels stapvoets en aller ogen zijn gericht op de situatie. Ik voel me net een misdadiger. Nou schiet het vuur bij de man uit zijn ogen, maar ook bij mij. Ik pak hem beet en duw hem terug naar zijn auto. Met enige drang duw ik hem achter het stuur en bulder dat hij weg moet gaan anders is hij de volgende die ik zou gaan aanhouden, hoewel ik daar totaal niet op zit te wachten. Gelukkig geeft hij gehoor en rijdt met gillende banden weg.
Als de assistentie gearriveerd is maken we de vrouw los en plaatsen haar in de politiebus. Haar auto wordt door de ene collega meegenomen en de andere brengt haar in de politiebus naar het bureau waar het zorgcircuit wordt opgestart.
Nog verbijsterd over de situatie loop ik naar mijn motor. Gekomen op het bureau vertel ik het hele verhaal aan de chef van dienst Rob.
Een dag later wordt ik tijdens de dienst opgeroepen. De man is aan het bureau verschenen om een klacht in te dienen over mijn optreden. Of ik in de mogelijkheid ben om naar het bureau te komen om bij het klachtgesprek aanwezig te zijn. Ik vertel Rob dat ik dit absoluut niet van plan ben. Het zal me op dat moment een zorg zijn. Mijn eerste reactie is dat hij zijn best maar moet doen en dat Rob hem vooral de hartelijke groeten moet doen van me. Ik voel weer boosheid in me opkomen over de hele situatie.
Als ik aan het bureau kom vertelt Rob dat hij het jammer vindt dat ik niet bij het gesprek aanwezig wilde zijn. Hij vertelt dat de man namelijk zijn excuses heeft aangeboden en zich schaamde voor zijn optreden. Mijn mond valt open van verbazing. Ik heb het idee dat ik zwaar in de maling wordt genomen. Rob begint keihard te lachen als ik hem stoïcijns aan blijf kijken.
Hij heeft de man de omstandigheden verteld van het incident en de reden waarom ik de vrouw vastgeketend had. De man liep rood van schaamte aan, bood zijn excuses aan en verliet snel het bureau.
De vrouw vastgeketend aan de vangrail is een momentopname voor de man die langsrijdt. De filmpjes door burgers gemaakt van politieoptreden geeft vaak maar een korte momentopname weer van een compleet incident. De (cruciale) voorinformatie, de aanleiding, ontbreekt vaak. We kunnen niet elke burger eerst gaan vertellen wat er precies gebeurd is. Vaak wordt een beeld geschetst dat de politie onnodig geweld gebruikt. Het wordt in de media uitgebreid gecommuniceerd en de politie loopt weer achter de feiten aan. Kritisch kijken naar en kritisch zijn over politieoptreden is mijn inziens volkomen terecht, mits de voorgeschiedenis eerst bekend is. Dan pas oordelen en communiceren. En daar ontbreekt het helaas nog wel eens aan.
(vakantietijd, volgende blog 24/8)
Ik hoor via de mobilofoon op de motor dat een vrouw in overspannen toestand haar woning heeft verlaten en met haar auto mogelijk in de richting van X stad gaat. Bij het verlaten van de woning heeft ze gezegd zelfmoord te gaan plegen. Met de politiemotor neem ik op de autosnelweg een strategische positie bij een knooppunt in, waarvan ik vermoed dat ze hier wel eens langs kan komen rijden in de richting van X stad.
Nog geen half uur later zie ik haar met de auto voorbij rijden. Op gepaste afstand volg ik haar en geef aan de meldkamer de positie door.
Ik zie dat ze in haar binnenspiegel zit te kijken naar mij. Ondanks dat ze op de autosnelweg rijdt gaat ze steeds langzamer rijden, waardoor ik genoodzaakt ben om ook langzamer te gaan rijden. Ze nadert een grote brug en zie dat ze haar voertuig stilzet op het kleine smalle stukje vluchtstrook kort voor de brug. De schrik slaat me om het hart, ze zal toch niet uit gaan stappen en van de brug naar beneden springen. Snel plaats ik mijn motor achter haar auto en stap af.
Voor ik haar kan beletten stapt ze uit en springt de rijbaan op voor een naderende auto. Door hevig te remmen en uit te wijken weet de chauffeur haar te ontwijken. Ik kan haar vastgrijpen en trek haar mee de vluchtstrook op. Maar ze vecht als een tijger en voor ik het weet lig ik plat op de grond met haar. Ze weet weer op te staan en springt voor een aankomende vrachtauto. Een zware claxon van de vrachtauto doet mij denken aan een doemscenario, waarbij ik samen met haar zo plat als een dubbeltje wordt gereden.
De vrachtwagenchauffeur remt uit alle macht en een gierend en piepend geluid van remmen en banden komt naderbij. Weer weet ik ze van de rijstrook weg te trekken en ze op de vluchtstrook te krijgen. Met een paar fikse klappen krijg ik weer controle en weet een boei om haar ene pols te krijgen. De andere hand is onder haar lijf en krijg ik niet te pakken. Dan is daar de stang van de vangrail die uitkomst biedt. De andere boei sla ik hier omheen en ze zit vastgeketend aan de vangrail. Eindelijk heb ik de gelegenheid om de meldkamer om assistentie te vragen en hijgend vertel ik dat ik de vrouw onder controle heb. Ik doe mijn helm af die ik nog op heb. Ik heb het bloedheet.
Maar ik krijg het nog warmer als op het kleine stukje vluchtstrook nog een auto stopt. Levensgevaarlijk! Uit de auto stapt een man, die met een verontwaardigd gezicht naar me toe komt lopen en me begint uit te schelden. Het netste woord wat uit zijn mond komt is dat ik een ‘gestoordeling’ ben. Ik moet de vrouw onmiddellijk losmaken en op een humane manier behandelen. Ik heb helemaal geen tijd en zin in uitleg en vertel hem dat ik met mijn werk bezig ben. Ik sommeer hem om onmiddellijk weer in zijn auto te stappen en heel gauw weg te wezen, omdat hij het verkeer ernstig in gevaar brengt door op deze manier te gaan staan. Het verkeer rijdt inmiddels stapvoets en aller ogen zijn gericht op de situatie. Ik voel me net een misdadiger. Nou schiet het vuur bij de man uit zijn ogen, maar ook bij mij. Ik pak hem beet en duw hem terug naar zijn auto. Met enige drang duw ik hem achter het stuur en bulder dat hij weg moet gaan anders is hij de volgende die ik zou gaan aanhouden, hoewel ik daar totaal niet op zit te wachten. Gelukkig geeft hij gehoor en rijdt met gillende banden weg.
Als de assistentie gearriveerd is maken we de vrouw los en plaatsen haar in de politiebus. Haar auto wordt door de ene collega meegenomen en de andere brengt haar in de politiebus naar het bureau waar het zorgcircuit wordt opgestart.
Nog verbijsterd over de situatie loop ik naar mijn motor. Gekomen op het bureau vertel ik het hele verhaal aan de chef van dienst Rob.
Een dag later wordt ik tijdens de dienst opgeroepen. De man is aan het bureau verschenen om een klacht in te dienen over mijn optreden. Of ik in de mogelijkheid ben om naar het bureau te komen om bij het klachtgesprek aanwezig te zijn. Ik vertel Rob dat ik dit absoluut niet van plan ben. Het zal me op dat moment een zorg zijn. Mijn eerste reactie is dat hij zijn best maar moet doen en dat Rob hem vooral de hartelijke groeten moet doen van me. Ik voel weer boosheid in me opkomen over de hele situatie.
Als ik aan het bureau kom vertelt Rob dat hij het jammer vindt dat ik niet bij het gesprek aanwezig wilde zijn. Hij vertelt dat de man namelijk zijn excuses heeft aangeboden en zich schaamde voor zijn optreden. Mijn mond valt open van verbazing. Ik heb het idee dat ik zwaar in de maling wordt genomen. Rob begint keihard te lachen als ik hem stoïcijns aan blijf kijken.
Hij heeft de man de omstandigheden verteld van het incident en de reden waarom ik de vrouw vastgeketend had. De man liep rood van schaamte aan, bood zijn excuses aan en verliet snel het bureau.
De vrouw vastgeketend aan de vangrail is een momentopname voor de man die langsrijdt. De filmpjes door burgers gemaakt van politieoptreden geeft vaak maar een korte momentopname weer van een compleet incident. De (cruciale) voorinformatie, de aanleiding, ontbreekt vaak. We kunnen niet elke burger eerst gaan vertellen wat er precies gebeurd is. Vaak wordt een beeld geschetst dat de politie onnodig geweld gebruikt. Het wordt in de media uitgebreid gecommuniceerd en de politie loopt weer achter de feiten aan. Kritisch kijken naar en kritisch zijn over politieoptreden is mijn inziens volkomen terecht, mits de voorgeschiedenis eerst bekend is. Dan pas oordelen en communiceren. En daar ontbreekt het helaas nog wel eens aan.
(vakantietijd, volgende blog 24/8)
maandag 6 juli 2015
De priemende vinger
Je zou een
politieachtervolging van een verdachte kunnen vergelijken met een roofdier die
een prooi probeert te vangen: met maximale inspanning wordt alles uit de kast
gehaald om de verdachte te pakken te krijgen. Maar zo werkt het niet
altijd. De verdachte bevindt zich namelijk op een motor en haalt halsbrekende
toeren uit om te ontkomen aan de politie. Hierdoor verdwijnt hij uit het zicht van de
achtervolgende politieauto.
Maar niet van de politiehelikopter.
Een politieauto van de Verkeerspolitie meldt een achtervolging op de autosnelweg. Een motorrijder komt hen met vrij hoge snelheid achteroprijden en ziet hen op het laatste moment. Na een stopteken draait hij zijn gashandel vol open en rijdt weg. Ze blijven hem volgen en hebben gelegenheid om voor hem te komen, maar doen dit niet omdat dit alleen maar zal leiden tot een aanrijding. Gezien zijn rijstijl zal de verdachte niet uit zichzelf stoppen.
Op de mobilofoon hoor ik een bekende stem, namelijk de stem van mijn broer Kees die samen met Ro van de Verkeerspolitie dienst heeft.
Hij meldt dat de verdachte de kentekenplaat van zijn motor dusdanig omgebogen heeft dat deze niet meer leesbaar is. Mogelijk is de motor van diefstal afkomstig. Er worden de laatste tijd veelvuldig motoren gestolen.
Mijn collega en ik nemen met onze politieauto positie in op een kruispunt in de buurt en wachten af. We horen dat de snelheid boven de 200 kilometer per uur ligt en de motor onze richting opkomt. Hij meldt dat de verdachte met hoge snelheid over de kruisingen scheurt in het drukke havengebied. Niet veel later zien we hem aan komen rijden.
We laten de verdachte gewoon voorbij racen. Korte tijd later rijden Kees en Ro voorbij.
Veel mensen zullen zeggen dat ze het raar vinden om de verdachte te laten ontkomen, toch? Maar als we iemand achtervolgen dan moet het voor zowel de overige weggebruikers als voor ons veilig zijn én blijven. Met andere woorden: met dit soort extreem hoge snelheden is het niet verantwoord om de weg van de verdachte te gaan blokkeren, immers, het laatste wat je wilt is dat er ongelukken gebeuren met alle gevolgen van dien. Als agent moet je zo professioneel zijn om je verstand te gebruiken in plaats van koste wat kost een verdachte te willen pakken.
Maar wat is het dan geweldig als de stem van Pleun, de tactical flight officer, vanuit de politiehelikopter, meldt dat ze inmiddels boven de motor vliegen. Dat is mooi, de heli vliegt erboven! Pleun meldt dat de verdachte inmiddels weer de oprit van de snelweg heeft genomen.
Met een "gangetje" van ongeveer 220 kilometer per uur rijdt hij in de richting van de eilanden, daarbij schuwt hij het rechts inhalen en het gebruik van de
vluchtstrook niet. Pleun blijft zijn positie doorgeven en ziet op een gegeven moment dat de motorrijder een afslag neemt en verderop een lange smalle doodlopende weg inrijdt en daar op het aan het eind gelegen parkeerterrein stopt.
Kees en Ro rijden op aanwijzen van Pleun de doodlopende weg in en naderen de motorrijder. Hij zit als een rat in de val. De auto van de Verkeerspolitie wordt op zeer korte afstand dwars over de weg gezet en als een getergd dier blijft de verdachte rondjes rijden om de auto’s die geparkeerd staan.
Er zou nog een mogelijkheid zijn dat de verdachte het fietspad op zou kunnen rijden, maar voordat hij dit doet stapt Kees uit en wijst met zijn vinger naar boven.
De verdachte kijkt Kees aan, maar begrijpt de boodschap niet. De priemende vinger van Kees wijst nogmaals omhoog. Dan kijkt de verdachte omhoog en ziet de helikopter klapperend boven hem hangen. Hij laat zijn schouders hangen, schudt meewarig zijn hoofd en zet zijn motor op de zijstandaard neer. Hij zet zijn helm af en steekt dan zijn handen in de lucht als teken van overgave.
Hij wordt aangehouden voor het ernstig in gevaar brengen van het verkeersveiligheid en het opzettelijk onleesbaar maken van zijn kentekenplaat op zijn niet-goedgekeurde motor. Zijn rijbewijs is hij voorlopig kwijt.
Hele stukken was de verdachte niet meer in het zicht van de politiemensen op straat, maar dankzij de klapperende wentelwiek werd de verdachte alsnog aangehouden.
(volgende blog iets later op 27/7)
achtervolgende politieauto.
Maar niet van de politiehelikopter.
Een politieauto van de Verkeerspolitie meldt een achtervolging op de autosnelweg. Een motorrijder komt hen met vrij hoge snelheid achteroprijden en ziet hen op het laatste moment. Na een stopteken draait hij zijn gashandel vol open en rijdt weg. Ze blijven hem volgen en hebben gelegenheid om voor hem te komen, maar doen dit niet omdat dit alleen maar zal leiden tot een aanrijding. Gezien zijn rijstijl zal de verdachte niet uit zichzelf stoppen.
Op de mobilofoon hoor ik een bekende stem, namelijk de stem van mijn broer Kees die samen met Ro van de Verkeerspolitie dienst heeft.
Hij meldt dat de verdachte de kentekenplaat van zijn motor dusdanig omgebogen heeft dat deze niet meer leesbaar is. Mogelijk is de motor van diefstal afkomstig. Er worden de laatste tijd veelvuldig motoren gestolen.
Mijn collega en ik nemen met onze politieauto positie in op een kruispunt in de buurt en wachten af. We horen dat de snelheid boven de 200 kilometer per uur ligt en de motor onze richting opkomt. Hij meldt dat de verdachte met hoge snelheid over de kruisingen scheurt in het drukke havengebied. Niet veel later zien we hem aan komen rijden.
We laten de verdachte gewoon voorbij racen. Korte tijd later rijden Kees en Ro voorbij.
Veel mensen zullen zeggen dat ze het raar vinden om de verdachte te laten ontkomen, toch? Maar als we iemand achtervolgen dan moet het voor zowel de overige weggebruikers als voor ons veilig zijn én blijven. Met andere woorden: met dit soort extreem hoge snelheden is het niet verantwoord om de weg van de verdachte te gaan blokkeren, immers, het laatste wat je wilt is dat er ongelukken gebeuren met alle gevolgen van dien. Als agent moet je zo professioneel zijn om je verstand te gebruiken in plaats van koste wat kost een verdachte te willen pakken.
