Copyright

Copyright P.Kats. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd worden en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.

maandag 30 juni 2014

Pinkeltje



Een achtervolging is altijd spannend, we willen tenslotte een verdachte niet kwijtraken. Maar politieagenten moeten bij een achtervolging altijd de afweging maken of het wel verstandig is om bijvoorbeeld een knul zonder helm met hoge snelheid te achtervolgen. Zonder helm rijden is een overtreding, maar kan desastreuze gevolgen hebben als de knul ten val komt en ernstig letsel oploopt. Het kan dan in de ogen van de burger lijken dat de politie watjes zijn, omdat ze de achtervolging staken. Anders is als dezelfde knul net een bank heeft overvallen met een vuurwapen. Maar dan nog kunnen we niet alles op alles zetten om deze verdachte te pakken, als we het overige verkeer zelf in gevaar brengen. En door schade en schande wordt je wijs.


Ik hoor dat we een nieuwe ploegmaat krijgen. Hij heet Robert en komt bij defensie vandaan. Hij schijnt behoorlijk breed en groot te zijn.
De eerste kennismaking leert dat Robert inderdaad heel groot en sterk is. Nadat hij mij een hand heeft gegeven, moet ik eerst kijken of mijn hand nog aan mijn arm vastzit.
Robert blijkt een gezellige Brabander te zijn met een grote dosis humor en met heel veel levenservaring. Hij is van defensie afkomstig en heeft bij de elitetroepen van de krijgsmacht gezeten. Maar de vele uitzendingen is hij zat en door een overeenkomst met defensie kan hij na een verkorte opleiding bij de politie instromen. Wel moet hij bepaalde dingen afleren, onder andere dat we bij de politie een deur openen door eerst aan te bellen of te kloppen en uiteindelijk, als laatste middel, een deur opentrappen of rammen. Robert vertelt dat hij gewend is om de deuren gelijk op te blazen met springstof en dat dit toch wel even een stapje terug is.
Verder doen we geen verhoren door iemand bij zijn keel te grijpen en hoog op te tillen, maar op een ethische wijze.
Mijn ogen vallen er bijna uit als hij uit zijn tas een broodtrommel haalt, beter gezegd een trog. Hierin zit zowat een heel brood. Als ik aan hem vraag of hij zijn brood gelijk voor de hele week meegenomen heeft, vertelt hij dat dit zijn dagelijkse portie brood is. Gekscherende weg geven wij als ploegmakkers hem de bijnaam “Pinkeltje”, van wie hij uiteraard het tegenovergestelde is.

Hoe enthousiast hij is en gewend is om daadkrachtig op te treden, blijkt als we de vervelende puber, Patrick, zonder helm op een bromfiets zien rijden. Ik zit op dat moment achter het stuur van de politiebus en zet de achtervolging in. Na door diverse straten heen gescheurd te zijn kan ik met de bus naast Patrick komen. Ik roep tegen Robert of hij hem even vast wil pakken om hem tot stoppen te dwingen, omdat ik weet dat hij anders niet gaat stoppen. Tot mijn grote schrik doet Robert het raam open en met een zwaai trekt hij Patrick van de brommer de bus in. Al schreeuwend ligt Patrick op schoot bij Robert, die moeiteloos de armen op zijn rug draait. Verbijsterd kijk ik de bromfiets na die al slingerend vol gas doorrijdt en aan het eind van de straat de struiken invliegt. Wat ben ik blij dat er op dat moment niemand loopt of fietst. Ik heb Robert later toch wel duidelijk gemaakt dat ik het iets minder radicaal bedoelde en dat we toch wel rekening moeten houden met het feit dat Patrick op een rijdende brommer zat, die gevaar had kunnen veroorzaken voor het overige verkeer.

Kort hierop hebben we opnieuw een achtervolging achter een scooter. We krijgen een melding van een beroving van een oude vrouw en de verdachte is weg op een scooter. Robert zit naast mij als bijrijder in de politiebus als plotseling vanuit een zijstraat de betreffende scooter met de verdachte erop aan komt rijden. Totaal onverwacht en voor ik het weet springt Robert de bus uit en rent razendsnel richting de scooter. Hij krijgt hem warempel bijna te pakken, maar de verdachte weet te ontkomen. Ik stop naast Robert en schreeuw dat hij de bus in moet springen. We zetten de achtervolging in en proberen de scooter in het oog te houden, wat haast niet lukt. De verdachte rijdt als een bezetene, maar we kunnen hem goed bijhouden. Om hem niet teveel op te jagen, gebruiken we geen toeters en bellen. Achteraf besef ik dat dit wel een risico is geweest, maar het komt ook wel eens goed uit. In een smalle straat moet de verdachte remmen voor een langzaam rijdende auto en komen we er weer achter te zitten. De dief probeert eerst links van de auto te passeren, maar daar is het te krap. Dan probeert hij rechts tussen de auto en geparkeerd staande auto´s door te komen, wat haast lukt. Echter als hij naast de langzaam rijdende auto rijdt, hoor ik Robert zeggen: “Wacht even Piet, dit wordt leuk!”. Hij doet plotseling het zwaailicht en de sirene van de politieauto aan. De bestuurder van de auto schrikt zich rot en gooit zijn stuur om naar rechts om ons te laten passeren. De scooterrijder naast hem heeft hij nooit gezien. En dan gebeurt het onvermijdelijke, de verdachte wordt met scooter en al gecruncht tussen de rijdende auto en de geparkeerd staande auto’s. We zien hem door de lucht heen vliegen en op het wegdek neersmakken.

De geschrokken automobilist heeft kennelijk door de sirene helemaal niets gehoord en rijdt verder. Ondanks hevig remmen verdwijnt de scooter met een doffe klap onder de voorzijde van de bus en komen we tot stilstand. Robert springt uit de bus en duikt boven op de verdachte, die inmiddels weer wil opstaan en wegrennen. Ik spring ook uit de bus, maar vergeet iets cruciaals. De automatische versnellingsbak in de parkeerstand plaatsen. Ook ik voeg me bij Robert en wil de verdachte boeien. Dan hoor ik Robert hijgend aan mij vragen of ik de politiebus even een stukje achteruit wil rijden. Ik draai me om en kijk in de grille van de politieauto, die op 10 centimeter afstand van ons staat te duwen met de scooter er nog onder.
Het blijkt dat Robert met één hand de verdachte vasthoudt en met de andere hand de duwende politieauto tegenhoudt. Ik weet niet hoe gauw ik de politiebus moet induiken om hem achteruit te rijden. Als ik achteruit rijd hoor ik een schurend geluid en het geluid van brekend plastic. De scooter komt onder de bus vandaan en ziet er ernstig gehavend uit.

Gelukkig blijkt de verdachte geen noemenswaardige verwondingen te hebben en kan hij met een paar pleisters in de cel gezet worden.

Het verwachtte gebeurde ook, Robert is na korte tijd aangenomen bij het arrestatieteam en haalt de opleiding glansrijk. Daar is hij toch wat meer in zijn element, want wij hebben hem voor het basis politiewerk toch aardig wat keren terug moeten fluiten.

maandag 23 juni 2014

Aasgier


Als iemand komt te overlijden en de doodsoorzaak is onduidelijk of zou een misdrijf kunnen zijn, worden wij als politie er altijd bijgeroepen. Dit gebeurt meestal als de huisarts geen verklaring van overlijden wil afgeven, omdat hij vermoedt dat er opzet in het spel is of dat er sporen zijn die zouden kunnen duiden op een misdrijf. In eerste instantie zullen dan politieagenten in uniform verschijnen, die het verhaal aanhoren. In overleg met de chef van dienst wordt dan een politiearts ter plaatse gevraagd, die een zogenaamde ‘schouw’ verricht. Als deze twijfelt of de persoon op een natuurlijke wijze is overleden, wordt het lichaam in beslag genomen. Hierna komt de recherche ter plaatse die de zaak overneemt. Deze kan dan de collega’s van de Forensische opsporing, de collega’s in de witte pakken, bestellen die alle sporen vastleggen. Dit hele circus is niet leuk voor de familie, als achteraf blijkt dat er helemaal geen opzet in het spel is. Maar we komen ook wel eens als politie ter plaatse, terwijl de familie onze aanwezigheid helemaal niet op prijs stelt.

Johan en ik krijgen omstreeks 21:00 uur een melding van een man die zijn vriendin dood in de woning heeft aangetroffen. Het blijkt een prachtig landhuis te zijn, waar zij alleen woont. Haar man is al jaren geleden overleden en ze hadden geen kinderen. Het enige contact wat ze heeft is met de betreffende man, ik noem hem Hendrik.
Hendrik heeft een sleutel van de woning. Bij binnenkomst treft hij zijn vriendin, niet aanspreekbaar, op de grond aan en belt 112. Op verzoek van de collega’s van de ambulance rijden wij mee, maar al gauw blijkt dat ze al enige tijd geleden overleden is. De collega’s van de ambulance vertrekken en wij nemen de zaak over. We verzoeken de chef van dienst, Boudewijn, ter plaatse en verzoeken de politiearts ter plaatse. In de tussentijd horen we het verhaal van Hendrik aan. Hendrik is het enige contact wat de vrouw had, omdat ze na het overlijden van haar man, het contact met haar familie verbroken heeft. Hendrik vertelt dat de vrouw hen wantrouwde, omdat ze op haar geld uit waren. Hendrik is bevriend met haar geraakt en onderhoudt het landgoed, zorgt voor de boodschappen en de administratie.
Als we aan Hendrik vragen waar belangrijke papieren van mevrouw liggen, zoals haar legitimatiebewijs, wijst hij ons op een kast. We vinden inderdaad het legitimatiebewijs, een trouwboekje, maar ook een map met bankafschriften. Even duizelen mijn ogen als ik zie wat een astronomisch saldo er op de rekeningen van de bank staat.
De politiearts komt ter plaatse en constateert een natuurlijke dood. In afwachting van een uitvaartverzorger tillen we de vrouw op en leggen haar op bed neer.

We moeten dus op zoek naar directe familie die er voor gaat zorgen dat er een uitvaartverzorger wordt gebeld, maar gezien het verhaal van Hendrik lijkt dit ons geen goed idee. Echter gaat de bel van de voordeur en meldt zich een man, Frits, die zegt de neef te zijn van de vrouw. We laten hem binnen en vragen om zijn legitimatiebewijs. Hij blijkt inderdaad een neef te zijn. We hebben geen idee hoe Frits aan de informatie komt dat zijn tante is overleden. Frits vertelt dat hij een ´zeer goede neef´ van zijn tante is, goed contact met haar had en alles zal gaan regelen. Hij vraagt waar zijn tante is en wil even bij haar kijken. Als ik Frits observeer tijdens het kijken naar zijn tante bespeur ik weinig emotie. Ik merk meer dat hij gehaast is. Hij vertelt ons dat wij in ieder geval weg kunnen gaan. Ook Hendrik mag weggaan, maar aan het gezicht van Hendrik valt af te lezen dat dit hem helemaal niet bevalt. Ons valt al gelijk de koele houding tussen Frits en Hendrik op.

