Copyright
Copyright P.Kats. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd worden en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.
maandag 29 september 2014
Bekende Nederlander
Bekende Nederlanders, ik heb ze menig keer gehad. Niet alleen met een begeleiding, maar ook in bekeuringsituaties. Sommigen van hen denken boven de wet te staan. Zij worden in het dagelijks leven waarschijnlijk zelden tegengesproken in hun functie. Ook niet door een motoragent. Maar het ergste vinden ze het als je ze niet herkent.
Op de snelweg zie ik een luxe sportauto, met een hogere snelheid dan toegestaan, rijden in de richting van Dordrecht. Nou zijn er meerdere wegen die naar Rome leiden, dus rijd ik op de parallelbaan mee op mijn dienstmotor. Op het stuk van de A15, pal gelegen naast de A16, rijd ik op gelijkblijvende afstand met de auto mee en klok de snelheid op 155 kilometer per uur. Na correctie blijft er nog 142 kilometer per uur over, toch een overschrijding van 42 kilometer per uur boven de maximum snelheid van 100 kilometer per uur. Bij de samenvoeging van beide rijkswegen, ter hoogte van Hendrik-Ido-Ambacht, kom ik naast de genoemde auto te rijden en geef de bestuurder een teken tot volgen. De man, met een gebruind gezicht en donkere zonnebril, kijkt me aan en maakt met zijn hoofd een gebaar van “wat moet je nou?” Ik wijs nogmaals dat hij me moet volgen, maar hij blijft op de rijstrook voor rechtdoor rijden, zodat ik hem enigszins door af te remmen moet dwingen om de afrit naar het tankstation te nemen. Ik zie dat hij met zijn armen zit te gebaren, hij heeft er duidelijk geen zin in.
Ik laat hem volgen naar de parkeerplaats van het tankstation en spreek hem aan. Hij stapt uit en al direct voordat ik hem aanspreek, begint hij al te zeuren of ik hem niet normaal langs de kant kan zetten. Hij vindt mij agressief overkomen en wenst zo niet behandeld te worden. Ik wens hem eerst een goedenavond en leg uit dat ik toch erg duidelijk ben geweest met het geven van mijn tekens. Ik vraag hem naar zijn rijbewijs, maar hij verklaart dat hij dit niet bij zich heeft. Ook een ander legitimatiebewijs kan hij niet tonen. Na herhaaldelijk mij in de rede te vallen, vertel ik hem duidelijk dat ik eerst de reden van staandehouding wil vertellen.
Ik vertel dat ik hem een bekeuring wil geven in verband met een overschrijding van de maximum snelheid en ik daarom een origineel legitimatiebewijs in handen wil hebben.
De arrogantie druipt van het gezicht van de man af, die kennelijk niets, maar dan ook echt niets, van een agent wil horen.
Ik pak mijn opschrijfboekje en vraag naar zijn naam. Vol ongeloof, kennelijk vraag ik iets volslagen vreemds, vraagt hij aan mij of ik hem niet herken. Ik antwoord ontkennend en vraag nogmaals naar zijn naam. Opnieuw vraagt hij of ik echt niet weet wie hij is. Ik begin me te irriteren en zeg tegen hem dat, als hij niet onmiddellijk begint met het opgeven van zijn naam, ik hem ga aanhouden en op het bureau wel uitzoek wie hij echt is.
Hij zegt: “Ik ben Bob de Man (gefingeerd) voetballer van club X! Ken je mij niet?”.
Ik kijk hem aan en zeg: “Ik ben Piet Kats van de politie, ken je mij niet? “.
Hij kijkt me met een verbaasd gezicht aan, is even perplex en loopt vervolgens rood van kwaadheid aan. “Je doet gewoon of je me niet herkent!” roept hij uit.
Ik antwoord dat ik totaal niet van voetbal houd, dus hem helaas ook niet herken en liever heb dat hij zijn zaakjes op orde heeft.
Nadat ik zijn personalia heb opgeschreven vraag ik via de portofoon om de gegevens van de bestuurder te controleren. Ik deel de collega tevens mede dat mijnheer zegt dat hij een bekende voetballer is. De collega vraagt of ik daadwerkelijk ‘de ‘ Bob de Man heb staande gehouden. Het zou best kunnen is mijn antwoord, maar ik ken hem in ieder geval niet.
Bob, die dicht naast me staat en hoort wat de collega zegt, roept uit dat aan de andere kant van de lijn gelukkig een voetbalkenner zit die tenminste weet wie hij is.
Hij roept het uit: “Zie je nou wel dat ik het ben!”. Ik vertel hem dat ik alleen nog steeds niet weet wie er voor me staat en dat hij wel kan zeggen dat hij de sultan van Brunei is, maar dit nog altijd niet te controleren is.
Helaas ben ik in het verleden meerdere keren in dit soort grappen getrapt.
Het praten van Bob gaat over in schreeuwen. Ik vraag hem hoe professioneel hij zich kan gedragen, zeker een vermeende topvoetballer, die miljoenen verdient en zich op deze manier gedraagt.