Maar wat is het dan geweldig als de stem van Pleun, de tactical flight officer, vanuit de politiehelikopter, meldt dat ze inmiddels boven de motor vliegen. Dat is mooi, de heli vliegt erboven! Pleun meldt dat de verdachte inmiddels weer de oprit van de snelweg heeft genomen.
Met een "gangetje" van ongeveer 220 kilometer per uur rijdt hij in de richting van de eilanden, daarbij schuwt hij het rechts inhalen en het gebruik van de
vluchtstrook niet. Pleun blijft zijn positie doorgeven en ziet op een gegeven moment dat de motorrijder een afslag neemt en verderop een lange smalle doodlopende weg inrijdt en daar op het aan het eind gelegen parkeerterrein stopt.
Kees en Ro rijden op aanwijzen van Pleun de doodlopende weg in en naderen de motorrijder. Hij zit als een rat in de val. De auto van de Verkeerspolitie wordt op zeer korte afstand dwars over de weg gezet en als een getergd dier blijft de verdachte rondjes rijden om de auto’s die geparkeerd staan.
Er zou nog een mogelijkheid zijn dat de verdachte het fietspad op zou kunnen rijden, maar voordat hij dit doet stapt Kees uit en wijst met zijn vinger naar boven.
De verdachte kijkt Kees aan, maar begrijpt de boodschap niet. De priemende vinger van Kees wijst nogmaals omhoog. Dan kijkt de verdachte omhoog en ziet de helikopter klapperend boven hem hangen. Hij laat zijn schouders hangen, schudt meewarig zijn hoofd en zet zijn motor op de zijstandaard neer. Hij zet zijn helm af en steekt dan zijn handen in de lucht als teken van overgave.
Hij wordt aangehouden voor het ernstig in gevaar brengen van het verkeersveiligheid en het opzettelijk onleesbaar maken van zijn kentekenplaat op zijn niet-goedgekeurde motor. Zijn rijbewijs is hij voorlopig kwijt.
Hele stukken was de verdachte niet meer in het zicht van de politiemensen op straat, maar dankzij de klapperende wentelwiek werd de verdachte alsnog aangehouden.
(volgende blog iets later op 27/7)
maandag 22 juni 2015
112, het gevreesde nummer
U kent waarschijnlijk wel het ‘onderbuikgevoel’. Daar bedoel ik mee dat je bij het zien van sommige mensen of situaties een onheilspellend gevoel hebt. Ieder mens heeft dat in zich, een soort radar die waarschuwt. Dit verschilt natuurlijk wel per persoon. Wat we vervolgens als mensen doen is de situatie bagatelliseren. Het zal wel niet zo zijn. Ik heb het verkeerd gezien. Je schudt je hoofd en gaat verder.
Sinds de campagne van 112 en 0900-8844 lijkt het wel of de burgers vrees hebben om 112 te bellen. Er wordt veel te weinig 112 gebeld bij verdachte situaties.
Rob rijdt met zijn vrachtwagen op een rondweg in de regio. Het is ongeveer 05:00 uur en het begint al licht te worden. Net achter het stuur en nog een beetje slaperig neemt hij de rotonde bij de A weg. Tijdens het nemen van de rotonde beschijnen de koplampen van zijn vrachtwagen het riet langs de sloot, die naast de rotonde ligt. In een flits meent Rob een reflector van een fiets waar te nemen en ziet dat het riet op die plek verbogen is.
Rob rijdt door, maar de situatie houdt hem wel bezig. Volgens mij lag daar toch echt een fiets en was het riet verbogen, denkt Rob. Misschien heeft opgeschoten jeugd een fiets in de sloot gegooid. Het zal wel niets zijn. Ik ga hier de politie niet voor bellen.
Inmiddels rijdt Rob op de autosnelweg in de richting van het zuiden en is hij een half uur verder. Maar de situatie blijft aan hem knagen en het stemmetje in zijn hoofd schetst een ander scenario.
Stel je voor dat er iemand in de sloot is gereden die nacht en daar nu nog ligt. Dat zou zomaar eens kunnen. Rob neemt een cruciale beslissing, hij belt 112.
De meldkamer hoort het verhaal van Rob aan. Rob excuseert zich nog eens dat hij misschien spoken ziet en misschien wel helemaal voor niets belt, maar de centralist van de meldkamer neemt de melding serieus en stuurt een politieauto.
Als mijn collega Erik en ik ter plaatse komen zien we inderdaad op de rotonde dat het riet verbogen is en bij het uitstappen zien we een fiets in het riet liggen. Tot mijn grote schrik zie ik een arm in het water. Tegelijkertijd brult Erik dat er iemand in het water ligt. Ik vraag Erik om de meldkamer te roepen voor assistentie, gooi mijn jas uit, doe mijn koppel af en ga door het riet naar de persoon toe. Half in de sloot, met het water tot de borst, zit een jongen. Ik schat hem rond de 16 jaar oud. Ik denk dat hij al overleden is, zo bleek is zijn gezicht. Ik stap naast hem in de sloot en pak hem onder zijn oksels om hem eruit te trekken. Hij kreunt, slaat zijn ogen op en kijkt me aan. Wat ben ik ontzettend blij dat hij nog leeft. Erik heeft inmiddels om een ambulance gevraagd en een extra politieauto ter assistentie. Omdat de kleding van de jongen helemaal gevuld is met water krijg ik hem er niet alleen uit. Erik stapt ook in de sloot en samen proberen we hem eruit te krijgen. Echter zijn beide benen van de jongen ver in de modder gezakt dus hoe harder we trekken, hoe meer we zelf in de modder zakken. Het lukt niet.
We verzoeken met spoed de brandweer ter plaatse en met vereende krachten krijgen we de jongen uit de sloot. Achteraf blijkt dat zijn lichaamstemperatuur zover was gedaald dat het geen uur langer had moeten duren.
Als de jongen met de ambulance vertrekt naar het ziekenhuis staan we nog even na te praten met de collega’s. We zien er werkelijk niet uit en stinken een uur in de wind naar de modder uit de sloot. De brandweercollega’s bieden ons een gratis douche aan en spuiten de modder van onze kleding. Nadat we een zeil over de stoelen van de politieauto hebben gelegd rijden we terug naar het bureau. Met kleding en al stap ik onder de douche om het eerst warm te krijgen.
Als ik klaar ben en achter mijn computer zit, bel ik eerst Rob op. Ik doe verslag van het hele incident en complimenteer hem met zijn alertheid en het feit dat hij het ‘gedurfd’ heeft om 112 te bellen. Rob wordt later door ons in het zonnetje gezet, in het bijzijn van zijn werkgever.
De jongen bleek veel alcohol gedronken te hebben op een feestje. Vermoedelijk is hij op weg naar huis de sloot ingereden. Door de zuigende werking van de modder en het forse alcoholgebruik kon hij niet meer op eigen kracht uit de sloot komen. Lijdzaam moest hij wachten…. Tot in dit geval Rob voorbij kwam.
Schroom niet 112 te bellen bij je ‘onderbuikgevoel’.
112 daar red je levens mee, maar vang je ook boeven mee.
Sinds de campagne van 112 en 0900-8844 lijkt het wel of de burgers vrees hebben om 112 te bellen. Er wordt veel te weinig 112 gebeld bij verdachte situaties.
Rob rijdt met zijn vrachtwagen op een rondweg in de regio. Het is ongeveer 05:00 uur en het begint al licht te worden. Net achter het stuur en nog een beetje slaperig neemt hij de rotonde bij de A weg. Tijdens het nemen van de rotonde beschijnen de koplampen van zijn vrachtwagen het riet langs de sloot, die naast de rotonde ligt. In een flits meent Rob een reflector van een fiets waar te nemen en ziet dat het riet op die plek verbogen is.
Rob rijdt door, maar de situatie houdt hem wel bezig. Volgens mij lag daar toch echt een fiets en was het riet verbogen, denkt Rob. Misschien heeft opgeschoten jeugd een fiets in de sloot gegooid. Het zal wel niets zijn. Ik ga hier de politie niet voor bellen.
Inmiddels rijdt Rob op de autosnelweg in de richting van het zuiden en is hij een half uur verder. Maar de situatie blijft aan hem knagen en het stemmetje in zijn hoofd schetst een ander scenario.
Stel je voor dat er iemand in de sloot is gereden die nacht en daar nu nog ligt. Dat zou zomaar eens kunnen. Rob neemt een cruciale beslissing, hij belt 112.
De meldkamer hoort het verhaal van Rob aan. Rob excuseert zich nog eens dat hij misschien spoken ziet en misschien wel helemaal voor niets belt, maar de centralist van de meldkamer neemt de melding serieus en stuurt een politieauto.
Als mijn collega Erik en ik ter plaatse komen zien we inderdaad op de rotonde dat het riet verbogen is en bij het uitstappen zien we een fiets in het riet liggen. Tot mijn grote schrik zie ik een arm in het water. Tegelijkertijd brult Erik dat er iemand in het water ligt. Ik vraag Erik om de meldkamer te roepen voor assistentie, gooi mijn jas uit, doe mijn koppel af en ga door het riet naar de persoon toe. Half in de sloot, met het water tot de borst, zit een jongen. Ik schat hem rond de 16 jaar oud. Ik denk dat hij al overleden is, zo bleek is zijn gezicht. Ik stap naast hem in de sloot en pak hem onder zijn oksels om hem eruit te trekken. Hij kreunt, slaat zijn ogen op en kijkt me aan. Wat ben ik ontzettend blij dat hij nog leeft. Erik heeft inmiddels om een ambulance gevraagd en een extra politieauto ter assistentie. Omdat de kleding van de jongen helemaal gevuld is met water krijg ik hem er niet alleen uit. Erik stapt ook in de sloot en samen proberen we hem eruit te krijgen. Echter zijn beide benen van de jongen ver in de modder gezakt dus hoe harder we trekken, hoe meer we zelf in de modder zakken. Het lukt niet.
We verzoeken met spoed de brandweer ter plaatse en met vereende krachten krijgen we de jongen uit de sloot. Achteraf blijkt dat zijn lichaamstemperatuur zover was gedaald dat het geen uur langer had moeten duren.
Als de jongen met de ambulance vertrekt naar het ziekenhuis staan we nog even na te praten met de collega’s. We zien er werkelijk niet uit en stinken een uur in de wind naar de modder uit de sloot. De brandweercollega’s bieden ons een gratis douche aan en spuiten de modder van onze kleding. Nadat we een zeil over de stoelen van de politieauto hebben gelegd rijden we terug naar het bureau. Met kleding en al stap ik onder de douche om het eerst warm te krijgen.
Als ik klaar ben en achter mijn computer zit, bel ik eerst Rob op. Ik doe verslag van het hele incident en complimenteer hem met zijn alertheid en het feit dat hij het ‘gedurfd’ heeft om 112 te bellen. Rob wordt later door ons in het zonnetje gezet, in het bijzijn van zijn werkgever.
De jongen bleek veel alcohol gedronken te hebben op een feestje. Vermoedelijk is hij op weg naar huis de sloot ingereden. Door de zuigende werking van de modder en het forse alcoholgebruik kon hij niet meer op eigen kracht uit de sloot komen. Lijdzaam moest hij wachten…. Tot in dit geval Rob voorbij kwam.
Schroom niet 112 te bellen bij je ‘onderbuikgevoel’.
112 daar red je levens mee, maar vang je ook boeven mee.
maandag 8 juni 2015
‘Zorgelijke’ vernieling
Van de dienstdoende politiemensen wordt verwacht
dat ze in de nachtelijke uren op surveillance zijn in tegenstelling tot overige
hulpdiensten die meldingen afwachten. Als mensen een probleem hebben, bellen ze
de meldkamer en wordt de politie, die zijn immers toch op straat, erbij
geroepen. We krijgen soms de gekste meldingen, waarvan je afvraagt of dat wel
tot de taak van de politie behoort. Maar ’s nachts een handje helpen is geen
probleem.
In de zorg verbaas (en verwonder) ik me soms hoe de bezetting is in ‘huizen’. Dikwijls 's nachts met twee medewerkers, die het vuur uit de sloffen lopen, voor de zorg van een heel huis. Als er dan ook nog meer incidenten zijn, kunnen ze een langdurig incident zeker niet behappen en wordt de politie erbij geroepen.
De centralist van de meldkamer wordt gebeld door een medewerker van een groot verzorgingstehuis met het verzoek om hulp. Ze kunnen een bewoonster van in de tachtig jaar niet meer van het toilet krijgen. Ze is in de toiletpot gevallen en zit muurvast. Ook met hulp van de andere medewerker lukt dit niet. Daar komt nog bij dat er een aantal bewoners zijn die snel zorg nodig hebben, dus de nood is hoog. De medewerkers van het verzorgingstehuis kunnen niet net als bij ons ‘even’ om assistentie vragen.
Wij krijgen de melding en ik kijk mijn collega Louis aan. Dat hebben wij weer, moeten twee mannen gaan sjorren aan een oude vrouw.
Maar in dit soort gevallen bedenk ik me dat het wel mijn moeder geweest had kunnen zijn. Jammer genoeg leeft ze niet meer, maar ik zou hier ook alles voor doen.
Aangekomen bij het verzorgingstehuis blijkt het arme vrouwtje naar het toilet te zijn gegaan en daar in gevallen te zijn. De WC bril staat op dat moment omhoog. Het oude uitgemergelde besje zit dwars op het toilet met haar heupen klem onder de rand van de toiletpot en kermt van de pijn.
Discreet leg ik een handdoek over haar blote benen heen. Louis probeert haar voorzichtig op te tillen, terwijl ik haar probeer een slag te draaien, maar het lukt voor geen meter. Ik vraag de medewerker om een fles afwasmiddel en smeer haar heupen daarmee in, in de hoop dat dit als een soort glijmiddel werkt. Maar dit helpt helaas ook niet.
Het duurt me allemaal veel te lang en daarbij moet ik zeggen dat je het behoorlijk benauwd krijgt van met z’n tweeën werken in een klein kamertje met bijbehorende luchten. Ik zeg tegen Louis dat ik een radicale oplossing heb en zo terugkom.
Uit de gereedschapskist van onze surveillancebus haal ik een hamer, een grote schroevendraaier en twee veiligheidsbrillen en haast me terug. Ik zie nog de gezichten van Louis en de medewerkers van het verzorgingstehuis, als ik met een veiligheidsbril op mijn neus terugkom. Wat gaat hij in vredesnaam doen? Ik vraag een deken aan de medewerkers die ik, met nog steeds vragende ogen, aangereikt krijg. Ik vertel hen dat ik de toiletpot aan één kant kapot ga slaan. De medewerker probeert het oude vrouwtje gerust te stellen. Zij zegt dat de hamer haar niet zal raken en de politie haar echt geen pijn zal doen. Eén van de medewerkers geef ik de andere veiligheidsbril en ik verzoek haar de deken als een scherm omhoog te houden ter bescherming van eventuele splinters. Louis ondersteunt de oude vrouw met beide armen en kruipt achter de deken weg. Ik vang nog even een glimp op van zijn misprijzende blik op zijn gezicht. Ik lig in een deuk als ik zijn gezicht achter de deken zie verdwijnen.
Met een paar ferme tikken op de schroevendraaier sla ik op een aantal punten het keramiek kapot om te zorgen dat ik met de hamer niet gelijk de hele pot aan gruzelementen sla.
Dan geef ik een grote klap aan de binnenkant van de pot. Een grote hap springt van de toiletpot af en het vrouwtje is bevrijdt. Louis tilt haar omhoog en loopt de kamer in en legt haar op bed.