Gezien de informatie die we van Hendrik gehoord hebben, en het feit dat er veel geld mee gemoeid is en dat Frits geen directe familie is, bekruipt ons het gevoel dat Frits eerst zijn eigen ´zaakjes´ gaat regelen. Denkbeeldig zie ik een aasgier in de lucht zweven, genaamd Frits, die toeslaat als wij allemaal weg zijn. Er is namelijk heel veel te halen in dit huis en wat is er mooier voor Frits dan aankomende nacht te shoppen in het huis van zijn ‘goede’ tante. Boudewijn en Johan hebben dezelfde gedachten. Als we Hendrik even apart nemen bevestigt deze dat Frits helemaal geen goed contact had met zijn tante en bang is dat hij spullen gaat stelen. We besluiten het huis te verzegelen en in handen te geven van een notaris, die speciaal voor de politie in dit soort situaties de zaken regelt.

We stellen Frits in kennis dat wij de zaak bevriezen tot duidelijk wordt wie de rechthebbende is van de erfenis van zijn tante. Frits toont zijn ware aard. Hij wordt boos en begint lelijk te doen. Na hem nogmaals duidelijk gemaakt te hebben dat we bij ons standpunt blijven en hij zich morgen mag melden, verlaat hij kwaad het huis, zonder zich nog te bekommeren om zijn ‘goede’ tante die nog op bed ligt. Op advies van Hendrik bestellen we een plaatselijke uitvaartverzorger, die mevrouw ophaalt.

Als we de woning willen afsluiten vragen we aan Hendrik of wij de sleutel van hem krijgen om deze aan de notaris te geven. Nou heb ik bij binnenkomst van de woning een sleutelbos zien hangen aan een hanger naast de deur. Deze is echter weg en ik vraag aan Hendrik of hij de sleutelbos in zijn bezit heeft. Hendrik ontkent dat hij deze sleutels heeft en bevestigt dat daar inderdaad altijd de sleutelbos met alle sleutels van het huis en de garage hangen. Ik geloof Hendrik, want hij heeft sowieso een sleutel in zijn bezit en geen reden te hebben om de sleutelbos in zijn zak te steken.

Even staan we elkaar aan te kijken en hebben we weer hetzelfde gevoel. Uiteraard kunnen we het niet hard maken, maar het zal ons niets verbazen als Frits snel kans gezien heeft om de sleutelbos in zijn zak te stoppen. We bestellen een slotenmaker en laten overal nieuwe cilinders inzetten. Bij deuren waar de cilinder niet vervangen kan worden, schroeft de slotenmaker met grote schroeven de hele deur dicht. Bij de garagedeur kan het slot ook niet worden vervangen, maar ook niet worden dichtgeschroefd. De oplossing? We zetten de deur met de sleepkabel vast aan de peperdure BMW. De rekeningen van mevrouw werden door ons geblokkeerd en in opdracht van Boudewijn werd het huis die nacht scherp in de gaten gehouden door de collega’s.

Later hoor ik van Hendrik dat Frits de dag erop zich al vroeg bij de notaris gemeld heeft. Er blijkt geen testament te zijn, dus alle bezittingen van tante zijn voor de familie. Het ‘aanspreekpunt’ is Frits. Zelfs het tuingereedschap van Hendrik krijgt deze, ondanks zijn verzoek, niet terug omdat hij, volgens Frits, niet kan bewijzen dat het van hem is.

maandag 16 juni 2014

De woesteling

Opsporingsambtenaar ben je 24 uur per dag. In tegenstelling tot wat veel burgers denken mogen wij, na je kenbaar gemaakt te hebben als politieagent, ook in privétijd iemand aanhouden of staande houden.


Dat is de reden dat de meeste collega’s hun politielegitimatiebewijs steevast op zak hebben. Maar dat wil absoluut niet zeggen dat je ook altijd op moet treden, want dan zouden onze werkdagen wel heel erg lang worden. Maar soms kun je de drang om op te treden echter niet weerstaan, zeker niet als er een collega om assistentie roept.

Op een mooie zomeravond moet ik vanwege privé omstandigheden eerder naar huis.
Omdat ik de volgende dag moet clusteren (schieten, sporten enz.) houd ik mijn uniform aan, maar doe er een burgerjas overheen en rijd direct naar huis.

Op de autosnelweg word ik gepasseerd door een oude Toyota. Ik zie dat de bestuurder zijn raampje open heeft en dat zijn lange haren wapperen in de wind. Ik zie dat hij geen autogordel draagt. Kort hierop word ik gepasseerd door een motorrijder van de verkeerspolitie. Ik zie dat hij naast de auto gaat rijden en de man een stopteken geeft ter hoogte van een parkeerplaats op de autosnelweg. Ik zie dat de man hem met zijn auto volgt, maar niet van harte want de motorrijder moet diverse keren gebaren dat hij de afrit moet nemen. Ik krijg een vreemd voorgevoel en zet mijn portofoon aan en hoor dat de motorrijder, Marc, de meldkamer kennis geeft dat hij de man gaat controleren op de parkeerplaats. Omdat het een ‘normale’ controle betreft en de man toch volgt besluit ik gewoon verder te rijden. Ik rijd de parkeerplaats voorbij en zie dat Marc inmiddels is afgestapt en de bestuurder aanspreekt. Wat ik niet weet is dat de man in kwestie heel recalcitrant is en absoluut niet wil meewerken. Ik hoor via de portofoon dat Marc om een politieauto ter assistentie vraagt. Op de achtergrond hoor ik de man hard praten, kennelijk is hij het niet echt eens met Marc. Ik baal dat ik de parkeerplaats voorbij ben gereden, dus minder mijn snelheid. Kort hierna hoor ik Marc over de portofoon roepen dat de man er vandoor gaat.

Marc heeft een alcohollucht waargenomen en heeft tegen de man gezegd dat hij moet blazen. De man heeft hierop zijn auto gestart en is om Marc heengereden. Marc heeft echter problemen met het starten van zijn motor, dus kan niet direct de achtervolging inzetten. De man heeft dus een mooie voorsprong, echter niet op mij. Mijn adrenalinepeil gaat omhoog, ik ben er klaar voor. De man komt mijn kant op met zijn Toyota, dus ik bereid me voor op een achtervolging. Niet lang erna zie ik de Toyota in mijn spiegel aankomen. Nadat hij voorbij gereden is, rijd ik achter hem aan en meld aan de meldkamer dat ik achter de auto rijd in mijn privéauto, maar wel in uniform gekleed en klaar voor actie.
De meldkamer geeft door dat de auto op naam van een man in A stad staat. De staat van dienst van deze man voorspelt niet veel goeds. Gekomen bij een tankstation in B dorp zie ik dat de man de afrit neemt en de parkeerplaats van het station oprijdt. Ik heb in de tussentijd mijn burgerjas uitgedaan, zodat ik herkenbaar ben in politie-uniform als ik zou uitstappen. Ik zie dat de man zijn auto achter de shop van het tankstation parkeert, tussen twee vuilcontainers in, en uitstapt. Ik blijf op een afstand in mijn auto zitten om te kijken wat hij precies gaat doen en meld ondertussen de positie waar ik sta en waar de man zijn voertuig geparkeerd heeft. Tot mijn verbazing zie ik dat de man de verrijdbare vuilcontainers voor zijn auto plaatst om zo zijn auto aan het zicht te onttrekken. Vervolgens gaat hij op het hoekje van de shop staan en kijkt om de hoek of de politie in aantocht is. Dan zie ik dat hij mij in de gaten krijgt.

Ik besluit om de confrontatie aan te gaan om te voorkomen dat hij weer in zijn auto gaat stappen. Ik stap uit mijn auto en roep naar de man dat ik van de politie ben en dat hij is aangehouden. Ik loop naar hem toe en zie dat hij als een haas naar zijn auto loopt. En dat is nou precies wat ik niet wil. Ik ren naar hem toe en wil hem nog beetpakken voor hij in zijn auto stapt. Ik ben niet op tijd, want hij heeft inmiddels plaats genomen achter het stuur en zijn portier dichtgeslagen. Ik open het portier, maar hij probeert deze onmiddellijk weer dicht te trekken. Dan besluit ik maar om gemeen te worden. Ik grijp de lange haren van de man beet en probeer hem aan zijn haren het voertuig uit te trekken, omdat ik zie dat hij probeert zijn auto te starten. Ik trek hem hardhandig aan zijn haren, zodat hij net met zijn hand niet de contactsleutel van zijn auto kan omdraaien, omdat ik bang ben dat hij me anders omver zal rijden. Ik sla het portier dicht zodat zijn haren tussen de deur klemmen en hij dus zijn auto niet kan starten. Begrijpelijk is dit niet fijn voor hem, want hij schreeuwt moord en brand. Daarbij opgeteld heeft de man niet het kleinste postuur, dus het zal een zware dobber voor mij worden als hij zo meteen uitstapt. Ik druk de noodknop van mijn portofoon in en roep om assistentie. Ik hoor nog net dat de meldkamer mijn noodoproep begrepen heeft en politieauto’s mijn kant uitstuurt. Maar tot die tijd moet ik het wel zelf even uit zien te zingen.

De man verandert in een woesteling en duwt uit alle macht tegen het portier aan. Helaas kan ik hier niet tegenop, zodat de man door het geopende portier naar buiten rolt, mij met zich meetrekkend. Ik kom ten val en besef dat ik hem zo snel mogelijk uit moet schakelen. Ondanks dat ik hem ferme klappen geef en ikzelf ook de nodige klappen moet incasseren lukt het me niet om hem onder controle te krijgen. Maar gelukkig hebben we onze pepperspray nog. Ik spuit de man rijkelijk met pepperspray in zijn gezicht in de hoop dat dit werkt. Ik ga op veilige afstand staan en zie dat de pepperspray zijn werking fantastisch doet. Hij geeft zijn verzet op en gaat door de knieën. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ontzettend blij ben als ik de eerste politieauto, een wagen van naburige regio Zuid-Holland-Zuid, zie verschijnen. Overal hoor ik sirenes en er verschijnen nog veel meer politieauto’s. De man wordt geboeid afgevoerd en ik kan even tot rust komen. Ik heb mijn doel bereikt, namelijk de aanhouding van de man, maar niet mijn streven om op tijd thuis te zijn. Een collega van mijn ploeg, die ook ter plaatse gekomen is, vraagt aan mij: “Jij moest toch eerder naar huis?". Ja, dat dacht ik ook, maar politiewerk zit in je bloed en dit soort dingen kun je niet laten gaan.

Met een gescheurd overhemd en diverse schaafplekken, maar ook een met glimlach rijd ik naar huis. Wat hebben we toch een mooie en onvoorspelbare baan.