We worden hartelijk bedankt door de medewerkers voor de hulp, maar ook grappend voor de vernieling van de toiletpot.
Als we in de auto stappen kijken we elkaar aan en barsten in lachen uit. Louis vertelt het Spaans benauwd gehad te hebben achter de deken, vooral door de warmte en de geuren. Hij had al diep respect voor het verzorgend personeel, maar nu helemaal. Hij weet vanaf nu zeker dat hij nooit in een verzorgingstehuis zou gaan werken.
In de zorg verbaas (en verwonder) ik me soms hoe de bezetting is in ‘huizen’. Dikwijls 's nachts met twee medewerkers, die het vuur uit de sloffen lopen, voor de zorg van een heel huis. Als er dan ook nog meer incidenten zijn, kunnen ze een langdurig incident zeker niet behappen en wordt de politie erbij geroepen.
De centralist van de meldkamer wordt gebeld door een medewerker van een groot verzorgingstehuis met het verzoek om hulp. Ze kunnen een bewoonster van in de tachtig jaar niet meer van het toilet krijgen. Ze is in de toiletpot gevallen en zit muurvast. Ook met hulp van de andere medewerker lukt dit niet. Daar komt nog bij dat er een aantal bewoners zijn die snel zorg nodig hebben, dus de nood is hoog. De medewerkers van het verzorgingstehuis kunnen niet net als bij ons ‘even’ om assistentie vragen.
Wij krijgen de melding en ik kijk mijn collega Louis aan. Dat hebben wij weer, moeten twee mannen gaan sjorren aan een oude vrouw.
Maar in dit soort gevallen bedenk ik me dat het wel mijn moeder geweest had kunnen zijn. Jammer genoeg leeft ze niet meer, maar ik zou hier ook alles voor doen.
Aangekomen bij het verzorgingstehuis blijkt het arme vrouwtje naar het toilet te zijn gegaan en daar in gevallen te zijn. De WC bril staat op dat moment omhoog. Het oude uitgemergelde besje zit dwars op het toilet met haar heupen klem onder de rand van de toiletpot en kermt van de pijn.
Discreet leg ik een handdoek over haar blote benen heen. Louis probeert haar voorzichtig op te tillen, terwijl ik haar probeer een slag te draaien, maar het lukt voor geen meter. Ik vraag de medewerker om een fles afwasmiddel en smeer haar heupen daarmee in, in de hoop dat dit als een soort glijmiddel werkt. Maar dit helpt helaas ook niet.
Het duurt me allemaal veel te lang en daarbij moet ik zeggen dat je het behoorlijk benauwd krijgt van met z’n tweeën werken in een klein kamertje met bijbehorende luchten. Ik zeg tegen Louis dat ik een radicale oplossing heb en zo terugkom.
Uit de gereedschapskist van onze surveillancebus haal ik een hamer, een grote schroevendraaier en twee veiligheidsbrillen en haast me terug. Ik zie nog de gezichten van Louis en de medewerkers van het verzorgingstehuis, als ik met een veiligheidsbril op mijn neus terugkom. Wat gaat hij in vredesnaam doen? Ik vraag een deken aan de medewerkers die ik, met nog steeds vragende ogen, aangereikt krijg. Ik vertel hen dat ik de toiletpot aan één kant kapot ga slaan. De medewerker probeert het oude vrouwtje gerust te stellen. Zij zegt dat de hamer haar niet zal raken en de politie haar echt geen pijn zal doen. Eén van de medewerkers geef ik de andere veiligheidsbril en ik verzoek haar de deken als een scherm omhoog te houden ter bescherming van eventuele splinters. Louis ondersteunt de oude vrouw met beide armen en kruipt achter de deken weg. Ik vang nog even een glimp op van zijn misprijzende blik op zijn gezicht. Ik lig in een deuk als ik zijn gezicht achter de deken zie verdwijnen.
Met een paar ferme tikken op de schroevendraaier sla ik op een aantal punten het keramiek kapot om te zorgen dat ik met de hamer niet gelijk de hele pot aan gruzelementen sla.
Dan geef ik een grote klap aan de binnenkant van de pot. Een grote hap springt van de toiletpot af en het vrouwtje is bevrijdt. Louis tilt haar omhoog en loopt de kamer in en legt haar op bed.
We worden hartelijk bedankt door de medewerkers voor de hulp, maar ook grappend voor de vernieling van de toiletpot.
Als we in de auto stappen kijken we elkaar aan en barsten in lachen uit. Louis vertelt het Spaans benauwd gehad te hebben achter de deken, vooral door de warmte en de geuren. Hij had al diep respect voor het verzorgend personeel, maar nu helemaal. Hij weet vanaf nu zeker dat hij nooit in een verzorgingstehuis zou gaan werken.
maandag 25 mei 2015
Horen, zien en …..ruiken
De impact die bepaalde meldingen op hulpverleners hebben kan heel
groot zijn. Zo groot zelfs dat je bepaalde geluiden, beelden en geuren nooit
meer vergeet en bij een volgend treffen direct associeert met een incident. Dit
geldt ook zeker voor militairen die tijdens hun uitzending heftige situaties
hebben meegemaakt. Vergeet niet dat al dit soort situaties opgeslagen worden in
de hersenen en dat je deze simpelweg niet kunt deleten.
Er mee om leren gaan, heet dat. Of niet…
Wij krijgen een melding van een beknelling waarbij een man bekneld zou zitten tussen de bewegende delen van een hydraulisch apparaat. Alle hulptroepen zijn aanrijdend en de traumaheli vliegt ook. Henk en ik komen als eerste ter plaatse en treffen een chaotische situatie aan. De werknemers van het bedrijf proberen met een grote heftruck hun collega tussen het apparaat vandaan te krijgen. Als we kijken zien we dat de man geen schijn van kans heeft gehad, hij is geplet tussen de delen van het apparaat en hulp komt te laat. De brandweer komt ter plaatse, samen met de werknemers en met behulp van groot materieel krijgen ze de man er tussen vandaan. Het eerste wat ik zie is dat er onder het gevaarte een grote plas olie ligt vermengd met bloed.
De olie is kokend heet geworden door een te hoog opgevoerde druk en de lucht verspreid zich onder de hulpverleners. Ik krijg te horen dat een slang van de hydraulische pomp gesprongen is en de straal van 200 bar hydrauliekolie de man geraakt heeft in het gezicht, vervolgens zijn de delen van het apparaat met een grote klap in elkaar gezakt.
De collega’s van de ambulance kunnen niets meer doen en de opgeroepen uitvaartondernemer haalt de man weg van de plaats van het ongeval. Uit zijn binnenzak halen we een portemonnee en zijn legitimatiebewijs. Op beide handen van het slachtoffer zie ik, tussen zijn duim en wijsvinger, een tatoeage die “Schijt aan politie, justitie en de wetgeving” als betekenis heeft.
Henk en ik besluiten om zo snel mogelijk de vriendin van het slachtoffer in kennis te stellen en rijden naar haar adres. In de auto ruiken we allebei de geur van hydrauliekolie die aan onze schoenen zit. Bij het huis van het slachtoffer treffen we zijn vriendin, wij brengen haar het slechte nieuws en vragen of ze mee wil gaan naar het mortuarium voor confrontatie met als doel haar vriend te herkennen. Echter, we hebben een groot probleem: het gezicht van het slachtoffer is onherkenbaar vanwege de enorme klap, dus we kunnen maar een gedeelte van zijn lichaam laten zien.
Haar vriend ligt opgebaard op een speciale tafel en alleen zijn onderlichaam is nog intact. Het eerste wat ze stamelt als we binnenkomen is dat het verschrikkelijk stinkt en ze het raar vindt dat er een laken over zijn hoofd ligt. De vriendin herkent haar vriend aan een ring en de tatoeages die hij op zijn handen en onderarmen heeft staan. Ik leg haar uit dat haar vriend geraakt is door een straal olie op zijn hoofd en het daarom beter is dat ze zijn hoofd niet ziet, maar ze smeekt of ze hem helemaal mag zien. Ze wil hem nog een kus geven. Verbijsterd kijken Henk en ik elkaar aan, immers, als we dit toestaan dan krijgen we een vreselijk tafereel.
De uitvaartverzorger neemt het woord over en praat als brugman om de vrouw ervan te weerhouden het laken, dat over zijn hoofd zit, vandaan te trekken. Hij legt uit dat hij zijn uiterste best gaat doen om het hoofd te reconstrueren, maar dat het beeld van de huidige situatie nooit meer van haar netvlies weg zal gaan. Tot onze grote opluchting knikt ze instemmend. We brengen haar naar haar huis, daar praten we nog even na.
De dagen erna hebben we goed contact met de vrouw. Ze is ontzettend blij dat we haar goed hebben geholpen en ze vertelt ons dat de uitvaartverzorger het hoofd van haar vriend weer aardig mooi heeft gekregen. Ze vraagt of we op de uitvaart willen komen, wat we doen. Tijdens de uitvaart wordt er een oude “hit” gedraaid, oorverdovend hard. Na de dienst bedankt ze ons voor onze komst en nemen we afscheid.
Het is al jaren geleden, maar elke keer als ik dezelfde tatoeages zie of als ik die oude “hit” op de radio hoor dan word ik weer herinnerd aan het incident. Zo ook pas geleden: ik rook, nadat ik hydraulische slangen bij een landbouw tractor losgekoppeld had, geur van hydrauliekolie die weglekte. Afijn, zo zijn er nog tal van “dingen” die bepaalde herinneringen oproepen aan een incident.
Ik weet zeker dat ook hulpverleners en veteranen deze associaties hebben. Vergeten doe je het nooit, soms kan zoiets bij iemand spanning geven en heftige emoties oproepen.
Volgende blog 8/6
Er mee om leren gaan, heet dat. Of niet…
Wij krijgen een melding van een beknelling waarbij een man bekneld zou zitten tussen de bewegende delen van een hydraulisch apparaat. Alle hulptroepen zijn aanrijdend en de traumaheli vliegt ook. Henk en ik komen als eerste ter plaatse en treffen een chaotische situatie aan. De werknemers van het bedrijf proberen met een grote heftruck hun collega tussen het apparaat vandaan te krijgen. Als we kijken zien we dat de man geen schijn van kans heeft gehad, hij is geplet tussen de delen van het apparaat en hulp komt te laat. De brandweer komt ter plaatse, samen met de werknemers en met behulp van groot materieel krijgen ze de man er tussen vandaan. Het eerste wat ik zie is dat er onder het gevaarte een grote plas olie ligt vermengd met bloed.
De olie is kokend heet geworden door een te hoog opgevoerde druk en de lucht verspreid zich onder de hulpverleners. Ik krijg te horen dat een slang van de hydraulische pomp gesprongen is en de straal van 200 bar hydrauliekolie de man geraakt heeft in het gezicht, vervolgens zijn de delen van het apparaat met een grote klap in elkaar gezakt.
De collega’s van de ambulance kunnen niets meer doen en de opgeroepen uitvaartondernemer haalt de man weg van de plaats van het ongeval. Uit zijn binnenzak halen we een portemonnee en zijn legitimatiebewijs. Op beide handen van het slachtoffer zie ik, tussen zijn duim en wijsvinger, een tatoeage die “Schijt aan politie, justitie en de wetgeving” als betekenis heeft.
Henk en ik besluiten om zo snel mogelijk de vriendin van het slachtoffer in kennis te stellen en rijden naar haar adres. In de auto ruiken we allebei de geur van hydrauliekolie die aan onze schoenen zit. Bij het huis van het slachtoffer treffen we zijn vriendin, wij brengen haar het slechte nieuws en vragen of ze mee wil gaan naar het mortuarium voor confrontatie met als doel haar vriend te herkennen. Echter, we hebben een groot probleem: het gezicht van het slachtoffer is onherkenbaar vanwege de enorme klap, dus we kunnen maar een gedeelte van zijn lichaam laten zien.
Haar vriend ligt opgebaard op een speciale tafel en alleen zijn onderlichaam is nog intact. Het eerste wat ze stamelt als we binnenkomen is dat het verschrikkelijk stinkt en ze het raar vindt dat er een laken over zijn hoofd ligt. De vriendin herkent haar vriend aan een ring en de tatoeages die hij op zijn handen en onderarmen heeft staan. Ik leg haar uit dat haar vriend geraakt is door een straal olie op zijn hoofd en het daarom beter is dat ze zijn hoofd niet ziet, maar ze smeekt of ze hem helemaal mag zien. Ze wil hem nog een kus geven. Verbijsterd kijken Henk en ik elkaar aan, immers, als we dit toestaan dan krijgen we een vreselijk tafereel.
De uitvaartverzorger neemt het woord over en praat als brugman om de vrouw ervan te weerhouden het laken, dat over zijn hoofd zit, vandaan te trekken. Hij legt uit dat hij zijn uiterste best gaat doen om het hoofd te reconstrueren, maar dat het beeld van de huidige situatie nooit meer van haar netvlies weg zal gaan. Tot onze grote opluchting knikt ze instemmend. We brengen haar naar haar huis, daar praten we nog even na.
De dagen erna hebben we goed contact met de vrouw. Ze is ontzettend blij dat we haar goed hebben geholpen en ze vertelt ons dat de uitvaartverzorger het hoofd van haar vriend weer aardig mooi heeft gekregen. Ze vraagt of we op de uitvaart willen komen, wat we doen. Tijdens de uitvaart wordt er een oude “hit” gedraaid, oorverdovend hard. Na de dienst bedankt ze ons voor onze komst en nemen we afscheid.
Het is al jaren geleden, maar elke keer als ik dezelfde tatoeages zie of als ik die oude “hit” op de radio hoor dan word ik weer herinnerd aan het incident. Zo ook pas geleden: ik rook, nadat ik hydraulische slangen bij een landbouw tractor losgekoppeld had, geur van hydrauliekolie die weglekte. Afijn, zo zijn er nog tal van “dingen” die bepaalde herinneringen oproepen aan een incident.
Ik weet zeker dat ook hulpverleners en veteranen deze associaties hebben. Vergeten doe je het nooit, soms kan zoiets bij iemand spanning geven en heftige emoties oproepen.
Volgende blog 8/6
maandag 11 mei 2015
Babyreanimatie
Politiewerk is teamsport. Binnen korte tijd moet er
gehandeld worden. Onder druk presteren hulpverleners het beste. Op de momenten
waar het er toe doet, wordt je door de spanning en de adrenaline scherp. Je
moet op elkaar kunnen vertrouwen en omgaan met emoties als incidenten niet
aflopen, zoals je het had gewenst. Hier hoort met elkaar lachen, huilen en soms
ook mopperen zeker bij. Maar na een "geslaagde klus" is er vaak een
kinderlijke jubelstemming. Niets menselijks is ons vreemd. Op het moment dat
een "klus" spannend wordt, gaan wij als collega’s onderling naar een
hogere versnelling. Dit uit zich ook in de manier waarop wij op zo een moment
met elkaar praten: kort, zakelijk en informatief communiceren. En dat dekt de
lading volledig. Een impressie van de onderlinge communicatie, stress,
blijdschap en vermoeidheid van hulpverleners.
Ik zit deze dienst samen met Paul, een avonddienst waar we ons samen op verheugen. Het mooie van ons als koppel is dat we vaak onderling aan een half woord genoeg hebben. Grappend zegt Paul dat hij vandaag graag een blog-waardige dienst met mij wil hebben.