Uiteindelijk bleek de man flink onder invloed van alcohol te zijn en nog een gevangenisstraf wegens mishandeling mocht uitzitten.

maandag 9 juni 2014

Bangebroek

Geluk moet je afdwingen, zeggen ze. Maar je moet soms ook wel eens geluk hebben en dat geldt vandaag voor mij in allerlei opzichten.

Ik rijd in uniform met een politieauto de poort van het bureau Zuidplein uit. Ik moet even wat wegbrengen op het bureau in Hoogvliet. Net als ik de P weg op wil rijden, hoor ik dat de meldkamer een bericht voor alle wagens uitgeeft. In het centrum is een rode Volkswagen Golf weggereden, waarvan de bestuurder een diefstal heeft gepleegd bij een winkel met behulp van een geprepareerde tas. Een tas waarvan de binnenkant dusdanig is aangepast dat de beveiligingspoortjes bij de uitgang van de winkel niet in werking treden.





Het signalement is een grote kale vent met een zwarte leren jas en een spijkerbroek. De beveiliging heeft de man achtervolgd en zag dat hij in een rode Volkswagen Golf stapte. De eigenaar hoort thuis op Rotterdam Zuid.

Op het moment dat de melding wordt uitgegeven, rijdt voor mijn neus een rode Golf. Mijn ogen vallen er bijna uit, want voor mij rijdt de genoemde rode Golf. Ik zie dat de bestuurder alleen in het voertuig zit en inderdaad een kaal hoofd heeft. Wat een geluk!

Ik geef mijn positie aan de meldkamer door, maar helaas is er geen auto dicht in de buurt. De man zit continue in zijn spiegel te kijken en ziet natuurlijk ook dat die politieauto hem volgt. Straat in, straat uit en die politieauto blijft hem maar volgen, zonder een stopteken te geven. Dus besluit de kale maar zelf te stoppen en de politieagent te vragen wat hij van hem wil. Dat weet hij natuurlijk wel, maar hij zal die agent wel eens even intimideren.
Ik geef nogmaals mijn positie aan de meldkamer door en vertel dat de man gestopt is en inmiddels uit zijn auto is gestapt.

Ik stap zelf ook uit en zeg direct tegen de man dat hij is aangehouden op verdenking van winkeldiefstal. Ik moet wel even slikken tegen wie ik het zeg. Voor me staat een boom van een kerel met een gezicht op onweer. Met een dreigende toon en op een afstand van nog geen 20 centimeter zegt hij tegen mij: “Dus jij gaat mij aanhouden, gespierde spijker?” Ik houd mijn gezicht in de plooi en bluffend zeg ik tegen hem: “Ja, inderdaad, deze gespierde spijker gaat jou aanhouden, niet goedschiks dan kwaadschiks! Ik weet dat er een grote sterke vent tegenover me staat, maar dat interesseert me helemaal niets. Als jij me pijn gaat doen, ga je straks nog veel meer pijn krijgen als de collega’s je in een busje frommelen. En dat voor een winkeldiefstalletje. Dus ga nou maar gewoon mee, dat is veel makkelijker voor jou en voor mij".

Ik voel echter de zweetstraaltjes vanonder mijn armen naar beneden lopen, maar laat niets merken. Ik besef wel dat ik, als hij me beet pakt of een kopstoot geeft, nergens ben, maar ben geen moment van plan om terug te stappen. Wel sta ik in de aanslag om bliksemsnel een stap terug te doen en eerst even enige toefjes pepperspray in zijn gezicht te spuiten. En dan nog zal het een zware dobber worden, maar dat moet ik dan maar even op de koop toenemen. Ik ben wel van plan ervoor te gaan.
Ik zie dat zijn gezichtsblik veranderd van dreigend in een soort van verbazing.  Fronsend kijkt hij me aan en zegt dan: “Oké, als het maar niet te lang duurt!
Inmiddels komt een politiebus ter plaatse met twee collega’s, waar de verdachte in mag stappen. De tas met inhoud wordt inderdaad in de rode Golf aangetroffen.

Op het bureau plaats ik hem in een voorlopig arrestanten verblijf en vraag aan hem of hij een bakkie koffie wilt. Volgens mij begrijpt hij er dan helemaal niets meer van.
Nadat ik de koffie aan hem heb gegeven zegt hij tegen mij : “Jij bent echt niet bang hè? Jij bent tenminste niet zo’n bangebroek als een hoop collega’s van je!

Lachend heb ik de deur dicht gedaan, hij moest eens weten.

 

maandag 2 juni 2014

Muziek, het geluid van de politiehelikopter


Ik stap deze ochtend vroeg op de motor. Het is erg mistig en de zon is druk bezig om haar zonnestralen door het wolkendek heen te priemen, wat prachtige beelden oplevert. Het werkverkeer komt inmiddels aardig op gang, maar gelukkig verloopt het deze ochtend vlotjes zonder incidenten.

Omdat het zo rustig met de meldingen is, vraag ik aan de wachtcommandant van de verkeerspolitie, Krijn, of hij de ANPR-camera’s van de oeververbindingen bij wil zetten. Deze camera’s scannen 24 uur per dag alle kentekens van voertuigen. Voertuigen die in het ANPR-bestand voorkomen, leveren bij het scannen een zogenaamde ‘hit’ op. Je krijgt dan een signaal dat er een voertuig door de tunnel heen rijd, welke gesignaleerd staat. Dan kan voor heel veel zaken zijn o.a. voor rijden zonder rijbewijs, gestolen voertuigen, openstaande boetes, belastingschuld enz.

Mijn gedachten dwalen af naar zo’n twee jaar geleden toen ik ook op de motor reed en een mooie achtervolging had achter een gestolen auto. De auto eindigde in een bloembak en ik kon de bestuurder aanhouden. Ik zou eigenlijk wel weer eens een achtervolging willen hebben, het is tenslotte weer een tijd geleden.

Eenmaal bij de X tunnel voegt zich nog een motorrijder bij mij, Kees, van de verkeerspolitie. Na amper vijf minuten komt de eerste ‘hit’ van een voertuig. De bestuurder hiervan heeft een boete openstaan van 310 euro welke hij direct betaalt. Na te hebben afgerekend, komt de tweede ‘hit’. Ik neem de bestuurder mee naar de A straat. Volgens het systeem heeft de bestuurder een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden. Dat betekent dat hij, gedurende een periode, van de rechter niet mag autorijden. Ik vraag aan de bestuurder om zijn legitimatiebewijs, maar hij vertelt dat dit thuis ligt. Hij vertelt verder dat de auto van zijn broer is en dat hij weet dat deze een rijontzegging heeft. Maar hoe kom ik nou te weten of hij niet liegt? Ik vertel hem dat hij mee moet naar het bureau en dat we daar gaan uit zoeken of hij daadwerkelijk de waarheid spreekt. Echter, ik hoor via de mobilofoon Krijn roepen dat er een gestolen auto door de A tunnel rijdt van noord naar zuid. Tja, dat is wel balen, want daar sta ik met die man zonder legitimatiebewijs. De man doet zijn best en geeft mij een hoop papieren waarop zijn naam staat, maar geen geldig legitimatiebewijs.

Ik hoor dat Kees inmiddels de auto heeft opgepikt en een stopteken geeft. Ik hoor Kees zeggen dat hij gaat stoppen en hem volgt naar een parkeerplaats. Ik richt mijn aandacht weer op de man, totdat ik Kees over de mobilofoon hoor roepen dat de gestolen auto er vandoor gaat. Dan gaan de bellen bij mij rinkelen. En nog veel harder rinkelen als ik Kees hoor zeggen dat hij de gestolen auto kwijt is. Hoe is dat nou mogelijk? Mijn handen jeuken om de hoop papieren weer in de handen van de man te duwen, maar dit zijn ook zaken helaas. Totdat ik een enorm motorgeloei hoor. Dan gaat bij mij het luchtalarm af. Ik zie de gestolen auto aan komen scheuren. In een flits gooi ik alle papieren, mijn bonnenboekje en mijn motorhandschoenen die ik onder mijn arm geklemd heb op straat, naast de man. Ik roep naar de man dat hij even moet blijven staan en dat ik zo terug ben. Ik ren naar mijn nog draaiende motor toe en spring hierop.

Eindelijk, hier heb ik vanochtend nog op gehoopt! Ik zet de achtervolging in richting de B straat. De bestuurder rijdt als een waanzinnige. Hij rijdt met grote snelheid het trottoir op om de C straat in te rijden. Er rijdt daar echter op de hoek een fietser die probeert de auto te ontwijken. Ik zie dat dit niet lukt. De auto slipt en breekt uit. Hierbij neemt hij het achterwiel van de fietser mee, waardoor deze ten val komt. Ik zie dat de fietser gelukkig opstaat, maar dat het achterwiel ernstig gevouwen is. De fietser is woest en schreeuwt naar mij dat ik die “idioot” moet pakken. Ik schakel inmiddels mijn ‘toeters en bellen’ in en volg op veilige afstand de auto. Hij rijdt als een gek en probeert mij kwijt te rijden. Voor mij is het op de motor echter geen enkele moeite om hem bij te houden, ik blijf op veilige afstand volgen. Een stuk verderop staat een schoolklas op het punt om over te steken. Onverminderd, met hoge snelheid, rijdt de bestuurder hier op af en gelukkig zijn de twee begeleiders zeer alert. Ik zie dat ze hun armen spreiden voor de kinderen en de kinderen tegenhouden. Met grote ogen kijken de kinderen, van zo’n 7 jaar oud schat ik, naar de auto en naar mij. Ik heb inmiddels de tijd gehad om de stekker van mijn mobilofoon in te pluggen en hoor dat de auto mogelijk gestolen is door een voortvluchtige gevaarlijke verdachte die geweld niet schuwt. Even overweeg ik de achtervolging af te breken om de verdachte niet op te jagen, omdat ik bang ben dat er anders doden gaan vallen. Maar omdat de verdachte de wijk uitrijdt richting industriegebied waar het minder kwaad kan en ik hem dolgraag wil grijpen, blijf ik hem volgen. Ik zie aan het eind van de weg een politiebus met zwaailicht naderen die helaas voor ons langsrijdt. Achter de politiebus om rijdt de verdachte tegen de richting een eenrichtingsstraat in. Het mooie is dat hij daar 3 tegemoetkomende auto’s moet passeren waardoor hij snelheid verliest.

Dit is voor ons het moment om een val te zetten. Ik zie aan het einde van straat een politiebus met zwaailicht ons tegemoet komen. Ik roep via de mobilofoon dat ze daar moeten blijven staan, zodat de bestuurder zichzelf klemrijdt. De verdachte ziet de politiebus en rijdt halverwege een parkeerterrein op van een landhuis met de bedoeling om het landhuis heen te rijden en dan via de tuin weer terug te rijden. Maar hij heeft pech en wij geluk! Een grote vrachtauto met een kraan erop verspert hem de doorgang. Dan wordt de verdachte radeloos. Hij rijdt de tuin in van het landgoed richting een bruggetje. Maar dat bruggetje is bedoeld voor voetgangers en te smal voor een auto. Hij probeert nog om te draaien, maar door de hevige regenval van de laatste tijd ploegt hij zichzelf vast en springt uit het voertuig. Ik rijd met de motor de tuin in en nader het voertuig. Ik roep de verdachte bij zijn naam, dat hij moet blijven staan en dat het toch geen zin heeft om weg te rennen. Ik verwacht eigenlijk dat dit toch geen effect heeft, maar hij draait zich om en kijkt me een aantal seconden verbaasd aan. Hierna rent hij verder het park in. Ik wil mijn motor neerzetten naast het geopende bestuurdersportier om de achtervolging in te zetten. Met zo’n motorharnas ben je echter net Dik Trom, dus een marathon gaat het niet worden.

Tot mijn verbazing verschijnt er uit het geopende portier nog een manspersoon die eruit wil springen. Ik steek daar in een flits met mijn motor een stokje (wiel) voor. Ik grijp deze man bij zijn jas beet. Doordat de man zich weer in de auto terugtrekt, kennelijk om aan de andere kant eruit te gaan, schiet de jas over zijn hoofd heen. Als een kurkentrekker draai ik de jas om het hoofd van deze man heen. Het gevolg is een gorgelend geluid onder de jas vandaan en een hese stem die roept:“Laat me los, ik stik!”. Ik roep tegen hem dat hij één hand naar mij toe moet steken en sla daar een boei om. De andere klik ik vast aan de beugel van mijn motor.

Dan hoor ik boven mij een geluid, wat me als muziek in de oren klinkt, de politiehelikopter. Klapwiekend hangt hij boven me en de heliwaarnemer vraagt de looprichting van de verdachte. Ik geef door dat de verdachte het park is ingelopen. Inmiddels is een politiebus met Herman en Jan gearriveerd die mij onmiddellijk te hulp schieten en de passagier van mij overnemen.
Nog geen minuut later neemt de politiehelikopter een rennend persoon waar in het park. De vele toegesnelde collega’s weten de verdachte bestuurder in te rekenen. Wat een euforisch gevoel!

Dan schrik ik. Ik bedenk me opeens dat ik mijn bonnenboekje en mijn handschoenenen heb neergegooid op de A straat. Ik rijd terug, maar heb eerlijk gezegd weinig hoop dat mijn spullen daar nog zijn. Tot mijn grote verbazing staat daar nog de auto met de man erin. En naast de man liggen op het wegdek een paar motorhandschoen, mijn bonnenboekje en de hoop papieren van de man. Ik kan het werkelijk niet geloven. De man kijkt mij met een niet begrijpende blik aan en vraagt waarom ik ‘even’ weg ben gegaan. Ik vertel hem dat ik even ‘iets’ moest doen en bedank hem dat hij is blijven staan. Hij begrijpt er nog steeds niets van en zegt dat hij toch mee moet naar het bureau. Ik vertel hem dat het in orde is, geef zijn papieren terug en wens hem een goede reis. Volgens mij begrijpt hij er nu nog steeds niets van wat er allemaal gebeurd is.

De verdachte bestuurder blijkt inderdaad een ontsnapte crimineel te zijn. Hij verklaarde stomverbaasd te zijn toen ik hem bij zijn naam riep op het moment dat hij wilde vluchten. Hij bleef steeds aan de rechercheur vragen wie die motoragent was en hoe ik zijn naam wist.
Zijn kompaan bleek eveneens nog een fikse gevangenisstraf te hebben openstaan en mocht ook gelijk de cel in.

Mijn dag kon niet meer stuk.

 

maandag 26 mei 2014

Mens-erger-je-niet



Bepaalde dingen die ik zie of hoor, roepen bij mij zeer onprettige herinneringen op. Dat kan een bepaald liedje zijn die ik tijdens een reanimatie op de radio heb gehoord in een woning of een kinderspeelkleed waarin een slachtoffer door de dader was opgerold. Maar ook het bekende spel mens-erger-je-niet roept bij mij nog steeds herinneringen op.





Tijdens een avonddienst, tegen het einde van het jaar in de donkere dagen, krijgen we een melding van een meisje dat dreigt te stikken in iets. Er is een hoop paniek aan de telefoon en de meldkamer kan uit het gesprek niet opmaken wat er precies aan de hand is.
Wij zitten redelijk dicht in de buurt en rijden met spoed naar het adres aan de A straat toe.

Ter plaatse gekomen zien we een meisje van een jaar of 10 oud op de grond liggen. We zien dat ze al blauw aangelopen is. In de kamer is verder haar moeder, een vriendinnetje en een broertje aanwezig. Moeder is hevig in paniek en vertelt ons dat haar dochtertje een pionnetje van het spel mens-erger-je-niet in haar keel heeft zitten. Het meisje ademt niet meer en heeft tevens geen hartslag meer. Hierop starten wij direct met reanimeren. Voorzichtig probeer ik nog met mijn vinger in haar mond het pionnetje te vinden, maar ik voel niets. Ik geef een urgente status op mijn portofoon. Hiermee krijg je direct voorrang bij de meldkamer. Ik vraag met spoed om een ambulance en geef door dat we begonnen zijn met de reanimatie. Het is voor ons best lastig om een kind te reanimeren. Ten eerste omdat het een kind betreft en dat raakt je ! Ten tweede de kracht waarmee je moet reanimeren. Je kunt niet zo hard op zo’n klein lichaampje drukken zoals bij een volwassene, dus je moet daar heel goed rekening mee houden. Gelukkig komt na korte tijd het ambulancepersoneel ons versterken. We doen het volgens hen prima. Inmiddels is ook het mobiel medisch team aanrijdend, vliegen met de helikopter was niet mogelijk vanwege de weersomstandigheden.

Toch zijn ze vrij snel ter plaatse en wordt door de chirurg een drastische ingreep gedaan. Hij probeert nog met een sneetje in haar keel de luchtweg vrij te maken. Het is een dramatisch gezicht en je hoopt alleen maar op een goede afloop. Alles wordt klaargemaakt voor een spoedtransport naar het Sophia kinderziekenhuis. De brancard wordt door het ambulance personeel gehaald. Het betreft een kleine woning, die kort na de oorlog is gebouwd. Tot overmaat van ramp lukt het niet om de brancard via de smalle gang in de woonkamer te krijgen. Veel tijd is er niet over, dus besluiten we om de ruit van de woonkamer te vernielen. Gelukkig is de brandweer ook ter plaatse en met veel geweld wordt binnen korte tijd door hen de hele voorruit van de woning eruit geslagen. We hebben hierna een deken over het kozijn neergelegd en met een bezem snel het meeste naar buiten geslagen glas weggeveegd om een veilige doorgang te verzorgen.

Met spoed wordt het meisje overgebracht naar het ziekenhuis. Moeder gaat mee met de ambulance en het broertje en het vriendinnetje worden opgevangen bij de buren.
Wij blijven achter om het huis te beveiligen en te wachten op een afdichtingbedrijf.

Het mens-erger-je-niet spel is als stille getuige achtergebleven op de plaats des onheils. Eén groen pionnetje ontbrak. Uit later onderzoek blijkt dat het meisje het holle plastic pionnetje, gebruikelijk bij de goedkope variant van het spel, bij wijze van grap op haar tong had vastgezogen. Dit spelletje was misgegaan en het pionnetje was in de luchtpijp van het meisje terecht gekomen. Door de trechterachtige vorm van het pionnetje was dit muurvast in haar luchtpijp komen te zitten.

Helaas heeft het meisje het niet overleefd.


vrijdag 16 mei 2014

Schiet me maar dood!

We zijn afhankelijk van burgers die de meldkamer bellen als ze verdachte situaties zien of horen. Tegenwoordig doen we onze uiterste best om burgers, die een melding gedaan hebben, terug te bellen en even de afloop te laten weten van een melding. Dit is helaas niet altijd mogelijk, maar we stimuleren de collega’s wel om dit zoveel mogelijk te doen. Maar tijdens surveillance worden dingen  je ook wel eens in de schoot geworpen,je krijgt ze op een presenteerblaadje.

Samen met Anja van de verkeerspolitie rijden we om 03:00 uur ’s nachts op de A weg in de richting van de tunnel. Het is vrij rustig op de autosnelwegen, dus duiken we de stad maar eens in om te kijken of daar meer te beleven valt. Tegengesteld uit de tunnel zien we een auto aan komen rijden, zonder verlichting en grote rookwolken achter zich latend.  Als de auto dichterbij is zien we dat de motorkap wel een dak lijkt en de hele voorkant in de prak zit. Aan de voorkant is niet meer te zien wat voor merk auto het is. “Wat is dit nou?” roept Anja en keert onze dienstauto, nog net op tijd voor we de tunnel inrijden. Ondanks de schade heeft de bestuurder er nog flink de vaart in. De achterlichten van de auto, een gloednieuwe BMW 7-serie, branden wel, hoewel we de rook ook zouden kunnen volgen. Ondanks het stopteken blijft de auto stevig doorrijden. Na de toeters en bellen aangezet te hebben slaat de auto plotseling linksaf een straatje in en stopt abrupt.

Er springt een jongeman uit de auto en ik heb me al voorbereid op een achtervolging te voet. Echter komt de jongen, al schreeuwend en druk gebarend, naar onze auto toegelopen. Ik spring uit onze dienstauto en sommeer hem te blijven staan. Met grote ogen kijkt hij me aan en schreeuwt : “Oh mijnheer, schiet me maar dood, schiet me alstublieft dood!”. Ik blijf op veilige afstand staan, omdat ik niet weet wat er precies gebeurd.  Anja is ook uitgestapt, blijft ook op veilige afstand en roept naar de jongen dat hij op zijn knieën moet gaan zitten en luisteren wat hij moet doen. Hij gaat gewillig op zijn knieën zitten, met zijn rug naar ons toe, zijn handen in zijn nek. Hij wijst met zijn vinger naar zijn nek en schreeuwt naar Anja : “Hier mevrouw, hier moet u mij doodschieten, anders maakt mijn broer me wel dood!“ Met verbijsterde blikken kijken Anja en ik elkaar aan en ik gebaar dat ik hem ga boeien. Voorzichtig benader ik de jongen en sla hem in de boeien. Ik fouilleer hem om te kijken of hij geen wapens bij zich heeft, maar hij heeft niets bij zich.

We zetten hem overeind en kijken in het gezicht van een radeloze jongen. Bijna struikelend over zijn woorden vertelt hij dat hij zojuist met de gloednieuwe BMW tegen een betonnen barrier aan de noordkant van de tunnel is gereden. De BMW is eigendom van de werkgever van zijn broer. Zijn broer gaat morgen trouwen en heeft de auto te leen gekregen om met zijn bruid op deze heugelijke dag luxe rond te toeren.