We schuiven de borden in de vaatwasser en denken nog even na te genieten met een bak koffie. Dan krijgen we een melding van een verstikking van een baby van acht dagen oud. Met een volle maag van de avondmaaltijd springen we in de auto. Maar het juiste adres hebben we niet verstaan. Het liefst zou ik vol gas willen geven vanaf het politiebureau, maar welke kant moet ik op? Anita, de centralist van de meldkamer vertelt ons het protocol, hoe medisch te handelen ter plaatse. We kunnen niet zenden zolang de centralist de lijn niet vrijgeeft. De seconden tikken voorbij… Ik snauw tegen Paul of hij de locatie al weet. Paul kijkt me vlammend aan met ogen, zo van: "Wat denk je zelf Piet, zou ik je deze informatie onthouden?". Hij vraagt mij vast naar de kruising te rijden zodat we alle kanten op kunnen. Op de kruising horen we de locatie van het incident, wat nog geen 400 meter bij ons vandaan is.
Binnen de minuut zijn we ter plaatse en rennen naar de voordeur van de woning toe die open staat. Binnen treffen we de vader en moeder aan, de vader staat met de kleine hummel in zijn armen. Onmiddellijk gris ik de baby uit zijn armen en leg het met de buik op mijn linkerarm. Het geleerde vanuit de remanimatiecursus staat mij glashelder voor ogen. Nu kan ik u vertellen dat je eindeloos kan oefenen met een pop, maar dit in het echt toch wel heel anders is. De mond en neus van de baby zitten vol met melk en het lichaampje is bewegingloos. Inmiddels zijn collega’s Kim en Izak ook gearriveerd om ons te helpen. Izak krijgt de mobiele telefoon van de vrouw in zijn handen geduwd. Izak hoort een centralist van de meldkamer ambulance aan de andere kant van de lijn, die instructies geeft over wat we moeten doen. De ambulance is ook onderweg en zou binnen 5 minuten ter plaatse zijn. De tijd dringt.
We moeten onmiddellijk de mond en neus van het meisje leegmaken. Ik hoor Kim vragen aan de ouders of ze mogelijk zo’n uitzuig-dingetje hebben, maar door een taalbarrière snappen ze hier niks van. In een flits zie ik een spuugdoekje liggen en snauw tegen Kim dat ze het doekje moet pakken. Ze pakt het doekje en begint vervolgens voorzichtig te vegen. Wederom snauw ik naar Kim dat ze iets rigoureuzer te werk moet gaan om de ademweg zo snel mogelijk vrij te krijgen. Met de vingers en het doekje halen we veel slijm en melk uit het mondje en maken we de ademweg vrij. Het beschrijvend typen hiervan duurt langer dan alles bij elkaar in werkelijkheid. Kortom: de druk was groot. Het snauwen gebeurt niet vanuit woede of afgunst, nee, zoiets gebeurt dankzij de adrenaline die door je lijf giert. Zonder de negatieve lading van snauwen, maar de kracht daarvan om supersnel zaken te kunnen doen. Paul vraagt Izak om de mobiele telefoon op de luidsprekerfunctie te zetten, zodat wij allemaal mee kunnen luisteren naar de instructies.
Iedereen in de kleine woonkamer loopt, praat of roept, en de mobiele telefoon tettert. Rommelig. Dat is begrijpelijk, maar niet werkbaar. Met een duidelijk:"Kappen! Nu eerst allemaal zwijgen en luisteren naar haar!" wijst Paul ondertussen naar de mobiele telefoon die hij overgenomen heeft van Izak. Want rust kan je redden… Het is 2 seconden stil… Precies genoeg om onszelf even uit de tunnelvisie-koker te krijgen. Met volle aandacht luisteren wij naar de centralist van de ambulance en volgen haar instructies op. Ik draai het meisje en begin met masseren. Paul trekt de sokjes uit en met één hand aan de telefoon begint hij met zijn andere hand op de onderkant van de voetjes de zenuwbanen te prikkelen. Er moet vastgesteld worden of de hummel uit reflex nog haar beentjes intrekt. Gelukkig doet ze dat, maar veel zwakker dan wij zelf als vaders uit ervaring herkennen. Koortsachtig blijft de centralist instructies geven en vraagt naar onze bevindingen, omdat ze er zelf natuurlijk geen beeld bij heeft.
Nog geen minuut later komt het kleine mensje tot leven. Dan staan er vier volwassen mensen als kleine kinderen te kraaien tegen de kleine hummel... We moedigen haar aan om te gaan huilen, wat ook door de centralist van de ambulance geadviseerd wordt. Heel zachtjes begint het meisje te huilen en verheerlijkt staan we naar haar te kijken. We horen de collega’s van de ambulance arriveren die door Izak direct naar het kindje worden begeleidt. Ze nemen het kindje direct van ons over en brengen haar met spoed over naar het Sophia kinderziekenhuis. Vanwege de grote spoed is er geen tijd meer om de ouders mee te laten gaan. Paul blokkeert de kruising nog even zodat de ambulance ongehinderd de doorgaande weg naar het ziekenhuis op stormt en dat in een tijdsbestek van nog geen tien minuten.
We gaan terug naar de ouders. Verslagen zijn ze bij Kim en Izak op het woonadres achtergebleven. Kim en Izak nemen ze mee naar het ziekenhuis en blijven nog urenlang bij hen. Paul en ik gaan stoom afblazen op het bureau. Ik heb het gevoel dat ik tien kilometer heb hardgelopen en heb behoorlijk last van maagzuur dat oprispt. We kijken elkaar aan en hebben allebei een grote grijns op ons gezicht. Als Kim en Izak later op het bureau aankomen hebben ze geweldig nieuws. Ze hebben de kinderarts gesproken: hij wilde ons vieren een groot compliment geven, want het meisje komt er weer helemaal bovenop dankzij ons snelle optreden.
Als we nog napraten vragen we ons af hoe de vader en moeder tegen ons aangekeken hebben tijdens onze handelingen. We commanderen elkaar, net alsof we elkaar elk moment in de haren kunnen vliegen. Kort nadat het meisje weer zelfstandig begint te ademen staan we met z’n vieren met kinderlijke stem te kraaien: "Kom op meisje, doe maar huilen!" In de hoop dat ze alsjeblieft haar longen vol lucht gaat zuigen en gaat huilen. Aparte gasten, die hulpverleners. Geen poespas in de communicatie, zeggen wat nodig is. We hebben hier achteraf ontzettend om moeten lachen. Wat een mooie dienst was dit!
Piet Kats
(volgende blog 25/05)
Ik zit deze dienst samen met Paul, een avonddienst waar we ons samen op verheugen. Het mooie van ons als koppel is dat we vaak onderling aan een half woord genoeg hebben. Grappend zegt Paul dat hij vandaag graag een blog-waardige dienst met mij wil hebben.
We schuiven de borden in de vaatwasser en denken nog even na te genieten met een bak koffie. Dan krijgen we een melding van een verstikking van een baby van acht dagen oud. Met een volle maag van de avondmaaltijd springen we in de auto. Maar het juiste adres hebben we niet verstaan. Het liefst zou ik vol gas willen geven vanaf het politiebureau, maar welke kant moet ik op? Anita, de centralist van de meldkamer vertelt ons het protocol, hoe medisch te handelen ter plaatse. We kunnen niet zenden zolang de centralist de lijn niet vrijgeeft. De seconden tikken voorbij… Ik snauw tegen Paul of hij de locatie al weet. Paul kijkt me vlammend aan met ogen, zo van: "Wat denk je zelf Piet, zou ik je deze informatie onthouden?". Hij vraagt mij vast naar de kruising te rijden zodat we alle kanten op kunnen. Op de kruising horen we de locatie van het incident, wat nog geen 400 meter bij ons vandaan is.
Binnen de minuut zijn we ter plaatse en rennen naar de voordeur van de woning toe die open staat. Binnen treffen we de vader en moeder aan, de vader staat met de kleine hummel in zijn armen. Onmiddellijk gris ik de baby uit zijn armen en leg het met de buik op mijn linkerarm. Het geleerde vanuit de remanimatiecursus staat mij glashelder voor ogen. Nu kan ik u vertellen dat je eindeloos kan oefenen met een pop, maar dit in het echt toch wel heel anders is. De mond en neus van de baby zitten vol met melk en het lichaampje is bewegingloos. Inmiddels zijn collega’s Kim en Izak ook gearriveerd om ons te helpen. Izak krijgt de mobiele telefoon van de vrouw in zijn handen geduwd. Izak hoort een centralist van de meldkamer ambulance aan de andere kant van de lijn, die instructies geeft over wat we moeten doen. De ambulance is ook onderweg en zou binnen 5 minuten ter plaatse zijn. De tijd dringt.
We moeten onmiddellijk de mond en neus van het meisje leegmaken. Ik hoor Kim vragen aan de ouders of ze mogelijk zo’n uitzuig-dingetje hebben, maar door een taalbarrière snappen ze hier niks van. In een flits zie ik een spuugdoekje liggen en snauw tegen Kim dat ze het doekje moet pakken. Ze pakt het doekje en begint vervolgens voorzichtig te vegen. Wederom snauw ik naar Kim dat ze iets rigoureuzer te werk moet gaan om de ademweg zo snel mogelijk vrij te krijgen. Met de vingers en het doekje halen we veel slijm en melk uit het mondje en maken we de ademweg vrij. Het beschrijvend typen hiervan duurt langer dan alles bij elkaar in werkelijkheid. Kortom: de druk was groot. Het snauwen gebeurt niet vanuit woede of afgunst, nee, zoiets gebeurt dankzij de adrenaline die door je lijf giert. Zonder de negatieve lading van snauwen, maar de kracht daarvan om supersnel zaken te kunnen doen. Paul vraagt Izak om de mobiele telefoon op de luidsprekerfunctie te zetten, zodat wij allemaal mee kunnen luisteren naar de instructies.
Iedereen in de kleine woonkamer loopt, praat of roept, en de mobiele telefoon tettert. Rommelig. Dat is begrijpelijk, maar niet werkbaar. Met een duidelijk:"Kappen! Nu eerst allemaal zwijgen en luisteren naar haar!" wijst Paul ondertussen naar de mobiele telefoon die hij overgenomen heeft van Izak. Want rust kan je redden… Het is 2 seconden stil… Precies genoeg om onszelf even uit de tunnelvisie-koker te krijgen. Met volle aandacht luisteren wij naar de centralist van de ambulance en volgen haar instructies op. Ik draai het meisje en begin met masseren. Paul trekt de sokjes uit en met één hand aan de telefoon begint hij met zijn andere hand op de onderkant van de voetjes de zenuwbanen te prikkelen. Er moet vastgesteld worden of de hummel uit reflex nog haar beentjes intrekt. Gelukkig doet ze dat, maar veel zwakker dan wij zelf als vaders uit ervaring herkennen. Koortsachtig blijft de centralist instructies geven en vraagt naar onze bevindingen, omdat ze er zelf natuurlijk geen beeld bij heeft.
Nog geen minuut later komt het kleine mensje tot leven. Dan staan er vier volwassen mensen als kleine kinderen te kraaien tegen de kleine hummel... We moedigen haar aan om te gaan huilen, wat ook door de centralist van de ambulance geadviseerd wordt. Heel zachtjes begint het meisje te huilen en verheerlijkt staan we naar haar te kijken. We horen de collega’s van de ambulance arriveren die door Izak direct naar het kindje worden begeleidt. Ze nemen het kindje direct van ons over en brengen haar met spoed over naar het Sophia kinderziekenhuis. Vanwege de grote spoed is er geen tijd meer om de ouders mee te laten gaan. Paul blokkeert de kruising nog even zodat de ambulance ongehinderd de doorgaande weg naar het ziekenhuis op stormt en dat in een tijdsbestek van nog geen tien minuten.
We gaan terug naar de ouders. Verslagen zijn ze bij Kim en Izak op het woonadres achtergebleven. Kim en Izak nemen ze mee naar het ziekenhuis en blijven nog urenlang bij hen. Paul en ik gaan stoom afblazen op het bureau. Ik heb het gevoel dat ik tien kilometer heb hardgelopen en heb behoorlijk last van maagzuur dat oprispt. We kijken elkaar aan en hebben allebei een grote grijns op ons gezicht. Als Kim en Izak later op het bureau aankomen hebben ze geweldig nieuws. Ze hebben de kinderarts gesproken: hij wilde ons vieren een groot compliment geven, want het meisje komt er weer helemaal bovenop dankzij ons snelle optreden.
Als we nog napraten vragen we ons af hoe de vader en moeder tegen ons aangekeken hebben tijdens onze handelingen. We commanderen elkaar, net alsof we elkaar elk moment in de haren kunnen vliegen. Kort nadat het meisje weer zelfstandig begint te ademen staan we met z’n vieren met kinderlijke stem te kraaien: "Kom op meisje, doe maar huilen!" In de hoop dat ze alsjeblieft haar longen vol lucht gaat zuigen en gaat huilen. Aparte gasten, die hulpverleners. Geen poespas in de communicatie, zeggen wat nodig is. We hebben hier achteraf ontzettend om moeten lachen. Wat een mooie dienst was dit!
Piet Kats
(volgende blog 25/05)
maandag 27 april 2015
Zündapp-veteraan
Soms zijn er van die momenten waar je vaker aan terugdenkt. Ook vandaag op Koningsdag word ik daar – net als voorheen op elke Koninginnedag – weer aan herinnerd. Aan die keer dat ik mijn eigen ploegmaten met lange wapenstokken dreigend op me af zag komen.
Het is Koninginnedag, van oudsher een dag van spelletjes en plezier, maar ook de luilakviering in mijn regio. Jongelui rijden dan met brommers zonder uitlaten door de woonwijken in de vroege uurtjes. Ook ik reed in mijn jonge jaren als brommerfanaat op deze dag elk jaar mee met mijn Zündapp zonder uitlaat, streng in de gaten gehouden door de dienders van het toenmalige korps Rijkspolitie in ons dorp. Van 06.00 tot 08.00 uur mochten we elk jaar op deze dag herrie maken, wat niet door alle dorpsbewoners gewaardeerd werd.
Het is Koninginnedag, van oudsher een dag van spelletjes en plezier, maar ook de luilakviering in mijn regio. Jongelui rijden dan met brommers zonder uitlaten door de woonwijken in de vroege uurtjes. Ook ik reed in mijn jonge jaren als brommerfanaat op deze dag elk jaar mee met mijn Zündapp zonder uitlaat, streng in de gaten gehouden door de dienders van het toenmalige korps Rijkspolitie in ons dorp. Van 06.00 tot 08.00 uur mochten we elk jaar op deze dag herrie maken, wat niet door alle dorpsbewoners gewaardeerd werd.
Na 08.00 uur werden de uitlaten weer aan de brommers gemonteerd en reden de Zündapps in optocht naar het Stieltjesplein in Rotterdam, waar tot op de dag van vandaag een Zündapp-meeting wordt gehouden. Na de meeting vertrekken honderden Zündapps vervolgens in colonne naar Scheveningen. En dat gaat niet altijd even keurig. Elk jaar gebeuren er zoveel incidenten dat de politie ons al eens halverwege heeft opgewacht. We reden toen een fuik in en het leek wel oorlog. Met getrokken wapenstokken werden de voorsten in de rij teruggedreven en er vielen flinke klappen. Ik ben nu nog altijd blij dat ik weg kon komen. Ik ben daarna nooit meer naar Scheveningen gegaan op de brommer.