De jongen, Koos, blijkt 17 jaar oud te zijn, dus nog niet in het bezit van een geldig rijbewijs. Nadat zijn broer in slaap is gevallen, heeft hij stiekem de autosleutels uit diens zak gepakt om een tourritje door Rotterdam te maken. Stilletjes sluipt hij de trap af en stapt in de dure bolide. Op de B weg trapt hij het gas van de 12 cilinder eens lekker in. Maar dan komt de bocht naar de tunnel en zijn snelheid is veel te hoog. Hij klapt met de voorzijde tegen de betonnen barrier aan en raakt in paniek. Hij wil, ondanks de grote schade, weg. Waarheen weet hij niet, dus rijdt de tunnel in richting Zuid. Tot overmaat van ramp komt hij dan ook nog een politiewagen tegen die de achtervolging inzet, na korte tijd zelfs met zwaailicht en sirene. Hij besluit dan toch maar te stoppen, maar wil het liefst dood zijn. Ik heb best wel medelijden met hem, want hoe gaan we dit inderdaad aan zijn broer vertellen? Koos vertelt dat hij zijn broer redelijk kent en dat die alles bij elkaar zal gaan gillen als hij dit ‘nieuws’ hoort.

We houden Koos aan en brengen hem over naar het bureau. Anja en ik zijn het met elkaar eens dat het de beste oplossing is om Koos veilig in een arrestantenverblijf te plaatsen en bij de broer van Koos aan de deur te gaan. Het valt me op dat het kenteken van de BMW nagenoeg gelijk is aan die van onze 4 weken oude Mercedes, dus heel oud zal hij niet zijn. De BMW wordt weggetakeld en wij bellen aan op het adres van zijn broer, tevens het adres van de vader en moeder van Koos.
Slaperig opent de vader van Koos de deur en kijkt ons fronsend aan als we vragen of hij de vader is van Koos. Als we vertellen waar voor we komen is hij wel gelijk klaarwakker. Hij zucht zwaar en laat ons binnen. Hij haalt gelijk de broer van Koos uit bed en Koos heeft niet gelogen. Hij gilt, schreeuwt en krijst alles bij elkaar en roept : “Ik maak hem dood, ik maak hem dood!”.

We proberen er alles aan te doen om de broer rustig te krijgen wat redelijk lukt. Maar als de broer vraagt of de schade misschien nog te repareren is voor de bruiloft, schiet ik bijna in de lach. Ik vertel hem, met moeite mijn gezicht in de plooi houdend, eerlijk dat de hele voorzijde zwaar beschadigd is en dat dit zeker niet gaat lukken. Het gevolg is weer dat hij begint te gillen : “Ik maak hem dood!”. We besluiten om maar weg te gaan en spreken met de vader van Koos af dat deze naar het politiebureau komt, om te kijken wat we het beste kunnen doen.

We rijden vervolgens naar de noordkant van de tunnel toe en treffen daar bij de betonnen barrier een enorme hoeveelheid brokstukken aan, waaronder ook de kentekenplaat van de BMW. Dat is dus duidelijk. De barrier heeft echter geen schade, dus we rapen alle brokstukken van de weg, vegen de boel aan, nemen de kentekenplaat mee en rijden naar het bureau.

In overleg met zijn vader laten we Koos voor zijn eigen veiligheid en om de gemoederen te bedaren overnachten in ons ‘hotel’. Later hoorden we dat de chef van dienst een goed gesprek had gehad met de vader van Koos en diens broer. Hij mocht toch op de trouwdag zijn van zijn broer, onder twee voorwaarden. Hij moest heel de dag zich gedeisd houden en zeker geen discussie met zijn broer aangaan. Ik ben benieuwd hoe het gegaan is die dag en wat voor trouwauto ze hadden. De verzekering keert de schade van de BMW wel uit, maar zal dit verhalen op Koos of diens ouders. Ik zou hier toch wel pijn in mijn buik hiervan hebben.

maandag 12 mei 2014

Luide knallen!

Ondanks dat je bij IBT (Integrale Beroepsvaardigheid Training) geleerd wordt dat je altijd klaar moet zijn voor onverwachte situaties, komen ze toch altijd onverwachts. Routine kan dodelijk zijn, maar wat kun je nu verwachten van een dagelijks tafereel aan de balie, zoals een verwarde jongeman die je verplicht om boekjes te lezen?

Op een dag komt een jongeman het bureau Zuidplein binnengelopen, een grote sporttas meezeulend. Voor de balie zet hij de sporttas neer en wordt aangesproken door een baliemedewerkster van de ISO (Intake, Service & Ondersteuning), Aurora. Aurora is een dame met een behoorlijk temparement, die al gauw tot de conclusie komt dat er met deze jongeman, Bart genaamd, niet te praten valt. Bart komt namelijk vertellen dat hij een chef van dienst wil spreken om even te vertellen dat hij vindt dat de politie haar werk niet goed doet. In zijn sporttas bevinden zich stapels boekjes van ‘inspecteur Arglistig’ en volgens hem moeten alle politieagenten deze boekjes eens lezen. Hij opent de sporttas, pakt er een paar boekjes uit en legt deze op de balie.

Aurora vertelt dat ze liever heeft dat Bart de boekjes weer terug in de sporttas doet en het bureau verlaat. Bart wil dit echter niet en begint te schreeuwen. Aurora is echter onverschrokken. Ze verheft haar stem ook en verzoekt Bart wederom om het bureau te verlaten. Ik zit op dat moment achter de mobilofoon in de wachtcommandantruimte en hoor de stem van Aurora. Ik zie op de camera’s een jongeman in een trainingspak staan te stuiteren. Nieuwsgierig sta ik op en loop naar Aurora toe. Ik zie achter de balie Bart staan, een jongeman van zo’n 20 jaar oud. Ik zie de ogen van Bart wild rondraaien en hij oogt kennelijk nogal boos. Direct als hij mij ziet richt hij zijn pijlen op mij en vraag of ik de chef ben. Ik vertel hem dat ik niet de chef ben, maar de wachtcommandant. Aurora verzoekt aan mij of ik hem het bureau uit wil zetten. Ik vraag aan Bart of het duidelijk is dat hij het bureau moet verlaten. Bart is dit niet van plan en vraagt of hij de chef mag spreken. Kees, de chef, heeft inmiddels het tumult ook gehoord en komt aanlopen. Samen lopen we achter de balie vandaan en gaan via de toegangsdeur de hal binnen naar Bart toe. Kees stelt zich voor als de chef van dienst en vraagt aan Bart wat het probleem is. Bart vertelt dat hij boekjes bij zich heeft die alle politieagenten maar eens moeten lezen. Ze zullen dan veel beter functioneren. Kees vertelt dat we op zijn boekjes geen prijs stellen, maar dat het beter is dat hij het bureau verlaat in plaats van de boel op stelten te zetten. Inmiddels is een andere collega, Erik, ook bij ons komen staan en met z’n drieën pakken we Bart beet en met zachte hand zetten we hem het bureau uit. Ik loop terug, pak de boekjes van de balie en doe deze in de sporttas. Ik pak de sporttas op en voel dat deze behoorlijk zwaar is. Ik zie dat er zeker zo’n 20 boekjes inzitten en ook een spijkerbroek. Achteraf had ik moeten weten dat de sporttas van die 20 boekjes nooit zo zwaar had kunnen zijn. Ik smijt de sporttas buiten naast Bart neer en met z’n drieën lopen we weer naar binnen. De deur van het bureau gaat dicht. Zo, dit is weer even geklaard.

Bart staat buiten te schreeuwen en te gebaren met zijn armen, dus we kijken wel even wat hij nog in petto heeft. We zien hem de sporttas openritsen. Hij smijt een aantal boekjes op het trottoir en haalt vervolgens de eerdergenoemde spijkerbroek uit de tas. Het lijkt wel of er in de spijkerbroek een voorwerp zit, want de ene broekspijp blijft stijf overeind staan. Ik doe de deur open en het volgende moment klinkt er een serie luide knallen. Uit de gebogen pijp van de spijkerbroek komen grote steekvlammen. We staan stijf genageld aan de grond en schrikken ons wild. Aurora slaakt een ijselijke gil en duikt onder de balie. Ik weet nog dat ik aan vuurwerk dacht wat misschien uit de broekspijp kwam. Voor mijn gevoel duurt het behoorlijk lang voordat we in actie komen. Als er opnieuw luide knallen klinken en opnieuw vlammen uit de broekspijp komen, beseffen we pas dat hij een vuurwapen in handen heeft. Instinctief duiken we op Bart af en ik grijp de broekspijp vast. Ik voel een warme loop en ruk het geweer uit handen van hem. Kees en Erik vloeren Bart op hardhandige wijze en daar sta ik met het geweer in mijn hand. Wat ik daarna zie is achteraf lachwekkend. Uit de toegangsdeur komen collega's in allerlei posities aangekropen c.q. aangestormd. Er heeft er één een kogelwerend vest voor zijn borst geklemd, één een kogelwerend vest als een dak boven zijn hoofd en één kruipt al tijgersluipend langs de toegangsdeur heen met zijn pistool in zijn hand. Als ze eenmaal doorhebben dat de situatie onder controle is, veranderen deze posities snel.

Bart wordt op zijn buik gelegd, geboeid en samen met een andere collega haal ik het wapen uit de spijkerbroek. Het blijkt een automatisch geweer te zijn, een Kalashnikov met een inklapbare kolf. Er blijken twee magazijnen aan elkaar geplakt te zitten, geladen met scherpe patronen. In de broekspijp blijken 14 lege hulzen te zitten. Bart heeft dus 14 keer met scherp geschoten, gelukkig in de lucht. We beseffen dat we er ontzettend goed vanaf gekomen zijn, want tegen zulke kogels helpt geen enkel kogelwerend vest. Dan pas voel ik dat ik brandblaren op mijn hand heb zitten. Deze heb ik door de adrenaline niet eens gevoeld.

Bart wordt het cellencomplex binnengebracht, gefouilleerd en in een VAV (Voorlopig Arrestanten Verblijf) geplaatst. Dit duurt echter niet lang, want hij schopt de deur en de ramen er zowat uit. Hij schreeuwt alles aan elkaar en lijkt wel een stuiterbal. Besloten wordt om hem in de isoleercel te plaatsen, waarin een observatiecamera is geplaatst. Bart wordt ontdaan van de nodige kleding om zichzelf niets aan te kunnen doen. In de observatiecel echter zien we via de camera tot grote ontsteltenis dat hij de wand, welke bestaat uit zachte bekleding zodat iemand zichzelf geen pijn kan doen, begint te slopen. Hij hapt als een wild dier met zijn tanden in de bekleding en scheurt dit open. Grote repen bekleding met zachtschuim belanden op de grond. Voordat we de deur van de kalmeringscel weer open hebben, heeft Bart een groot deel van de wand vernield. Hierop wordt besloten om hem op de luchtplaats te brengen, omdat hij daar niets kan vernielen. Wederom kijken we op de camera van de luchtplaats mee, wat Bart hier gaat ondernemen. We zien dat hij aan het ingemetselde kastje van de intercom staat te rommelen. Normaal gesproken heb je een schroevendraaier nodig om het voor elkaar te krijgen dit uit de muur te trekken, maar Bart lukt het met zijn vingers. We zien op een gegeven moment dat hij het plaatje van de intercom los heeft getrokken en met zijn tanden de draden uit de muur trekt. Hierop besluiten we, in overleg met de chef van dienst, om Bart aan handen en voeten te boeien in afwachting van een arts, die hem kalmerende middelen toedient. Bart wordt later opgenomen in een psychiatrische inrichting.

’s Avonds op de bank heb ik tot in de late uurtjes enkele biertjes genuttigd. En ik weet nog dat ik die nacht heel weinig geslapen heb. We zijn er weer goed vanaf gekomen.

maandag 5 mei 2014

Kostbare lading



Van de week heb ik meerdere keren motorrijders gezien, die zonder beschermende kleding op hun motorfiets zaten. Het gaat toch altijd goed!? Helaas zijn er situaties die je zelf niet in de hand hebt. Eén fout van een medeweggebruiker kan grote gevolgen hebben voor de motorrijder en/of de passagier. Het menselijk lichaam heeft op verschillende plaatsen botten die uitsteken en bij aanraking met het wegdek als eerste hier overheen schuren.


De motorrijder met z’n flapperende pantalon, platte schoenen en blote handen, die ik van de week zag rijden, deed me terugdenken aan een ongeval, waarbij een vader met z’n dochter zwaargewond raakten.

Het is een prachtige zomerdag en het belooft erg warm te worden als twee weggebruikers besluiten om die dag de weg op te gaan. Martin heeft zijn glimmende Harley-Davidson uit de garage gereden en besluit om met zijn 16-jarige dochter Marloes een tourrit te gaan maken. Samen stappen ze in hun T-shirtje, korte broek en sportieve schoenen op de grote Harley-Davidson, uiteraard wel met een helm op. Martin rijdt al vele jaren motor en is een rustige rijder. Zijn vrouw waarschuwt hen nog dat ze vooral voorzichtig moeten zijn, maar Martin wuift dit weg door te zeggen dat hij altijd voorzichtig rijdt en uitkijkt.

Kees besluit vandaag om met zijn aanhangwagen een stalen cilinder van 700 kilo weg te brengen van zijn bedrijf naar de reparateur 40 kilometer verderop. De cilinder is zo zwaar dat hij nooit van de aanhangwagen af kan vallen, dus vastzetten is absoluut niet nodig.  Zoiets valt er toch nooit vanaf. Dat klopt ook wel, maar alles wat met snelheid voortbewogen wordt, zal ook op enige tijd afgeremd moeten worden. En als dat niet door remmen gebeurt, zal dat ergens anders door ‘afgeremd’ worden.

Op de provinciale weg, met verkeer in beide richtingen, wordt Kees zenuwachtig. Het is erg druk op de weg en hij vreet zich op achter het stuur. Hij wil op tijd bij de reparateur zijn, want die staat anders op hem te wachten. En tijd is geld! In de verte uit tegenovergestelde richting komt Martin met Marloes aangereden.
Dan remt het verkeer voor Kees plotseling af. Kees, die op te korte afstand van zijn voorganger rijdt, kan zijn auto niet tijdig meer tot stilstand brengen en botst tegen de auto die voor hem rijdt. Echter de aanhanger met de zware lading drukt door. Maar verder als de auto van Kees kan de aanhanger niet komen. De aanhanger ‘passeert’ de auto van Kees, schaart, kantelt en de zware cilinder vliegt als een veertje door de lucht. De cilinder belandt op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer.

Martin ziet het gevaarte op zich afkomen en remt uit alle macht. Hij weet echter de cilinder niet helemaal te ontwijken en het voorwiel van de motor schampt deze. De motor tolt, Marloes vliegt over Martin heen en smakt op het wegdek. Door de snelheid schaaft haar lichaam over het wegdek heen. Ze loopt hierdoor schaafwonden over haar hele lichaam op en blijft zwaargewond op het wegdek liggen. Martin komt met zijn rechterbeen onder de motor terecht en door het schuiven van de motor schaaft zijn voet voor een groot deel aan de zijkant af. Ook zijn rechterarm wordt door de aanraking met het wegdek afgeschuurd.
Het regent telefoontjes bij de meldkamer en deze slaat direct groot alarm. Alle hulpdiensten rijden met spoed naar de plaats van het ongeval.

Als ik op mijn motor ter plaatse kom tref ik een erbarmelijke situatie aan. Omstanders zijn druk bezig om Martin onder de zware Harley Davidson vandaan te krijgen en ook hebben ze zich over Marloes ontfermd.
Mijn eerste gedachte is waar ik in vredesnaam moet beginnen met orde scheppen in deze chaos. Overal lopen mensen te rennen en te vliegen. Er komt direct een man naar me toegelopen, die zich kenbaar maakt als brandweerman. Hij vraagt of hij iets voor me kan doen. In dit soort situaties is deze hulp fantastisch. Ik vraag hem om zich te concentreren op Marloes en het mij te laten weten als hij hulp nodig heeft. Ik snel op Martin af en spreek de burgers aan die zich over Martin ontfermd hebben. Hiertussen blijkt ook een arts te zijn, die eerste hulp verleent. Ik vraag hem ook om mij op de hoogte te houden.
Het is onvoorstelbaar hoeveel mensen aan je beginnen te plukken en vragen beginnen te stellen. Je ziet het wel eens op televisie als iemand belaagd wordt door de pers met 20 microfoons voor zijn mond, dit kun je er ongeveer mee vergelijken. Het is echter volkomen begrijpelijk, omdat iedereen zijn verhaal kwijt wil in dit soort ernstige situaties.
Ik praat de meldkamer bij zodat deze kan inschatten hoeveel hulpverleners ter plaatse moeten komen en ben blij als deze arriveren.
Ik ga als eerste zoveel mogelijk namen van daadwerkelijke getuigen noteren, omdat de ervaring leert dat deze als eersten de plaats van het ongeval verlaten. En dat zijn juist degenen die cruciaal zijn voor ons als politie. Verder neem ik Kees apart en duw hem in de handen van de inmiddels gearriveerde collega’s. Kees is in wezen de veroorzaker, dus de verdachte. Maar Kees is ook slachtoffer, want niemand wil dit op zijn geweten hebben. Het kan zijn dat conflictsituaties ontstaan, doordat burgers hun agressie botvieren op Kees, om hetgeen hij veroorzaakt heeft.

Marloes wordt inmiddels in de ambulance geplaatst en blijkt ernstige schaafwonden over haar gehele lichaam te hebben. Ze wordt met een spoedtransport overgebracht naar het ziekenhuis.
Martin heeft ook ernstige schaafwonden, vooral aan zijn enkel waar het complete bot is weggeschaafd, doordat zijn voet onder de motor vastgeklemd zat.
Verder waren de uitstekende delen van zijn rechterarm, zoals de knobbel van zijn elleboog en op zijn pols recht afgeschaafd.
In motorkleding zitten niet voor niets op een aantal plaatsen protectors. De ellebogen, de schouders, de rug, de knieën en bij motorlaarzen de verstevigde enkels. Ook motorhandschoenen zijn cruciaal, omdat bij een val als eerste de handen uitgestoken worden om deze te breken. Haal uw vinger even met kracht over het wegdek en u weet wat het effect van schuren op het wegdek over het hele lichaam kan betekenen.

Kees wordt veroordeeld voor het veroorzaken van een aanrijding met zwaar letsel. De rechter is van mening, na raadplegen van deskundigen, dat de ernst van de aanrijding veel minder had geweest als de cilinder goed had vastgezeten. De advocaat van Kees betoogt dat het letsel van Martin en Marloes aanzienlijk minder was geweest als ze beschermende motorkleding hadden gedragen. Ironisch genoeg heeft hij hier echter wel een punt.

Doe altijd beschermende motorkleding aan, ook al bent u een uitstekend motorrijder. De fout van een ander kan u fataal worden. De huidige zomermotorkleding is luchtig en biedt goede bescherming.

Zet lading op een aanhangwagen altijd vast. De veelgehoorde kreet dat het er nooit vanaf kan vallen is een fabel. De lading wordt met dezelfde snelheid als uw snelheid voortbewogen. De meeste zware ongelukken gebeuren door de fout van een ander.
Martin is blijvend gehandicapt aan zijn rechterarm en been doordat zijn gewrichten zijn verminkt.
Zijn kostbare lading, Marloes, is er weer bovenop gekomen, al heeft ze heel veel plastische chirurgie moeten ondergaan en zal haar lichaam blijvend getekend zijn.

 

maandag 28 april 2014

Vriendjespolitiek

Soms kom je voor een groot dilemma te staan wanneer je als politiemens op moet treden tegen een bekend iemand. Nou is dat voor een bekeuring al vervelend, laat staan voor een misdrijf zoals inbraak.
Waar je absoluut niet op zit te wachten, is als er een wel heel bekende verdachte opeens voor je neus staat, die je moet gaan aanhouden.

Zo is het die ochtend vroeg dat we naar een inbraak heterdaad bij een school worden gestuurd en al vrij snel ter plaatse zijn. Het kan niet anders of de verdachte moet nog binnen zitten. Met vier collega’s omsingelen we het gebouw en ik houd zicht op de achterkant van het gebouw. Ik meld dat er aan de achterzijde, waar ik positie heb ingenomen, een raam openstaat. Nog geen minuut later komen er opeens twee benen door het raam naar buiten, gevolgd door het achterwerk van een manspersoon. De verdachte heeft kennelijk gezien dat er politie aan de voorkant van het gebouw staat en probeert nu te ontsnappen via de achterzijde. Hij heeft alleen pech dat ik daar sta. Als de man op de grond springt, brul ik “Politie staan blijven !”. Kennelijk heeft de man dit totaal niet verwacht, want hij verstijft van schrik. Ik grijp hem vast en plaats hem met een ferme duw tegen de muur. Ik roep dat hij zijn handen tegen de muur moet plaatsen en geen verzet moet bieden anders zou ik hem ….
Hij mompelt iets van dat hij zich over geeft en ik niet zo moet schreeuwen. Ik roep via de portofoon  dat ik een verdachte heb aangehouden en plaats de verdachte in de handboeien. Hierna draait de verdachte zich om, kijkt me fronsend aan en zegt : “Piet Kats!” Ik kan wel door de grond zakken. Ik bekijk hem nog eens goed en zie dan pas dat het een oud schoolgenoot is, waar ik vroeger heel veel mee opgetrokken ben. Ik zal hem Henk noemen. Ik ben echt even uit het veld geslagen. Ik weet dat ik gewoon mijn werk doe, maar hier baal ik enorm van. Hij ziet mijn gezicht en vraagt of ik normaal tegen hem wil doen. Vroeger was het een boom van een kerel, maar wat nu voor me staat is een vermagerde kerel met een pokdalig uiterlijk en lang slonzig haar. Een echte junk !
Inmiddels zijn de collega’s al naar mij toegekomen om mij te assisteren. Eén van de collega’s herkent Henk van een eerdere aanhouding, waarbij hij veel verzet gepleegd heeft. Later vertelt deze collega dat hij niet begreep dat Henk zo rustig was.