Dit jaar vier ik luilak als veteraan op bed, maar ik probeer wel net als elk jaar trouw naar de Zündappmeeting te gaan. Ik ben nog steeds de gelukkige bezitter van een aantal gerestaureerde Zündapps. Als ik vanuit het dorp richting het Stieltjesplein vertrek, sluiten zo’n 20 Zündapp-rijders zich bij mij aan. Het is weer een drukte van jewelste. Het valt me op dat de gemiddelde leeftijd van de bezoekers minstens zo snel gestegen is als die van de Zündapps. Net als ik, allemaal veteranen dus. Het verschil is dat de meeste veteranen hun wilde haren verloren hebben, op een enkeling na.
Als we op het Stieltjesplein arriveren, wordt een van de rijders, nogal een opgewonden standje, op zijn gedrag aangesproken door een ijverige diender met een student. In mijn ogen volledig terecht. Ik zie vervolgens dat de kornuiten van het opgewonden standje om de collega’s heen gaan staan en zich ermee bemoeien. Mijn hartslag gaat omhoog. Als dit maar niet uit de hand loopt. Ik wring me door de menigte heen om dichterbij te komen.
Ik hoor dat de collega het identiteitsbewijs van de man vordert, maar dat weigert hij te geven. Als de collega hem vervolgens beetpakt om hem aan te houden, wordt het grimmiger. De kornuiten van de man belagen de collega. Ik aarzel geen moment. Ik bel meteen de meldkamer en verzoek om assistentie. Ondanks het rumoer, kan ik gelukkig in de buurt blijven. Ik kan zo zicht houden op de situatie en de centralist van de meldkamer op de hoogte houden van wat er gebeurt.
Het duurt niet lang of van alle kanten komen politieauto’s aangereden. Collega’s met lange wapenstokken springen er uit en komend dreigens onze kant op. Mijn eigen ploeg heeft dienst. Het is een rare gewaarwording als je je eigen collega’s met lange wapenstokken dreigend op je af ziet komen. Het lukt me gelukkig nog net op tijd om een veilig heenkomen te zoeken. Ik moet er niet aan denken dat ik straks in de hectiek klappen krijg van mijn eigen ploegmaten. De collega van de meldkamer moet lachen om de situatie en als ik er, van een veilig plek, over nadenk, moet ik toegeven dat het ook wel lachwekkend is. Maar ik ben opgelucht als de man snel wordt aangehouden.
Achteraf ben ik blij dat ik niet als jong ventje in deze situatie ben gekomen. Nu 99% van de Zündapp-liefhebbers een veteranenleeftijd bereikt heeft, is de animo om met de politie te vechten of rel te schoppen niet zo groot. Ik denk dat het anders minder goed was afgelopen voor de collega’s. En mogelijk voor mij!
Vandaag ben ik zelf aan het werk. En hopelijk houden alle feestvierders het gezellig, zodat we kunnen genieten van een mooie koningsdag.
Ik hoor dat de collega het identiteitsbewijs van de man vordert, maar dat weigert hij te geven. Als de collega hem vervolgens beetpakt om hem aan te houden, wordt het grimmiger. De kornuiten van de man belagen de collega. Ik aarzel geen moment. Ik bel meteen de meldkamer en verzoek om assistentie. Ondanks het rumoer, kan ik gelukkig in de buurt blijven. Ik kan zo zicht houden op de situatie en de centralist van de meldkamer op de hoogte houden van wat er gebeurt.
Het duurt niet lang of van alle kanten komen politieauto’s aangereden. Collega’s met lange wapenstokken springen er uit en komend dreigens onze kant op. Mijn eigen ploeg heeft dienst. Het is een rare gewaarwording als je je eigen collega’s met lange wapenstokken dreigend op je af ziet komen. Het lukt me gelukkig nog net op tijd om een veilig heenkomen te zoeken. Ik moet er niet aan denken dat ik straks in de hectiek klappen krijg van mijn eigen ploegmaten. De collega van de meldkamer moet lachen om de situatie en als ik er, van een veilig plek, over nadenk, moet ik toegeven dat het ook wel lachwekkend is. Maar ik ben opgelucht als de man snel wordt aangehouden.
Achteraf ben ik blij dat ik niet als jong ventje in deze situatie ben gekomen. Nu 99% van de Zündapp-liefhebbers een veteranenleeftijd bereikt heeft, is de animo om met de politie te vechten of rel te schoppen niet zo groot. Ik denk dat het anders minder goed was afgelopen voor de collega’s. En mogelijk voor mij!
Vandaag ben ik zelf aan het werk. En hopelijk houden alle feestvierders het gezellig, zodat we kunnen genieten van een mooie koningsdag.
maandag 13 april 2015
Als de bliksem…
Een zekere mate van spanning in je werk is belangrijk, dit houdt je scherp. Maar spanning door weersomstandigheden leveren wel eens een heel andere spanning op.
Als jongetje van tien jaar ben ik samen met mijn vader in een kas bezig met plantjes verpoten in potjes als het begint te onweren. De bliksemschichten verlichten de kas en de donderslagen dreunden om ons heen. Ondanks dat ik opper om naar huis te gaan, wil mijn vader toch nog even de boel afmaken. Plotseling is er een heftige flits, direct gevolgd door een enorme donderslag. Van boven uit de boom rolt een bolbliksem naar beneden en het regent takjes op de ruiten van de kas. Het vuur rolt uit, het lijken wel sterretjes. Dan wordt het weer donker in de kas. Ondanks dat zie ik dat mijn vader wit ziet en het moment daarop word ik meegetrokken naar de auto en rijden we naar huis. Sindsdien heb ik een heilig ontzag voor dit weersverschijnsel en probeer dan ook mezelf terug te trekken in de auto of in een gebouw. Maar soms is dit niet mogelijk als het onweer snel komt opzetten en je het niet kan ontwijken.
Ik heb vandaag motorsurveillance op Goeree-Overflakkee en rijd in de polder als boven mij enorme donderwolken zich samenpakken. Ik krijg hetzelfde gevoel als toen en geef automatisch gas bij. Maar waar in de polder kan ik zo snel een schuilplek vinden? Ik besluit om zo snel mogelijk door de bui heen naar het bureau in Middelharnis te rijden en daar even te wachten. Ik voel me toch niet zo lekker op twee wielen in de open polder. Dan begint het te onweren. De bliksemschichten zie ik overal om me heen. Als ik een kruising nader waar op de hoek een paar grote bomen staan, slaat het noodlot toe. Een grote flits, gevolgd door een grote klap en een hoop vuur. De bliksem slaat op 50 meter naast me in een boom. Zoals op de plaatjes van een sprookje een fee met haar toverstaf rondom zich heen met sterretjes strooit, zo lijkt het ook om me heen op de motor. Ik zit er middenin. Ik ruik een walm van zwavel en een schroeilucht. Mijn tellers van mijn motor slaan op hol en de motor valt uit. Wanhopig probeer ik hem om te starten, maar hij weigert dienst. Ik laat de motor uitrollen, maar in mijn hoofd maalt dat ik wel eens onder spanning kan staan. Als de motor uitgerold is moet ik mijn voet wel op de grond zetten. En dan gebeurt er…. niets.
Ik probeer opnieuw te starten en de motor slaat gewoon weer aan. Net of er helemaal niks gebeurd is. Als de gesmeerde bliksem rijd ik weg. Ik laat de BMW boxer brullen en rijd net zolang tot ik ver van de onweerslucht weg ben. Op een parkeerplaats stap ik van mijn motor af en kijk deze na. Geen schroeiplekje te zien. Ik kijk mijn kleding na. Geen schroeiplekje te zien. Mijn handen trillen, ik ben me echt rot geschrokken. Als ik even later weer op de motor stap start deze gewoon weer en rijd ik uiteindelijk terug naar Rotterdam.
Als ik op het bureau vertel wat er gebeurd is beginnen mijn collega’s te lachen en vragen of ik spoken heb gezien. “Jij hebt ook altijd wat vreemds, je hebt teveel spanning!” Ik zucht maar eens diep, dat heb ik weer aan mijn fiets hangen.
Na inspectie door de garage kan men niets bijzonders aan de motor vinden. En tellers die op hol gaan, de bliksem ingeslagen naast je? “Piet” vraagt de monteur, gaat het wel goed met je? “Ja hoor, zeg ik, het gaat prima, maar ik verblijf liever even onder een dak met onweer’’.
Als jongetje van tien jaar ben ik samen met mijn vader in een kas bezig met plantjes verpoten in potjes als het begint te onweren. De bliksemschichten verlichten de kas en de donderslagen dreunden om ons heen. Ondanks dat ik opper om naar huis te gaan, wil mijn vader toch nog even de boel afmaken. Plotseling is er een heftige flits, direct gevolgd door een enorme donderslag. Van boven uit de boom rolt een bolbliksem naar beneden en het regent takjes op de ruiten van de kas. Het vuur rolt uit, het lijken wel sterretjes. Dan wordt het weer donker in de kas. Ondanks dat zie ik dat mijn vader wit ziet en het moment daarop word ik meegetrokken naar de auto en rijden we naar huis. Sindsdien heb ik een heilig ontzag voor dit weersverschijnsel en probeer dan ook mezelf terug te trekken in de auto of in een gebouw. Maar soms is dit niet mogelijk als het onweer snel komt opzetten en je het niet kan ontwijken.
Ik heb vandaag motorsurveillance op Goeree-Overflakkee en rijd in de polder als boven mij enorme donderwolken zich samenpakken. Ik krijg hetzelfde gevoel als toen en geef automatisch gas bij. Maar waar in de polder kan ik zo snel een schuilplek vinden? Ik besluit om zo snel mogelijk door de bui heen naar het bureau in Middelharnis te rijden en daar even te wachten. Ik voel me toch niet zo lekker op twee wielen in de open polder. Dan begint het te onweren. De bliksemschichten zie ik overal om me heen. Als ik een kruising nader waar op de hoek een paar grote bomen staan, slaat het noodlot toe. Een grote flits, gevolgd door een grote klap en een hoop vuur. De bliksem slaat op 50 meter naast me in een boom. Zoals op de plaatjes van een sprookje een fee met haar toverstaf rondom zich heen met sterretjes strooit, zo lijkt het ook om me heen op de motor. Ik zit er middenin. Ik ruik een walm van zwavel en een schroeilucht. Mijn tellers van mijn motor slaan op hol en de motor valt uit. Wanhopig probeer ik hem om te starten, maar hij weigert dienst. Ik laat de motor uitrollen, maar in mijn hoofd maalt dat ik wel eens onder spanning kan staan. Als de motor uitgerold is moet ik mijn voet wel op de grond zetten. En dan gebeurt er…. niets.
Ik probeer opnieuw te starten en de motor slaat gewoon weer aan. Net of er helemaal niks gebeurd is. Als de gesmeerde bliksem rijd ik weg. Ik laat de BMW boxer brullen en rijd net zolang tot ik ver van de onweerslucht weg ben. Op een parkeerplaats stap ik van mijn motor af en kijk deze na. Geen schroeiplekje te zien. Ik kijk mijn kleding na. Geen schroeiplekje te zien. Mijn handen trillen, ik ben me echt rot geschrokken. Als ik even later weer op de motor stap start deze gewoon weer en rijd ik uiteindelijk terug naar Rotterdam.
Als ik op het bureau vertel wat er gebeurd is beginnen mijn collega’s te lachen en vragen of ik spoken heb gezien. “Jij hebt ook altijd wat vreemds, je hebt teveel spanning!” Ik zucht maar eens diep, dat heb ik weer aan mijn fiets hangen.
Na inspectie door de garage kan men niets bijzonders aan de motor vinden. En tellers die op hol gaan, de bliksem ingeslagen naast je? “Piet” vraagt de monteur, gaat het wel goed met je? “Ja hoor, zeg ik, het gaat prima, maar ik verblijf liever even onder een dak met onweer’’.
maandag 30 maart 2015
Al is de leugen nog zo snel….
Doorrijden na een
aanrijding (Verlaten Plaats Ongeval) is helaas nog steeds een veel gepleegd misdrijf.
Het levert een hoop ergernis op bij de burgers, maar ook bij ons als Politie
vanwege de vele kostbare (verloren) onderzoeksuren.
Bert is gezellig bij de ‘tennis’ geweest en rijdt met zijn peperdure SUV over de A weg richting zijn huis in X dorp. In het dagelijks leven is Bert directeur van een grote onderneming en geeft leiding aan ongeveer honderd man personeel. Bert heeft die avond stevig door gedronken, maar besluit toch om in zijn eigen auto naar huis te rijden. Dit terwijl hij volgens mij lantaarnpalen moet zien oversteken. Bij de rotonde gaat het mis en botst hij tegen een auto voor hem. De auto van deze man is zwaar beschadigd en deze heeft gelukkig, op enkele wondjes aan zijn hoofd na, geen letsel. Hij wordt voor de zekerheid toch door de collega’s van de GGD nagekeken, omdat het een behoorlijke klap is geweest. Bert rijdt zonder te stoppen door naar zijn huis.
Tot onze grote vreugde vinden wij de kentekenplaat van Bert, die op een bijzondere wijze om de uitlaat van de auto van het slachtoffer zit. Het kenteken staat op naam van een bedrijf, gevestigd in een groot industriegebied. Wij hebben natuurlijk geen idee wie de bestuurder van de auto is. Het kenteken komt helaas bij ons niet voor in de systemen, dus daar komen we ook niet verder mee. Maar elk groot bedrijf heeft wel een waarschuwingsadres in geval van een inbraak of calamiteit, dus bel ik de meldkamer. Ik krijg het telefoonnummer van een werknemer van het bedrijf en bel deze op.
Quasi vertel ik de werknemer dat ik zijn kentekenplaat heb gevonden. De man reageert nogal verbaasd als ik het kenteken noem en begint te lachen. Hij vertelt dat hij wel zou willen dat dat zijn auto was, maar dat hij die niet kan betalen. Hij vertelt dat dit het kenteken is van de auto van zijn baas, Bert. Ik vertel hem dat het een dure kentekenplaat is, zo’n ding met opgelegde letters en dat zijn baas wel blij zou zijn als ik deze vanavond nog bij hem thuis zou bezorgen. Vanzelfsprekend is de man het hiermee roerend eens. Ik vraag hem het adres van zijn baas, maar jammer genoeg weet de man alleen te vertellen dat zijn baas in X dorp woont in die dure wijk. Wel geeft hij mij het mobiele telefoonnummer op van Bert en enigszins teleurgesteld hang ik de telefoon op.