Op het bureau gekomen heb ik lange tijd met Henk zitten praten in een VAV (Voorlopig Arrestanten Verblijf). Hij vertelt mij zijn levensverhaal. Nadat Henk de middelbare school heeft verlaten krijgt hij een baan in Rotterdam. Hij komt hij in aanraking met verkeerde vrienden uit Rotterdam. ‘Vrienden’ die Henk meeslepen in het uitgaansleven en voor de kick Henk ook cocaïne leren gebruiken. Henk raakt verslaafd en maakt thuis het leven van zijn familie zuur. Henk moet het huis uit en verblijft op allerlei adressen in Rotterdam. Zijn gebruik wordt meer en meer en tot overmaat van ramp raakt hij ook zijn baan nog kwijt. Om toch aan cocaïne te komen gaat Henk stelen. Voornamelijk bedrijfsinbraken of winkeldiefstal, geen woninginbraken. Als ik hem vraag waarom geen woninginbraken, zegt hij nooit mensen in hun persoonlijke levenssfeer te willen aantasten.

Diverse keren belandt hij in een politiecel of moet hij in de bak zitten. Ook krijgt hij psychische stoornissen, waardoor hij heel agressief kan reageren.
Hij vertelt mij dat hij dit leven zat is en zich aan wil melden voor verplicht afkicken.
Als ik de deur van de VAV dicht trek, besef ik wat een rijk leven mij gegeven wordt, waar je eigenlijk niet bij stilstaat.
Als ik het proces-verbaal aan het klaarmaken ben, wordt er door de wachtcommandant assistentie bij de arrestantenzorg gevraagd. Henk is compleet uit zijn dak gegaan en staat te rammen op de deur van zijn VAV. Hij blijkt door de arrestantenbewaker naar een cel gebracht te zijn en gevraagd te hebben of hij mag roken, maar daar is op dat moment geen tijd voor. Als hij vervolgens aan diezelfde bewaker vraagt of hij Piet Kats dan mag spreken, heeft deze gezegd dat ik niet meer aanwezig ben. Henk, zo ontvlambaar als hij is, begint op de deur van zijn cel te timmeren. Dit gebeurt met zo’n kracht dat ze bang zijn dat hij zichzelf ernstig zal verwonden.
Dus moet Henk dan maar naar de isoleercel gebracht worden.
Een dozijn collega’s snelt naar de cellengang, waaronder ikzelf. Op de gang hoor ik dat het om Henk gaat. Ik hoor hem schreeuwen : “Ik sloop jullie allemaal !” De collega’s, die Henk niet kennen en ook niet weten dat het een oude schoolvriend van me is, bereiden zich voor. De schilden worden erbij gehaald en ze bereiden zich voor op een zogenaamde schildprocedure. Hierbij gaan twee collega’s met schilden naast elkaar naar binnen. Ze duwen een verdachte dan met kracht tegen de muur, zodat deze zijn armen en benen niet kan gebruiken. Voordeel is dat zowel de collega’s als de verdachte nagenoeg geen letsel oplopen.

Ik wring mij langs de collega’s heen en ga voor het ruitje van de cel staan. Ik moet vriendjespolitiek toepassen. Ik vraag de collega’s enige afstand te houden, zodat ik even met Henk kan praten. Met grote ogen staan ze me aan te kijken of ik gek geworden ben. Die gestoorde gek zal mij aanvliegen! Ik kijk Henk aan en zeg tegen hem dat hij even op het bankje moet gaan zitten. Henk zijn verwilderde blik verdwijnt en maakt plaats voor tranen. Hij kalmeert en zo mak als een lammetje gaat hij op het bankje zitten. Ik doe de deur open en maak een gebaar naar de collega’s dat ze wel even voor de zekerheid  om het hoekje moeten blijven staan. Ik stap de cel binnen en vraag een beetje boos aan Henk waarom hij opeens zich zo gedraagt. Hij biedt zijn excuses aan en belooft dat hij het niet meer zal doen. Ik zeg tegen hem dat ik voor zijn insluiting nog even bij hem langskom en dat hij onder mijn begeleiding op de luchtplaats nog even een sigaret mag roken. Ik stap de cel weer uit en kijk in de verbijsterde gezichten van de collega’s. Wat een prachtig gezicht is dat. Ze begrijpen er helemaal niets van en vragen zich af of ik een soort wonderdokter ben. Nadat ik uitgelegd heb hoe de vork in de steel zit, vraag ik de chef van dienst en de arrestantenverzorger om Henk nog een kans te geven door hem niet in de isoleercel te plaatsen, maar nog even in een gewone cel te laten zitten. Henk houdt zijn woord en kan na een half uur alsnog even een sigaret roken.
Zwijgend kijken we elkaar aan en met een schouderklop neem ik met een rotgevoel afscheid van Henk. Het is zo makkelijk om een oordeel over het uitschot van deze maatschappij te vellen als alles om je heen voorspoedig gaat, maar het zal je kind of je broer zijn.

Wat een wereld van verschil, in onze jeugd heel veel samen opgetrokken, veel dezelfde idealen en dromen, maar ik nu als wetshandhaver en Henk aan de zelfkant van de samenleving.
Gelukkig gaat het nu langzamerhand de goede kant op met Henk, al heeft hij nog wel een lange weg te gaan.

maandag 21 april 2014

Pech of geluk?

We hebben als motorrijders van de Verkeerspolitie dit jaar twee dagen de taak om tijdens het NK wielrennen in Rotterdam de hele zaterdag wielrenners in allerlei disciplines te begeleiden, met als parcours tegengesteld de afgezette Brienenoordbrug op, via de Maasboulevard en Boompjes de Erasmusbrug op en dan via de Laan op Zuid naar de Stadionweg weer terug naar de Brienenoordbrug. Het gehele parcours is afgezet met hekken, behalve op een gedeelte van de Boompjes, waar een doorsteek is voor voetgangers en fietsverkeer. Daar staan echter verkeersregelaars die op het moment van passeren van de wielrenners zorgen dat het publiek niet oversteekt. Het is midzomer en bloedheet, dus dat zal wel zweten worden.

De eerste dag verloopt vlotjes, hoewel het peentjes zweten is in ons motorpak.
Als ik de dag erop ‘s ochtends mijn sokken aantrek zie ik dat een schaafwondje op mijn rechtervoet een beetje rood gezwollen is. Ik had eergisteren mijn blote voet in de tuin gestoten aan een tak. Ik plak er een pleister op en trek mijn sokken aan.
We krijgen die ochtend opnieuw een briefing op het stadhuis van Rotterdam en gaan van start. De lucht is weer onbewolkt en het is rond de 25 graden.
Na urenlang rijden begint mijn rechtervoet toch wel te jeuken, kennelijk als gevolg van de warmte en het zweten van mijn voet in de laars. Tijdens een korte pauze doe ik mijn laars uit en zie dat mijn voet inmiddels behoorlijk gezwollen is. Nadat ik mijn laars weer heb aangedaan, neem ik weer deel aan de begeleiding. Het duurt immers toch niet zo lang meer.

Na de zoveelste ronde kom ik weer op het gedeelte van de Boompjes waar alles geregeld zou worden door verkeersregelaars. Ik rijd met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur als plotseling een man met een fiets aan zijn hand oversteekt. De verkeersregelaars staan kennelijk te slapen. Ik kan de man niet meer ontwijken en raak de fiets precies in het midden. De fiets smakt tegen de grond en ik rijd er dwars overheen. De man slaat tegen mijn kuip aan en valt achterover op het wegdek. Ik weet niet hoe ik mijn motor overeind hou en hoe dit eruit gezien heeft, maar het voelt of ik op een rodeostier zit en voor ik eraf geslingerd word deze toch weer onder controle krijg.
Wonderwel kan ik zonder te vallen een stukje verderop stoppen en laat een gevouwen fiets, een geschrokken man en een verbaasd publiek achter. Ik draai me om en vertel maar liever niet wat ik geroepen heb naar de man. Ik ben pisnijdig en erg geschrokken. Mijn motor lijkt onbeschadigd en mijn rechterspiegel ligt daar nog op de grond, maar omdat de kopgroep eraan komt gestormd rijd ik verder. Ik meld via de commandant dat ik een aanrijding heb gehad en of ze collega’s naar de man willen sturen om de aanrijding op te nemen. De man heeft kennelijk (gelukkig) geen verwondingen, want hij blijkt snel met zijn kapotte fiets weggelopen te zijn en de collega’s  krijgen van de verkeersregelaars de kapotte spiegel in handen gedrukt.

Ik word vervangen door een collega en kan even adempauze nemen.
Na deze schrik krijg ik een andere schrik. Als ik mijn motor langs het parcours parkeer, heb ik geen gevoel meer in mijn voet. Nu begin ik me toch wel zorgen te maken, want ik kan er zelfs bijna niet op staan. Ik meld dit aan mijn commandant en deze adviseert mij dan maar vast naar het bureau terug te gaan, omdat de wedstrijd toch nagenoeg afgelopen is.

Ik rijd terug naar het bureau aan de Boezembocht om daar mijn motor in de hal te parkeren. Ik weet dan nog niet dat ik helemaal niet meer op mijn voet kan staan. Ik stap van mijn motor af en dan gebeurt het… Ik zak door mijn voet heen en val tussen mijn motor en een naast mij staande motor in. Mijn motor valt tegen mij aan en ik zit er tussen geklemd. Ik kan geen kant op. Ik kan zelfs geen assistentie roepen, omdat ik niet bij mijn telefoon en mijn portofoon kan. Gelukkig zit mijn borst niet bekneld, dus moet ik maar afwachten tot er een collega in de buurt verschijnt. Omdat het zondag is kan dit wel eens een tijdje gaan duren. En wat duren minuten dan lang. Ik heb zeker een half uur zo gezeten, als ik ineens de toegangsdeur hoor opengaan. Ik roep om hulp en zie een verbaasde Harm van taxizaken om de hoek verschijnen. Op een drafje komt hij naar me toe en vraagt wat ik in vredesnaam aan het doen ben. Ik vertel hem dat ik ben gevallen, omdat ik niet meer op mijn voet kan staan. Nadat hij de motor overeind heeft gezet en mij er tussen vandaan heeft gehaald doet hij mijn laars en sok uit. Het ziet er niet best uit. Ik heb geen gevoel meer in m’n voet en het wondje is paars van kleur. Verder vertoont mijn been rode striemen. Ik vraag hem of hij mij thuis wil brengen, maar Harm zegt dat hij mij naar het ziekenhuis gaat brengen in plaats van naar huis. Hij snelt naar binnen, haalt de sleutel van een dienstauto en brengt mij naar de spoedeisende hulp van het Sint Franciscus Gasthuis. Daar stellen ze vast dat ik bloedvergiftiging heb en krijg onmiddellijk een spuit. Ze vertellen dat ik op tijd ben gekomen anders had het wel eens veel slechter af kunnen lopen. De arts adviseert een opname, maar na lang aandringen mag ik naar huis toe onder de voorwaarde dat ik direct medicijnen bij de apotheek laat halen en ik me de volgende dag ga melden op het spreekuur. Verder moet ik het verband op mijn voet goed nathouden en de boel koelen.

Harm brengt me hierop naar huis en daar zit ik dan. Een dag kan wel eens raar lopen. Ik denk dat ik kan spreken van pech EN geluk.

 

maandag 14 april 2014

Wij zijn de baas!

Kortgeleden vroeg een collega aan mij of ik wel eens bang ben geweest tijdens mijn werk. Er zijn gelukkig weinig van die momenten geweest, maar onderstaand verhaal was er toch wel eentje van.

We hebben in de avond en nachtelijke uren van het weekend veel overlast van dronken ‘oosterburen’. In de omgeving van Rotterdam Zuid zijn er behoorlijk wat gehuisvest. Harde werkers doordeweeks, maar sommigen zijn in het weekend echt probleemgevallen. Door het goedkope bier, meestal in de vorm van halve literblikken, kijken ze niet op een litertje maar ook niet op de klok. Om het maar in politietaal te noemen, ze hebben regelmatig last van de ziekte van Heineken.

Vannacht zat ik voor het eerst met Robin op de auto. Robin is nog niet zo lang klaar met zijn politieopleiding, maar heeft al wat tropenjaren achter de rug bij een harde ‘club’ van de landmacht. Hij kan kennelijk nog geen afstand nemen van zijn verplichte kapsel, want ook deze dienst ziet zijn haar er strak gemillimeterd uit. Eigenlijk kennen wij elkaar nog niet goed, maar ik moet zeggen dat ik al snel voel dat hij van hetzelfde hout gesneden is als ikzelf.

Dat blijkt ook wel als we een melding krijgen van een flinke geluidsoverlast in een portiekwoning, waarbij niet alleen de muziek hard staat, maar ook dat er flink geschreeuwd wordt. Meerdere melders denken dat de bewoners flink dronken zijn en dat ze ruzie hebben. En het is zeker niet de eerste keer.
Als we gearriveerd zijn bij de woning horen we luide muziek en geschreeuw wat wel moet doorklinken in het hele woonblok. De woning betreft een portiekwoning, in dit geval op de tweede etage. Op de eerste etage is de voordeur, waarachter zich een trap bevindt die naar de tweede etage leidt. Aanbellen heeft geen zin dus vragen we de chef van dienst, Rob, erbij voor een machtiging tot binnentreden, die je nodig hebt om een woning te betreden. Zonder toestemming van de bewoner mag een huis niet binnengetreden worden, tenzij er een levensbedreigende situatie is waarop we niet kunnen wachten. De machtiging is overigens niet nodig voor tuinen, erven, schuren of dergelijke objecten.
Nadat Rob de machtiging heeft uitgeschreven maakt Robin de deur open met maat 44, ofwel hij trapt de deur open. Bovengekomen wordt de situatie wat duidelijker. De muziek staat keihard aan en de glazen salontafel en de grond zijn bezaaid met bierblikken. Achter de tafel op een zitbank bevindt zich een reus van een kerel die ons wazig aankijkt. Mijn eerste gedachten zijn dat, als we daar mee moeten gaan vechten, we er wel een erg grote kluif aan hebben. Verder zijn er nog twee dames in de kamer en een sprietachtige jongeman, ik zal hem de spriet noemen, die kennelijk de aanvoerder is van het kwartet. Alle vier zijn straalbezopen, dus de communicatie verloopt bepaald niet vlotjes. Ze spreken een beetje Duits, dus delen we hen in die taal ook mee waarvoor wij komen. De muziek staat nog steeds hard aan, dus loop ik naar de stereo-installatie en zet hem uit. Dat is kennelijk te brutaal in de ogen van de spriet, want hij stapt direct op de stereo af en zet deze weer aan. Ik ben hier niet van onder de indruk en trek de stekker eruit zodat het weer stil is. De spriet begint te schreeuwen, stapt op mij af en wil mij kennelijk te lijf gaan. Robin voorziet dat al en geeft de spriet een duw zodat hij op de bank terecht komt naast de reus. De reus blijft nog steeds wazig voor zich uitkijken, wat ik niet erg vind.
Dan mengen beide dames zich in de conversatie en proberen te ‘bemiddelen’, maar Robin en ik hebben hier helemaal geen zin in. Voor ons was het al duidelijk, dit gaat niet zonder slag of stoot. Inmiddels vorderen wij van de vier een geldig identiteitsbewijs, maar we krijgen er maar drie. De spriet verklaart geen legitimatiebewijs te willen geven. We noteren van beide dames en de reus de gegevens en vragen wie de hoofdbewoner is van het pand. En hoe kan het anders, de spriet blijkt de hoofdbewoner te zijn. Aangezien wij een bekeuring willen geven aan de hoofdbewoner van het pand en uit dienen te reiken op zijn naam, vorderen wij nogmaals een geldig legitimatiebewijs. De dames vertolken aan de spriet dat hij een bekeuring krijgt voor geluidsoverlast en dat hij zijn legitimatiebewijs moet tonen, anders zal hij aangehouden worden.
Dan gebeurt er iets, waarop ik even niet gerekend heb. De dronken spriet springt op als elastiek en geeft mij een duw, zodat ik mijn evenwicht verlies en tegen de buitendeur van het balkon val. Ik grijp nog net de arm van de spriet vast en trek hem mee in mijn val. De buitendeur van het balkon springt door het gewicht open en ik val met de spriet bovenop me op het balkon. Robin ziet het gebeuren en schiet me te hulp. Tot overmaat van ramp springt één van de dames Robin als een tijgerin boven op zijn nek.
Dan wordt Robin boos. Ik zie een grimas op zijn gezicht verschijnen en niet veel later vliegt de dame door de lucht en belandt naast me op het balkon. Vervolgens trekt Robin de spriet van mij af, ook deze vliegt als een veertje door de lucht en belandt in de hoek van de kamer. Ik spring op en duik boven op hem. Ik leg een nekklem aan, maar hij wil niet opgeven. Hij zet zijn voet tegen de kamermuur en duwt met kracht naar achteren. Hierdoor verlies ik wederom mijn evenwicht, omdat achter mij een glazen salontafel staat die mij achteruitstappen belet. Ik val achterover, dwars door de glazen salontafel heen met opnieuw de spriet boven op me. Ik blijf echter de spriet in een wurggreep houden, zodat hij geen lucht meer krijgt en hoor hem gorgelen. Om mij heen ligt het bezaait met glasscherven en ik begin me nu echt zorgen te maken. Robin is nu met beide dames in de weer en gelukkig blijft de reus nog steeds op de bank zitten. Maar hoelang gaan we dit in de krappe kamer nog volhouden als ook de reus in beweging komt?
Met mijn vrije hand druk ik de noodknop van de portofoon in. Dat betekent dat er een open lijn is tussen de meldkamer en ons. De hele regio hoort het gegorgel van de spriet, het gegil van de dames en mijn ietwat verhoogde stem met verzoek om assistentie. Reken maar dat dit gezellig geklonken heeft. De meldkamer weet waar wij zijn en stuurt direct versterking, spoedassistentie genoemd. Dat betekent dat alle in de directe omgeving rijdende politieauto’s met spoed naar ons toegestuurd worden.

Ik voel het lichaam van de spriet verslappen en duw hem van me af. Ik ga vervolgens boven op hem zitten en wil hem de handboeien om doen. Ik heb al die tijd gewacht met het gebruik van pepperspray in de kleine kamer, omdat de kans op besmetting groot is. Bij gebruik kan Robin of ikzelf hierdoor ook uitgeschakeld worden, wat nog gevaarlijker is. Maar als de spriet opnieuw tot leven komt en zich weer begint te verzetten pak ik mijn pepperspray, pak hem bij zijn haren beet en spuit zijn ogen vol. Ik wil maar één ding en dat is zo snel mogelijk naar buiten toe. Ik pak de spriet beet en roep naar Robin dat die zijn benen vast moet pakken, voordat de reus met het ‘feestje’ mee gaat doen. Waar ik al bang voor was, gebeurt met het gebruik van de pepperspray. Kennelijk doordat ik vrij dichtbij de spriet gepepperd heb kaatst de spray en treft de reus in het gezicht. De reus ontwaakt en begint hierdoor heftig te kuchen en wil opstaan. Ik geef de reus een flinke duw en deze valt achterover in de zitbank. Al vechtend, de beide dames wegduwend, banen we ons een weg naar de uitgang. Daar staat inmiddels Rob weer, die de deur voor ons openhoudt en gelijk weer dicht trekt als we hierdoor zijn. In het trappenhuis lopen we, de spriet met kop en kont beethoudend, naar beneden. We horen op dat moment heel veel sirenes.
De spriet gilt als een mager speenvarken, kennelijk doet de pepperspray flink zeer. Ik zie dat mijn hele overhemd onder het bloed zit en zie dat in mijn arm een paar oppervlakkige snijwonden zitten. Ook de spriet heeft een aantal oppervlakkige snijwonden aan zijn gezicht en armen. Door de worsteling is het bloed overal uitgesmeerd en zie ik eruit of ik zwaargewond ben. Beneden gekomen staat het vol met politieauto’s en met collega’s die met verbazing staan te kijken naar ons: een gillende spriet, een zwaar bebloede Piet en het verbeten gezicht van Robin, die de spriet helemaal zat is.
Ik roep tegen de collega’s dat alles onder controle is en dat we ‘de buit’ binnen hebben. De spriet wordt op z’n buik in de bus gelegd, ik ga boven op hem zitten en we rijden naar het politiebureau. Ik ben echt pissig, duw de spriet met zijn hoofd op de grond en zeg : “Wij zijn de baas, begrijp je dat? Wij zijn de baas! Dan begint de spriet keihard te lachen en herhaalt met een Pools accent : Wai zin de baas! Bij aankomst staat er een ontvangstcomité klaar. Als ze ons zien kijken ze ons bezorgd aan. De spriet blijft luidkeels continue herhalen: “Wai zin de baas! De collega’s vragen wat de spriet nu precies roept. Ik zeg tegen hen dat ik hem zojuist zijn eerst zin in het Nederlands heb geleerd.
Achteraf besef ik dat we heel veel geluk gehad hebben. Bij het zien van mezelf in de spiegel heb ik wel gelachen, ik kon me de bezorgde blikken van mijn collega’s voorstellen, want ik zag er niet uit !!Gelukkig blijken de snijwonden oppervlakkig te zijn en kan ik met een paar pleisters en een schoon overhemd weer verder.

De spriet bleek na ontnuchtering niks meer van het voorval te weten dan alleen een zin die in zijn hoofd was blijven hangen: “wij zijn de baas!”