Maar het woord ‘opgeven’ staat niet in mijn woordenboek, dus alle zoeksystemen worden geraadpleegd. We hebben geluk, Bert wordt met naam en adres vernoemd als secretaris van de tennisclub. Met gezwinde spoed rijden we naar het adres van Bert toe en treffen daar de beschadigde SUV voor de villa van Bert aan, de kentekenplaat ontbreekt aan de voorkant. Helaas is het huis van Bert compleet donker en we hebben ook het idee dat Bert echt niet thuis is. Dit wordt bevestigd door een voorbijganger. Hij vraagt wat we zoeken op het erf en ik vertel dat ik graag de eigenaar van SUV wil spreken, maar dat deze niet thuis lijkt te zijn. De man vertelt dat hij zijn hond aan het uitlaten was en op een gegeven moment een auto ziet komen aanrijden die een schurend en piepend geluid maakt. Hij vertelt dat de SUV, die voor onze neus staat, voorbij kwam rijden met een kapotte koplamp. Als de auto voorbij is ruikt hij een geur van verbrande olie. In combinatie met het schurende en piepend geluid vindt hij dit wel vreemd. Nieuwsgierig kijkt hij de SUV na en ziet dat de bestuurder hem een stuk verderop parkeert op de oprit van een huis. Hij ziet de bestuurder vervolgens naar de voordeur van de woning lopen. Voor de rest zit er niemand in de auto. Hij vertelt dat het lang duurt voordat de man de deur van de woning open krijgt en naar binnen gaat. Kort hierna ziet hij dat de man de voordeur weer uitkomt en met een zaklamp de voorkant en de onderkant van de auto beschijnt. Hierna ziet en hoort hij dat de man aan het bellen is. Hij vertelt dat hij nog even is blijven staan om te kijken wat de man ging doen. Na ongeveer 10 minuten verschijnt er een taxi voor de deur en ziet hij dat de man daarin stapt. Ik vraag hem hoe de man eruit zag en de voorbijganger geeft een goed signalement van de bestuurder. Ik vraag hem ook of hij gezien heeft van wat voor taxibedrijf de taxi was en de man vertelt dat hij gezien heeft dat het een taxi was van Xtax. Ik noteerde de gegevens van de man en bedank hem hartelijk voor zijn hulp.
Maar waar is Bert gebleven? Ik bel de taxicentrale van Xtax op. Ik vertel dat er zo juist een taxi is vertrokken uit de B straat uit X dorp en dat aan boord een mijnheer genaamd Bert zit. Ik vertel dat ik deze man dringend wil spreken vanwege een door hem gepleegd misdrijf, echter zonder dat de taxichauffeur hiervoor opgeroepen dient te worden. Dit om te voorkomen dat Bert de benen zal nemen. De centralist van de taxicentrale vertelt mij dat Bert een taxi genomen heeft naar Breda. Via GPS kan hij zien dat de taxi inmiddels op de autosnelweg rijdt. Die kunnen wij nooit meer inhalen. Ik krijg van hem het kenteken van de taxi en houd hem aan de lijn om de positie door te geven van de taxi. Vervolgens roept mijn collega de meldkamer op voor een politieauto die de taxi kan onderscheppen. Gelukkig blijkt er een politieauto in de buurt te zijn. Na enige minuten hoor ik dat de collega’s in de politieauto de taxi zien rijden op de autosnelweg in de richting van Breda.
Ik bedank de centralist van de taxicentrale en besluit met een vette glimlach om het mobiele telefoonnummer van Bert eens te bellen. Ik krijg Bert aan de lijn en vertel hem dat ik van de Politie ben en dat hij verdacht wordt van het verlaten van een plaats ongeval met een SUV. Bert vertelt dat hij deze avond helemaal niet gereden heeft en dat hij niet weet wie zijn auto beschadigd heeft neergezet op zijn erf. Dat is leuk om te horen, want ik heb het woord ‘erf’ namelijk helemaal niet genoemd. Dat heet met een mooi woord ‘daderwetenschap’. Hij vertelt dat hij alcohol heeft gedronken en zich op dit moment keurig laat rijden door een vriend. Ik vraag hem waar hij dan rijdt met die vriend en Bert vertelt dat hij onderweg is naar zijn vriendin in Utrecht. “Dan zit je wel helemaal verkeerd!” zeg ik tegen hem. “Wat bedoel je?” vraagt Bert. Ik zeg tegen hem: “Je zit nu in een taxi op weg naar Breda, dus dat is toch vreemd!”.
Ik zeg vervolgens tegen Bert dat hij door de achterruit van de taxi moet kijken naar de politiebus die achter hem rijdt op de autosnelweg. Hierna wordt Bert opeens verdacht stil. Ik onderbreek deze stilte en vertel dat hij zo meteen wordt aangehouden voor het verlaten plaats ongeval en ik hem straks wel zie op het politiebureau. Hierna verbreek ik de verbinding met een nog grotere glimlach, wat een leugenaar!
De collega’s houden Bert aan en namen een sterke alcohollucht waar. Bert blaast op het selectieapparaat een F-indicatie (Fail). Dat betekent dat hij behoorlijk gedronken heeft.
Op het bureau blaast Bert hoog van de toren in plaats van op het ademanalyseapparaat. Hij valt me continue in de reden. Hij heeft de beste advocaten tot zijn beschikking en wenst niet mee te werken aan een blaastest. Ik vertel Bert dat ik begrijp dat hij de baas is van een groot bedrijf, verantwoordelijkheid heeft met zo’n groot bedrijf en duidelijk gewend is de orders uit te delen, zonder tegen gesproken te worden. Ik vertel hem dat ik op dit moment degene ben die de orders uitdeelt en dat hij vandaag naar ons moet luisteren, zonder te vertellen hoe we ons werk moeten doen. Verder deel ik hem mede dat als hij zou weigeren om te blazen, hij direct afscheid kan nemen van zijn rijbewijs en de hoogste boete tegemoet kan zien voor weigering. Ik vorder hem om te blazen op het ademanalyseapparaat, waaraan hij toch uiteindelijk meewerkt. Zijn rijbewijs wordt ingevorderd vanwege zijn veel te hoge promillage en hij krijgt een dagvaarding in persoon uitgereikt met de datum van de rechtszitting. Bert ziet af van bijstand tijdens zijn verhoor door een advocaat en vertrekt opnieuw per taxi naar Breda.
Al is de leugen nog zo snel, de politie achterhaalt hem wel.
(Volgende blog 13/04)
Bert is gezellig bij de ‘tennis’ geweest en rijdt met zijn peperdure SUV over de A weg richting zijn huis in X dorp. In het dagelijks leven is Bert directeur van een grote onderneming en geeft leiding aan ongeveer honderd man personeel. Bert heeft die avond stevig door gedronken, maar besluit toch om in zijn eigen auto naar huis te rijden. Dit terwijl hij volgens mij lantaarnpalen moet zien oversteken. Bij de rotonde gaat het mis en botst hij tegen een auto voor hem. De auto van deze man is zwaar beschadigd en deze heeft gelukkig, op enkele wondjes aan zijn hoofd na, geen letsel. Hij wordt voor de zekerheid toch door de collega’s van de GGD nagekeken, omdat het een behoorlijke klap is geweest. Bert rijdt zonder te stoppen door naar zijn huis.
Tot onze grote vreugde vinden wij de kentekenplaat van Bert, die op een bijzondere wijze om de uitlaat van de auto van het slachtoffer zit. Het kenteken staat op naam van een bedrijf, gevestigd in een groot industriegebied. Wij hebben natuurlijk geen idee wie de bestuurder van de auto is. Het kenteken komt helaas bij ons niet voor in de systemen, dus daar komen we ook niet verder mee. Maar elk groot bedrijf heeft wel een waarschuwingsadres in geval van een inbraak of calamiteit, dus bel ik de meldkamer. Ik krijg het telefoonnummer van een werknemer van het bedrijf en bel deze op.
Quasi vertel ik de werknemer dat ik zijn kentekenplaat heb gevonden. De man reageert nogal verbaasd als ik het kenteken noem en begint te lachen. Hij vertelt dat hij wel zou willen dat dat zijn auto was, maar dat hij die niet kan betalen. Hij vertelt dat dit het kenteken is van de auto van zijn baas, Bert. Ik vertel hem dat het een dure kentekenplaat is, zo’n ding met opgelegde letters en dat zijn baas wel blij zou zijn als ik deze vanavond nog bij hem thuis zou bezorgen. Vanzelfsprekend is de man het hiermee roerend eens. Ik vraag hem het adres van zijn baas, maar jammer genoeg weet de man alleen te vertellen dat zijn baas in X dorp woont in die dure wijk. Wel geeft hij mij het mobiele telefoonnummer op van Bert en enigszins teleurgesteld hang ik de telefoon op.
Maar het woord ‘opgeven’ staat niet in mijn woordenboek, dus alle zoeksystemen worden geraadpleegd. We hebben geluk, Bert wordt met naam en adres vernoemd als secretaris van de tennisclub. Met gezwinde spoed rijden we naar het adres van Bert toe en treffen daar de beschadigde SUV voor de villa van Bert aan, de kentekenplaat ontbreekt aan de voorkant. Helaas is het huis van Bert compleet donker en we hebben ook het idee dat Bert echt niet thuis is. Dit wordt bevestigd door een voorbijganger. Hij vraagt wat we zoeken op het erf en ik vertel dat ik graag de eigenaar van SUV wil spreken, maar dat deze niet thuis lijkt te zijn. De man vertelt dat hij zijn hond aan het uitlaten was en op een gegeven moment een auto ziet komen aanrijden die een schurend en piepend geluid maakt. Hij vertelt dat de SUV, die voor onze neus staat, voorbij kwam rijden met een kapotte koplamp. Als de auto voorbij is ruikt hij een geur van verbrande olie. In combinatie met het schurende en piepend geluid vindt hij dit wel vreemd. Nieuwsgierig kijkt hij de SUV na en ziet dat de bestuurder hem een stuk verderop parkeert op de oprit van een huis. Hij ziet de bestuurder vervolgens naar de voordeur van de woning lopen. Voor de rest zit er niemand in de auto. Hij vertelt dat het lang duurt voordat de man de deur van de woning open krijgt en naar binnen gaat. Kort hierna ziet hij dat de man de voordeur weer uitkomt en met een zaklamp de voorkant en de onderkant van de auto beschijnt. Hierna ziet en hoort hij dat de man aan het bellen is. Hij vertelt dat hij nog even is blijven staan om te kijken wat de man ging doen. Na ongeveer 10 minuten verschijnt er een taxi voor de deur en ziet hij dat de man daarin stapt. Ik vraag hem hoe de man eruit zag en de voorbijganger geeft een goed signalement van de bestuurder. Ik vraag hem ook of hij gezien heeft van wat voor taxibedrijf de taxi was en de man vertelt dat hij gezien heeft dat het een taxi was van Xtax. Ik noteerde de gegevens van de man en bedank hem hartelijk voor zijn hulp.
Maar waar is Bert gebleven? Ik bel de taxicentrale van Xtax op. Ik vertel dat er zo juist een taxi is vertrokken uit de B straat uit X dorp en dat aan boord een mijnheer genaamd Bert zit. Ik vertel dat ik deze man dringend wil spreken vanwege een door hem gepleegd misdrijf, echter zonder dat de taxichauffeur hiervoor opgeroepen dient te worden. Dit om te voorkomen dat Bert de benen zal nemen. De centralist van de taxicentrale vertelt mij dat Bert een taxi genomen heeft naar Breda. Via GPS kan hij zien dat de taxi inmiddels op de autosnelweg rijdt. Die kunnen wij nooit meer inhalen. Ik krijg van hem het kenteken van de taxi en houd hem aan de lijn om de positie door te geven van de taxi. Vervolgens roept mijn collega de meldkamer op voor een politieauto die de taxi kan onderscheppen. Gelukkig blijkt er een politieauto in de buurt te zijn. Na enige minuten hoor ik dat de collega’s in de politieauto de taxi zien rijden op de autosnelweg in de richting van Breda.
Ik bedank de centralist van de taxicentrale en besluit met een vette glimlach om het mobiele telefoonnummer van Bert eens te bellen. Ik krijg Bert aan de lijn en vertel hem dat ik van de Politie ben en dat hij verdacht wordt van het verlaten van een plaats ongeval met een SUV. Bert vertelt dat hij deze avond helemaal niet gereden heeft en dat hij niet weet wie zijn auto beschadigd heeft neergezet op zijn erf. Dat is leuk om te horen, want ik heb het woord ‘erf’ namelijk helemaal niet genoemd. Dat heet met een mooi woord ‘daderwetenschap’. Hij vertelt dat hij alcohol heeft gedronken en zich op dit moment keurig laat rijden door een vriend. Ik vraag hem waar hij dan rijdt met die vriend en Bert vertelt dat hij onderweg is naar zijn vriendin in Utrecht. “Dan zit je wel helemaal verkeerd!” zeg ik tegen hem. “Wat bedoel je?” vraagt Bert. Ik zeg tegen hem: “Je zit nu in een taxi op weg naar Breda, dus dat is toch vreemd!”.
Ik zeg vervolgens tegen Bert dat hij door de achterruit van de taxi moet kijken naar de politiebus die achter hem rijdt op de autosnelweg. Hierna wordt Bert opeens verdacht stil. Ik onderbreek deze stilte en vertel dat hij zo meteen wordt aangehouden voor het verlaten plaats ongeval en ik hem straks wel zie op het politiebureau. Hierna verbreek ik de verbinding met een nog grotere glimlach, wat een leugenaar!
De collega’s houden Bert aan en namen een sterke alcohollucht waar. Bert blaast op het selectieapparaat een F-indicatie (Fail). Dat betekent dat hij behoorlijk gedronken heeft.
Op het bureau blaast Bert hoog van de toren in plaats van op het ademanalyseapparaat. Hij valt me continue in de reden. Hij heeft de beste advocaten tot zijn beschikking en wenst niet mee te werken aan een blaastest. Ik vertel Bert dat ik begrijp dat hij de baas is van een groot bedrijf, verantwoordelijkheid heeft met zo’n groot bedrijf en duidelijk gewend is de orders uit te delen, zonder tegen gesproken te worden. Ik vertel hem dat ik op dit moment degene ben die de orders uitdeelt en dat hij vandaag naar ons moet luisteren, zonder te vertellen hoe we ons werk moeten doen. Verder deel ik hem mede dat als hij zou weigeren om te blazen, hij direct afscheid kan nemen van zijn rijbewijs en de hoogste boete tegemoet kan zien voor weigering. Ik vorder hem om te blazen op het ademanalyseapparaat, waaraan hij toch uiteindelijk meewerkt. Zijn rijbewijs wordt ingevorderd vanwege zijn veel te hoge promillage en hij krijgt een dagvaarding in persoon uitgereikt met de datum van de rechtszitting. Bert ziet af van bijstand tijdens zijn verhoor door een advocaat en vertrekt opnieuw per taxi naar Breda.
Al is de leugen nog zo snel, de politie achterhaalt hem wel.
(Volgende blog 13/04)
maandag 16 maart 2015
Politieagent slaat vrouw
Het is net als in een film, je stapt halverwege in en mist een
gedeelte. Je vraagt je dan af wat er allemaal gebeurd is en hoe het zover
gekomen is. Maar dat vraagt men zich niet af als ze mij zien vechten, met een
vrouw…
Een surveillanceauto van ons bureau roept mij als motorrijder op ter assistentie. Ze zien een motorscooter rijden met twee personen erop, een man als bestuurder en een vrouw als passagier. Bij het nakijken van het kenteken blijkt de scooter gestolen te zijn. Als ze de bestuurder een stopteken geven gaat deze er vandoor. Omdat beiden geen helm dragen houden de collega’s afstand om ze niet in gevaar te brengen. Immers bij een achtervolging, waarbij de verdachte en de berijdster ten val zouden komen en ernstig letsel zouden oplopen wordt de politie op het matje geroepen. Als de verdachte een pad inslaat waar een paaltje de politieauto de weg versperd kan de berijdster het niet nalaten haar middelvinger op te steken aan de collega’s. Ze hebben het nakijken.
Als motorrijder ruik ik mijn kans, omdat ik geen last van paaltjes heb en de scooter met beiden graag wil hebben. Nog geen 500 meter verder krijg ik de scooter in het zicht en zet de achtervolging in. De verdachte rijdt met hoge snelheid door de woonwijk heen, dus besluit ik om er snel een eind aan te maken. Ik ga naast de scooter rijden en roep naar de bestuurder dat hij moet stoppen, anders dwing ik hem tot stoppen. Plotseling schopt de bestuurder naar me, maar bliksemsnel ontwijk ik de schop. Mijn adrenaline peil stijgt. De verdachte slaat een brandgang in en bij de eerste de beste zijingang springt de vrouw van de scooter af en rent de steeg in. De scooter rijdt door en we racen weer verder. Ik zet mijn ‘toeters en bellen’ aan en probeer van alles om de verdachte tot stoppen te dwingen. We rijden wederom de steeg in waar de vrouw van de scooter gesprongen is en plotseling zie ik haar staan. Te laat zie ik dat zij een snoekduik doet naar mijn rechterarm. Doordat zij mijn rechterarm weet beet te pakken slaat mijn stuur naar rechts en smak ik over mijn motor heen op straat. De gestolen motorscooter verdwijnt uit het zicht. Als ik opkrabbel zie ik de vrouw aan het eind van de steeg nog net de hoek omlopen. Ik trek een sprint en zie om de hoek haar verderop rennen. Ik ben zo kwaad dat het lijkt of ik vleugels heb. Ik heb haar binnen no-time ingehaald en pak haar beet. In de verte hoor ik de sirene van mijn motor, die nog steeds aanstaat.
Al hijgend zeg ik dat ze is aangehouden. Ze wil zich losrukken, maar ik pak haar stevig om haar nek. Dan zet ze haar tanden in mijn linkerhand en bijt zo hard als ze kan. Ondanks dat ik motorhandschoenen aan heb voel ik een vlammende pijn. Ik heb me altijd voorgenomen om NOOIT vrouwen te slaan, aarzel even, maar sla ze vervolgens met mijn overgebleven hand in het gezicht. Ze laat nog steeds niet los waarop ik nogmaals en harder in haar gezicht sla. Ze laat nog niet los en dan stomp ik haar zo hard dat ze wel los moet laten. Dan hoor ik om me heen hard roepen: “Doe normaal joh! Je slaat toch geen vrouw!” Het moment dat toekijkers halverwege de film binnenstappen. Ze blijft heftig verzet bieden, kennelijk gesteund door de bemoedigende woorden van de toekijkers, en weet me dan ook nog in het gezicht te spuwen. Dan vind ik het genoeg. Met al mijn krachten smijt ik haar op de grond, draai haar op haar buik en weet ze te boeien. De sfeer om me heen wordt grimmig. Ik roep om spoedassistente en ben blij als de eerste politieauto de straat inrijdt en de collega’s me in bescherming nemen. Als blikken kunnen doden, zou ik ter plekke dood neervallen. De collega’s nemen de verdachte over en ik loop terug naar mijn motor. Ik trek mijn motorhandschoen uit en zie de tanden tot bloedens toe in mijn handpalm staan. Aan de ene kant voel ik me beroerd dat ik me zo heb laten pakken, aan de andere kant heb ik figuurlijk mijn tanden laten zien. Maar de meningen op straat hebben ze al klaar, die politieagent heeft buiten proportioneel geweld gebruikt.
Als ik bij mijn motor kom, blijkt de sirene uit te zijn. Een oude man staat naast mijn motor en kijkt me aan. Hij heeft diverse knopjes geprobeerd en de sirene uit weten te zetten. Ik krijg tranen in mijn ogen als hij een arm op mijn schouder legt en zegt : “Jongen, je hebt goed gehandeld. Ik heb alles gezien. Ik ben trots op je!” Hij vertelt dat de buurt verloederd is door dat soort figuren, maar dat hij helaas niet meer kan verhuizen. Als ik zijn gegevens genoteerd heb raap ik mijn motor op en krijg hem gelukkig weer aan de praat. De kuip is gescheurd, de spiegel afgebroken en de valbeugel afgebroken maar ik kan nog rijden. Met een slakkengangetje rijd ik naar het bureau. Ik voel overal pijn.
Een surveillanceauto van ons bureau roept mij als motorrijder op ter assistentie. Ze zien een motorscooter rijden met twee personen erop, een man als bestuurder en een vrouw als passagier. Bij het nakijken van het kenteken blijkt de scooter gestolen te zijn. Als ze de bestuurder een stopteken geven gaat deze er vandoor. Omdat beiden geen helm dragen houden de collega’s afstand om ze niet in gevaar te brengen. Immers bij een achtervolging, waarbij de verdachte en de berijdster ten val zouden komen en ernstig letsel zouden oplopen wordt de politie op het matje geroepen. Als de verdachte een pad inslaat waar een paaltje de politieauto de weg versperd kan de berijdster het niet nalaten haar middelvinger op te steken aan de collega’s. Ze hebben het nakijken.
Als motorrijder ruik ik mijn kans, omdat ik geen last van paaltjes heb en de scooter met beiden graag wil hebben. Nog geen 500 meter verder krijg ik de scooter in het zicht en zet de achtervolging in. De verdachte rijdt met hoge snelheid door de woonwijk heen, dus besluit ik om er snel een eind aan te maken. Ik ga naast de scooter rijden en roep naar de bestuurder dat hij moet stoppen, anders dwing ik hem tot stoppen. Plotseling schopt de bestuurder naar me, maar bliksemsnel ontwijk ik de schop. Mijn adrenaline peil stijgt. De verdachte slaat een brandgang in en bij de eerste de beste zijingang springt de vrouw van de scooter af en rent de steeg in. De scooter rijdt door en we racen weer verder. Ik zet mijn ‘toeters en bellen’ aan en probeer van alles om de verdachte tot stoppen te dwingen. We rijden wederom de steeg in waar de vrouw van de scooter gesprongen is en plotseling zie ik haar staan. Te laat zie ik dat zij een snoekduik doet naar mijn rechterarm. Doordat zij mijn rechterarm weet beet te pakken slaat mijn stuur naar rechts en smak ik over mijn motor heen op straat. De gestolen motorscooter verdwijnt uit het zicht. Als ik opkrabbel zie ik de vrouw aan het eind van de steeg nog net de hoek omlopen. Ik trek een sprint en zie om de hoek haar verderop rennen. Ik ben zo kwaad dat het lijkt of ik vleugels heb. Ik heb haar binnen no-time ingehaald en pak haar beet. In de verte hoor ik de sirene van mijn motor, die nog steeds aanstaat.
Al hijgend zeg ik dat ze is aangehouden. Ze wil zich losrukken, maar ik pak haar stevig om haar nek. Dan zet ze haar tanden in mijn linkerhand en bijt zo hard als ze kan. Ondanks dat ik motorhandschoenen aan heb voel ik een vlammende pijn. Ik heb me altijd voorgenomen om NOOIT vrouwen te slaan, aarzel even, maar sla ze vervolgens met mijn overgebleven hand in het gezicht. Ze laat nog steeds niet los waarop ik nogmaals en harder in haar gezicht sla. Ze laat nog niet los en dan stomp ik haar zo hard dat ze wel los moet laten. Dan hoor ik om me heen hard roepen: “Doe normaal joh! Je slaat toch geen vrouw!” Het moment dat toekijkers halverwege de film binnenstappen. Ze blijft heftig verzet bieden, kennelijk gesteund door de bemoedigende woorden van de toekijkers, en weet me dan ook nog in het gezicht te spuwen. Dan vind ik het genoeg. Met al mijn krachten smijt ik haar op de grond, draai haar op haar buik en weet ze te boeien. De sfeer om me heen wordt grimmig. Ik roep om spoedassistente en ben blij als de eerste politieauto de straat inrijdt en de collega’s me in bescherming nemen. Als blikken kunnen doden, zou ik ter plekke dood neervallen. De collega’s nemen de verdachte over en ik loop terug naar mijn motor. Ik trek mijn motorhandschoen uit en zie de tanden tot bloedens toe in mijn handpalm staan. Aan de ene kant voel ik me beroerd dat ik me zo heb laten pakken, aan de andere kant heb ik figuurlijk mijn tanden laten zien. Maar de meningen op straat hebben ze al klaar, die politieagent heeft buiten proportioneel geweld gebruikt.
Als ik bij mijn motor kom, blijkt de sirene uit te zijn. Een oude man staat naast mijn motor en kijkt me aan. Hij heeft diverse knopjes geprobeerd en de sirene uit weten te zetten. Ik krijg tranen in mijn ogen als hij een arm op mijn schouder legt en zegt : “Jongen, je hebt goed gehandeld. Ik heb alles gezien. Ik ben trots op je!” Hij vertelt dat de buurt verloederd is door dat soort figuren, maar dat hij helaas niet meer kan verhuizen. Als ik zijn gegevens genoteerd heb raap ik mijn motor op en krijg hem gelukkig weer aan de praat. De kuip is gescheurd, de spiegel afgebroken en de valbeugel afgebroken maar ik kan nog rijden. Met een slakkengangetje rijd ik naar het bureau. Ik voel overal pijn.
Op het bureau kan ik amper mijn motorjas uitkrijgen en brengen
collega’s me naar het ziekenhuis toe. De diagnose is een gescheurd schouderblad
en bloedstolsels bij mijn ruggengraat. Ik word thuisgebracht en mag zes weken
verplicht rust houden. De aangifte wordt bij me thuis opgenomen door de
collega’s en de verdachte krijgt direct een snelproces. Doordat het korps
tegenwoordig zaken, waarbij geweld tegen politieambtenaren (ook overige
hulpverleners) wordt gebruikt, snel oppakken krijg ik een advocaat toegewezen
op kosten van de politie. De verdachte krijgt ook een advocaat toegewezen, op
kosten van de staat.
Bij de rechtszitting, waar ik bij aanwezig ben, hoor ik de klaagzang
van de verdachte aan. Ze is hard geslagen door de politieagent en heeft nog
steeds pijn. De advocaat vult aan dat de politieagent in kwestie buiten
proportioneel geweld heeft gebruikt. Hij eist vrijspraak voor zijn cliënt. Even
heb ik spijt, omdat ik bang ben dat het straks de omgekeerde wereld wordt. Maar
mijn chef en een collega van de recherche, die met me meegegaan zijn naar de
rechtszaak kijken mij aan en gebaren mij rustig te blijven. Vraag niet hoe hoog
mijn hartslag was op dat moment.
Dan doet de rechter uitspraak... Ze veegt werkelijk de hele rechtszaal
aan met de argumenten van de verdachte en diens advocaat. Op niet mis te
verstane wijze wijst ze op het gedegen proces-verbaal, de getuigenverklaring en
de foto’s van de situatie ter plaatse. Ze verwijt de verdachte belediging van
de politie, expres de motoragent belemmerd te hebben en letsel te hebben
toegebracht, verzet te hebben geboden
bij de aanhouding en ook daarbij bijtwonden veroorzaakt te hebben. De advocaat
van haar heeft geen vragen meer. Mijn schadevergoeding wordt geheel toegewezen
en ze krijgt een fikse gevangenisstraf alsmede betaling van alle schade. Met een tevreden gevoel stap ik uit de rechtszaal. Het recht
heeft gezegevierd.
Zes weken later stap ik weer op de motor.
Volgende blog 30/03
Volgende blog 30/03
maandag 2 maart 2015
Belofte maakt schuld
Mensen doen vaak beloftes aan
ons als politiemensen, maar komen deze heel vaak niet na. Ze vinden het raar
dat wij als politie argwanend zijn. Bij deze melding deden we allebei een
belofte en kwamen deze na.
Het is een rustige nacht, rustig in de zin van het aantal meldingen, maar ook bladstil weer.
Het is rond de klok van 04:00 uur, als we het geluid van een racende scooter en een motor horen. Het geluid komt steeds dichterbij het bureau waar we op de binnenplaats staan, zodat Richard en ik elkaar aankijken en wel zin hebben in een achtervolging. We springen in de bus en zien voor het bureau een scooter en een quad voorbij racen. De snelheid ligt aardig boven de toegestane maximum snelheid van vijftig kilometer per uur. Beide bestuurders hebben ons niet gezien, zodat we in eerste instantie ongemerkt kunnen volgen. Als we dicht achter de scooter zitten, die geen kentekenplaat heeft, zetten we ons stopbord aan, maar kennelijk merkt de bestuurder dit niet op. Voor de verkeerslichten met de A straat stoppen beiden even en kijkt de bestuurder van de quad om.
Snel schrijft Richard het kenteken van de quad op. De bestuurder van de quad roept iets naar de scooterrijder, geeft vol gas en spurt weg. Wij proberen de scooterrijder klem te rijden, maar deze rijdt het trottoir op en keert om. Snel omkeren heeft geen zin, dus dan toch maar proberen de quad te pakken. Ook hij probeert te ontkomen, maar een quad is minder wendbaar dan een scooter. Zwaailicht en sirene erbij heeft een nog averechtser effect, want hij gaat de gekste stunten uithalen om aan ons te ontkomen. Ik neem afstand en zie dat hij een stuk verderop bijna crasht, doordat hij met volle snelheid het trottoir oprijdt tussen de geparkeerde auto’s en een huizenblok. Op een haar na mist hij een geparkeerd staand voertuig, waarop ik, uit veiligheidsoverwegingen, besluit om de achtervolging af te breken.
We hebben tenslotte het kenteken en kunnen op die manier proberen erachter te komen, wie de bestuurder was.
Nog vol met adrenaline en vastberaden om erachter te komen wie de bestuurder was, rijden we naar de B straat waar de drieëntwintigjarige eigenaar van het voertuig zou moeten wonen. Het is inmiddels 04:30 uur als we aanbellen bij het adres, in de omgeving is geen quad te zien. Na enige tijd verschijnt bij de voordeur een jongeman en onze eerste indruk is dat hij niet de bestuurder geweest is. Hij heeft een verward kapsel en de plooien van het kussen zitten nog in zijn wangen, maar uit ervaring sluit ik niets uit. Ik vraag hem waar zijn quad is en hij vertelt dat deze in reparatie is bij een ‘vriend’. Hij vraagt of er iets ergs gebeurd is en we vertellen hem in het kort wat er zojuist gebeurd is. Richard vraagt naar zijn legitimatiebewijs en vordert hem om bekend te maken wie de bestuurder was. Dat ben je als kentekenhouder verplicht, maar hij zegt niet direct een telefoonnummer te hebben of wil dit niet direct geven. Ik heb de indruk dat het om het laatste gaat, dus vraag ik hem om zijn rijbewijs. Nadat hij mij het rijbewijs heeft overhandigd, vertel ik hem dat hij zijn rijbewijs om 22:00 uur mag ophalen op het bureau Zuidplein met medeneming van ‘de vriend’. Mocht hij niet verschijnen, dan zal na achtenveertig uur zijn rijbewijs ingevorderd worden en opgestuurd worden aan de officier van justitie.
’s Avonds om 22:00 uur, als onze tweede nachtdienst begint, meldt hij zich alleen aan het bureau en overhandigt ons een rijbewijs. Hij vertelt dat dit degene is die is weggereden voor ons. Hij denkt het rijbewijs even om te ruilen en weer verder te kunnen. Die vlieger gaat natuurlijk niet op, want wat moet ik alleen met een rijbewijs zonder dat degene een verklaring aflegt? Ik vertel hem dat hij het rijbewijs weer mee mag nemen en terug mag komen met de houder van het rijbewijs. Ditmaal tovert de eigenaar wel een telefoonnummer tevoorschijn en belt die ‘vriend’ op. Hij vertelt tegen hem dat de politie er geen genoegen mee neemt, maar dat hij zelf naar het bureau moet komen. Ik krijg vervolgens de mogelijke bestuurder, die zichzelf als Rik voorstelt, aan de lijn. Ik vraag Rik waarom hij zelf niet naar het bureau komt om een verklaring af te leggen. Hij geeft aan dat hij nog 3000 euro aan boetes heeft openstaan en dat hij bang is om aangehouden te worden zodra hij zich meldt op het bureau. Ik verzeker Rik dat het mij gaat om een verklaring betreffende zijn rijgedrag. Ik hoor dat hij twijfelt, omdat hij naar eigen zeggen geen één politieagent vertrouwt. Hij is namelijk wel eens meer door de politie onder valse voorwendselen naar een bureau gelokt met als gevolg dat hij toen werd aangehouden. Momenteel heeft hij een hoogzwangere vriendin die moet bevallen, dus vastzitten wil hij niet. Ik vertel hem dat ik hem niet meer als mijn woord kan geven en dat ik wel van het kaliber ben dat ik mijn woord dan ook houd. Rik vertelt dat hij komt, maar dat het op vechten zou aankomen als ik hem toch zou aanhouden.
Binnen een kwartier staat Rik op het bureau. Hij biedt quadeigenaar, die Rik met een boos gezicht aankijkt, zijn excuses aan. Ik geef de eigenaar zijn rijbewijs terug en krijg Rik zijn rijbewijs weer in handen. Ik neem Rik mee naar een verhoorkamertje en zie dat hij een grote zwarte sporttas bij zich heeft. Het verbaast me wel, maar ik vraag hem verder niet naar de inhoud.
Rik vertelt dat hij in een opwelling met de quad, die hij gerepareerd had voor de jongen, een rondje was gaan rijden. Onderweg is hij een scooter tegengekomen en is daar tegen gaan racen. Toen plotseling achter hem een politieauto opdook die hem achtervolgde was hij bang dat de 3000 euro wel eens verdubbeld zou worden. Dat was de reden dat hij er vandoor ging. Hij besefte later wel dat de quad een kenteken voerde en de politie hem toch op de hielen zou zitten. Maar ja, toen was het leed al geschied. Hij zit nu alsnog op het politiebureau.
Gezien zijn verleden is Rik niet altijd een brave jongen geweest, maar ik zie wel dat hij al een paar jaar niet meer in onze systemen voorkomt. Ik vraag hem over zijn verleden en wat hij momenteel doet. Rik vertelt spijt te hebben van zijn criminele verleden en dit afgezworen te hebben. Hij heeft al geruime tijd een lieve vriendin die zijn zaken beheert, die hem ook heeft afgeholpen van al zijn verkeerde vrienden af te komen. Hij vertelt dat ze de touwtjes goed in handen heeft en bezig is om alle achterstallige boetes langzamerhand te betalen, zodat hij ook bij haar ingeschreven kan worden. Ze verwachten samen een kindje en zijn helemaal gelukkig. Ze was de bewuste nacht aan het logeren bij haar moeder in het oosten van het land, dus had Rik alle tijd om ‘even’ een quad te repareren. Dat was uitgelopen tot laat in de nacht, maar rond 03:30 uur was de quad gemaakt en ging hij even een proefritje maken. Rik verklaart impulsief te zijn en dan soms domme dingen te doen. Dat werd uiteindelijk een wedstrijd op de weg met een scooterrijder, maar ook een wedstrijd om uit handen van de politie te blijven.
Om zeker te weten dat hij de bestuurder is die we achtervolgd hebben vraag ik hem een paar cruciale dingen, zoals het traject wat we afgelegd hebben. Rik kan dit feilloos beantwoorden, waardoor ik zeker weet dat hij het geweest is.
Ik geloof Rik zijn levensverhaal en moet een beslissing nemen. Iemand die hard bezig is om zijn leven een nieuwe positieve impuls te geven, help ik niet door hem hard aan te pakken. Hij werkt ruim een jaar bij een raffinaderij en heeft het goed naar zijn zin. Zijn rijbewijs heeft hij hard nodig om met de brommer naar zijn werk te gaan, dus een invordering zou hier geen goed aan doen.
Ik vertrouw op mijn gevoel en besluit Rik een kans te geven. Ik geef hem zijn rijbewijs terug en vertel hem dat hij dit soort domme dingen nooit meer moet uithalen, terwijl hij zo goed op weg is. Ik vertel hem dat hij een bekeuring krijgt voor te snel rijden binnen de bebouwde kom.
Verder vraag ik hem om mij maandelijks te benaderen om de één van de twaalf boetes die hij heeft openstaan te betalen zonder dat ik hem zou aanhouden. Een vrijwaring hiervan kan ik hem niet geven, omdat betalingsregelingen bij boetes officieel geregeld moeten worden.
Ik heb mijn woord gegeven, maar dan moet hij dat ook doen. Rik toont mij zijn zware tas en opent deze. Met tranen in zijn ogen vertelt hij dat hij kleding, geld en shag heeft meegenomen, omdat hij bang was dat hij door ons toch aangehouden zou worden. Rik verlaat het bureau weer met zijn zware tas én zijn rijbewijs.
Ruim een jaar later heeft Rik aan zijn betalingsverplichtingen voldaan en kan hij zich ongehinderd op straat begeven, zonder bang te zijn om aangehouden te worden. Hij is inmiddels vader geworden van een gezonde zoon en is apetrots.
Bij de laatste betaling knijpt Rik mijn hand fijn en bedankt me voor alles. Hij vertelt dat hij toch nog een vraag heeft. Hij heeft nooit de bekeuring gehad van de overschrijding van de snelheid. Ik kijk hem aan en zeg met een ernstig gezicht: “Daar ben je wel erg laat mee, Rik. Maar ik ga er onmiddellijk achteraan!”
Lachend loop ik weg, Rik met een verbaasd gezicht achterlatend.
Het is een rustige nacht, rustig in de zin van het aantal meldingen, maar ook bladstil weer.
Het is rond de klok van 04:00 uur, als we het geluid van een racende scooter en een motor horen. Het geluid komt steeds dichterbij het bureau waar we op de binnenplaats staan, zodat Richard en ik elkaar aankijken en wel zin hebben in een achtervolging. We springen in de bus en zien voor het bureau een scooter en een quad voorbij racen. De snelheid ligt aardig boven de toegestane maximum snelheid van vijftig kilometer per uur. Beide bestuurders hebben ons niet gezien, zodat we in eerste instantie ongemerkt kunnen volgen. Als we dicht achter de scooter zitten, die geen kentekenplaat heeft, zetten we ons stopbord aan, maar kennelijk merkt de bestuurder dit niet op. Voor de verkeerslichten met de A straat stoppen beiden even en kijkt de bestuurder van de quad om.
Snel schrijft Richard het kenteken van de quad op. De bestuurder van de quad roept iets naar de scooterrijder, geeft vol gas en spurt weg. Wij proberen de scooterrijder klem te rijden, maar deze rijdt het trottoir op en keert om. Snel omkeren heeft geen zin, dus dan toch maar proberen de quad te pakken. Ook hij probeert te ontkomen, maar een quad is minder wendbaar dan een scooter. Zwaailicht en sirene erbij heeft een nog averechtser effect, want hij gaat de gekste stunten uithalen om aan ons te ontkomen. Ik neem afstand en zie dat hij een stuk verderop bijna crasht, doordat hij met volle snelheid het trottoir oprijdt tussen de geparkeerde auto’s en een huizenblok. Op een haar na mist hij een geparkeerd staand voertuig, waarop ik, uit veiligheidsoverwegingen, besluit om de achtervolging af te breken.
We hebben tenslotte het kenteken en kunnen op die manier proberen erachter te komen, wie de bestuurder was.
Nog vol met adrenaline en vastberaden om erachter te komen wie de bestuurder was, rijden we naar de B straat waar de drieëntwintigjarige eigenaar van het voertuig zou moeten wonen. Het is inmiddels 04:30 uur als we aanbellen bij het adres, in de omgeving is geen quad te zien. Na enige tijd verschijnt bij de voordeur een jongeman en onze eerste indruk is dat hij niet de bestuurder geweest is. Hij heeft een verward kapsel en de plooien van het kussen zitten nog in zijn wangen, maar uit ervaring sluit ik niets uit. Ik vraag hem waar zijn quad is en hij vertelt dat deze in reparatie is bij een ‘vriend’. Hij vraagt of er iets ergs gebeurd is en we vertellen hem in het kort wat er zojuist gebeurd is. Richard vraagt naar zijn legitimatiebewijs en vordert hem om bekend te maken wie de bestuurder was. Dat ben je als kentekenhouder verplicht, maar hij zegt niet direct een telefoonnummer te hebben of wil dit niet direct geven. Ik heb de indruk dat het om het laatste gaat, dus vraag ik hem om zijn rijbewijs. Nadat hij mij het rijbewijs heeft overhandigd, vertel ik hem dat hij zijn rijbewijs om 22:00 uur mag ophalen op het bureau Zuidplein met medeneming van ‘de vriend’. Mocht hij niet verschijnen, dan zal na achtenveertig uur zijn rijbewijs ingevorderd worden en opgestuurd worden aan de officier van justitie.
’s Avonds om 22:00 uur, als onze tweede nachtdienst begint, meldt hij zich alleen aan het bureau en overhandigt ons een rijbewijs. Hij vertelt dat dit degene is die is weggereden voor ons. Hij denkt het rijbewijs even om te ruilen en weer verder te kunnen. Die vlieger gaat natuurlijk niet op, want wat moet ik alleen met een rijbewijs zonder dat degene een verklaring aflegt? Ik vertel hem dat hij het rijbewijs weer mee mag nemen en terug mag komen met de houder van het rijbewijs. Ditmaal tovert de eigenaar wel een telefoonnummer tevoorschijn en belt die ‘vriend’ op. Hij vertelt tegen hem dat de politie er geen genoegen mee neemt, maar dat hij zelf naar het bureau moet komen. Ik krijg vervolgens de mogelijke bestuurder, die zichzelf als Rik voorstelt, aan de lijn. Ik vraag Rik waarom hij zelf niet naar het bureau komt om een verklaring af te leggen. Hij geeft aan dat hij nog 3000 euro aan boetes heeft openstaan en dat hij bang is om aangehouden te worden zodra hij zich meldt op het bureau. Ik verzeker Rik dat het mij gaat om een verklaring betreffende zijn rijgedrag. Ik hoor dat hij twijfelt, omdat hij naar eigen zeggen geen één politieagent vertrouwt. Hij is namelijk wel eens meer door de politie onder valse voorwendselen naar een bureau gelokt met als gevolg dat hij toen werd aangehouden. Momenteel heeft hij een hoogzwangere vriendin die moet bevallen, dus vastzitten wil hij niet. Ik vertel hem dat ik hem niet meer als mijn woord kan geven en dat ik wel van het kaliber ben dat ik mijn woord dan ook houd. Rik vertelt dat hij komt, maar dat het op vechten zou aankomen als ik hem toch zou aanhouden.
Binnen een kwartier staat Rik op het bureau. Hij biedt quadeigenaar, die Rik met een boos gezicht aankijkt, zijn excuses aan. Ik geef de eigenaar zijn rijbewijs terug en krijg Rik zijn rijbewijs weer in handen. Ik neem Rik mee naar een verhoorkamertje en zie dat hij een grote zwarte sporttas bij zich heeft. Het verbaast me wel, maar ik vraag hem verder niet naar de inhoud.
Rik vertelt dat hij in een opwelling met de quad, die hij gerepareerd had voor de jongen, een rondje was gaan rijden. Onderweg is hij een scooter tegengekomen en is daar tegen gaan racen. Toen plotseling achter hem een politieauto opdook die hem achtervolgde was hij bang dat de 3000 euro wel eens verdubbeld zou worden. Dat was de reden dat hij er vandoor ging. Hij besefte later wel dat de quad een kenteken voerde en de politie hem toch op de hielen zou zitten. Maar ja, toen was het leed al geschied. Hij zit nu alsnog op het politiebureau.
Gezien zijn verleden is Rik niet altijd een brave jongen geweest, maar ik zie wel dat hij al een paar jaar niet meer in onze systemen voorkomt. Ik vraag hem over zijn verleden en wat hij momenteel doet. Rik vertelt spijt te hebben van zijn criminele verleden en dit afgezworen te hebben. Hij heeft al geruime tijd een lieve vriendin die zijn zaken beheert, die hem ook heeft afgeholpen van al zijn verkeerde vrienden af te komen. Hij vertelt dat ze de touwtjes goed in handen heeft en bezig is om alle achterstallige boetes langzamerhand te betalen, zodat hij ook bij haar ingeschreven kan worden. Ze verwachten samen een kindje en zijn helemaal gelukkig. Ze was de bewuste nacht aan het logeren bij haar moeder in het oosten van het land, dus had Rik alle tijd om ‘even’ een quad te repareren. Dat was uitgelopen tot laat in de nacht, maar rond 03:30 uur was de quad gemaakt en ging hij even een proefritje maken. Rik verklaart impulsief te zijn en dan soms domme dingen te doen. Dat werd uiteindelijk een wedstrijd op de weg met een scooterrijder, maar ook een wedstrijd om uit handen van de politie te blijven.
Om zeker te weten dat hij de bestuurder is die we achtervolgd hebben vraag ik hem een paar cruciale dingen, zoals het traject wat we afgelegd hebben. Rik kan dit feilloos beantwoorden, waardoor ik zeker weet dat hij het geweest is.
Ik geloof Rik zijn levensverhaal en moet een beslissing nemen. Iemand die hard bezig is om zijn leven een nieuwe positieve impuls te geven, help ik niet door hem hard aan te pakken. Hij werkt ruim een jaar bij een raffinaderij en heeft het goed naar zijn zin. Zijn rijbewijs heeft hij hard nodig om met de brommer naar zijn werk te gaan, dus een invordering zou hier geen goed aan doen.
Ik vertrouw op mijn gevoel en besluit Rik een kans te geven. Ik geef hem zijn rijbewijs terug en vertel hem dat hij dit soort domme dingen nooit meer moet uithalen, terwijl hij zo goed op weg is. Ik vertel hem dat hij een bekeuring krijgt voor te snel rijden binnen de bebouwde kom.
Verder vraag ik hem om mij maandelijks te benaderen om de één van de twaalf boetes die hij heeft openstaan te betalen zonder dat ik hem zou aanhouden. Een vrijwaring hiervan kan ik hem niet geven, omdat betalingsregelingen bij boetes officieel geregeld moeten worden.
Ik heb mijn woord gegeven, maar dan moet hij dat ook doen. Rik toont mij zijn zware tas en opent deze. Met tranen in zijn ogen vertelt hij dat hij kleding, geld en shag heeft meegenomen, omdat hij bang was dat hij door ons toch aangehouden zou worden. Rik verlaat het bureau weer met zijn zware tas én zijn rijbewijs.
Ruim een jaar later heeft Rik aan zijn betalingsverplichtingen voldaan en kan hij zich ongehinderd op straat begeven, zonder bang te zijn om aangehouden te worden. Hij is inmiddels vader geworden van een gezonde zoon en is apetrots.
Bij de laatste betaling knijpt Rik mijn hand fijn en bedankt me voor alles. Hij vertelt dat hij toch nog een vraag heeft. Hij heeft nooit de bekeuring gehad van de overschrijding van de snelheid. Ik kijk hem aan en zeg met een ernstig gezicht: “Daar ben je wel erg laat mee, Rik. Maar ik ga er onmiddellijk achteraan!”
Lachend loop ik weg, Rik met een verbaasd gezicht achterlatend.
Abonneren op:
Posts (Atom)