Dan word ik het zat. Ik vertel hem op mijn manier dat hij zich normaal moet gaan gedragen.
Ik geef hem twee opties. Of hij werkt mee en rijdt achter mij aan terug naar Rotterdam en laat iemand zijn legitimatiebewijs naar het politiebureau brengen.
Of hij werkt niet mee en frommel ik hem in een politiebus. Dan mag hij via de ‘artiesteningang’ het politiebureau binnen.
Hij vraagt mij of ik hem uitdaag, maar kennelijk zegt mijn gezichtsuitdrukking genoeg. Hij kiest eieren voor zijn geld en zegt mee te werken door achter mij aan te rijden naar het politiebureau. Terloops belt hij nog even zijn vriendin en ‘schreeuwt’ dat zij onmiddellijk zijn legitimatiebewijs MOET komen brengen. Hoofdschuddend stap ik op mijn motor. Ik behandel mijn hond nog niet op deze manier.
Op het bureau werd er natuurlijk hard gelachen om het feit dat ik niet eens wist dat Bob een bekende voetballer was. Bob zijn vriendin kwam uiteindelijk het legitimatiebewijs brengen en hij kreeg zijn gele briefje. De bekeuring was een haar uit zijn hoofd. Het ergste was die agent op de motor, die niet wist wie hij was en die hem, Bob de Man, zo onnodig lang ophield.
(Volgende blog verschijnt op 13 oktober)
maandag 15 september 2014
‘Ik heb ‘m!”
Je wordt er soms niet goed van. Meldingen van aanrijdingen, waarbij de veroorzaker is doorgereden. De mentaliteit van bestuurders is dikwijls ver beneden peil. Dit wordt mede veroorzaakt door de zogenaamde no-claim regeling, waardoor de veroorzaker van een aanrijding stijgt in premie. Maar het meest schrijnende is wanneer men een aanrijding met letsel veroorzaakt en het slachtoffer in hulpeloze toestand achterlaat.
Vannacht ben ik brigadier van dienst en neem ik Pieter mee. Pieter is directeur van een basisschool en wil graag een dienst meedraaien om het politiewerk van dichtbij mee te maken. Uiteraard kan ik hem niet beloven dat het een spannende dienst gaat worden. Aan het begin van elke dienst weet je nooit wat je te wachten staat, een ogenschijnlijk saaie dienst kan uitmonden in een gevecht voor je leven. Ik geef aan Pieter een steek/kogelwerend vest, om onder zijn trui te dragen.
Bij aanvang van een dienst hebben we altijd een briefing, waarbij de belangrijkste problemen besproken worden en aandachtspunten aan de orde komen die mogelijk in de komende dienst gaan spelen. Hierbij moet je denken aan overlastgevende plekken of personen in de wijk en kentekens van verdachte voertuigen die getoond worden met alle informatie erbij.
Pieter zit in ieder geval al met grote ogen te kijken naar het scherm, want zo op het eerste gezicht lijkt het wel of het tijdens deze dienst oorlog wordt.
We nemen diverse meldingen voor onze rekening van geluidsoverlast, waarbij de muziek wel erg hard staat. Zo komen we ook terecht bij een (meiden)studentenfeest en worden we ingesloten door een hele horde meiden die met ons op de foto willen. We vragen de hoofdbewoner om de muziek wat zachter te zetten, anders volgt een proces-verbaal en ‘vluchten’ de woning uit.
Dan volgt een melding van een huiselijk geweld, waarbij een vrouw door haar ex-man tot bloedens toe geslagen is. We stappen de woning binnen en zien veel bloed. De vrouw is hevig toegetakeld en haar ex-man heeft de woning inmiddels verlaten. Als we met haar staan te praten hoor ik gestommel in het trappenhuis. Ik vlieg langs Pieter heen en zie nog net dat een manspersoon, die voldoet aan het signalement van de ex-man, voorbij loopt. Hij bleek zich bij onze komst verstopt te hebben boven in het trappenhuis en wilde nu ontsnappen. Ik ‘frommel’ hem tegen de muur met enige dwang en plaats hem in de boeien. Het verbaasde hoofd van Pieter verschijnt bij de voordeur. “Ik heb ‘m!” roep ik naar hem.
Na de nodige administratie is het al 03.00 uur als in het centrum in Rotterdam een melding valt van een auto, die met hoge snelheid, een meisje geschept heeft. Het meisje is op de motorkap van de auto terecht gekomen, daarna door de lucht gevlogen en op het wegdek gesmakt. De bestuurder rijdt door en laat het meisje zwaar gewond achter. Veel getuigen hebben het ongeval zien gebeuren en zijn in shock. Het moet er vreselijk uit zien. Door de politiemensen en de meldkamer wordt alles op alles gezet om de bestuurder te pakken. Wat je dan ziet is dat de meldkamer overspoelt wordt met informatie van veel bellers, die allemaal zeker weten wat voor auto ze gezien hebben. Het zou moeten gaan om een zwarte Mercedes met taxikentekenplaten, een donkere BMW met een Belgisch kenteken of een zwarte Audi. Het traumateam arriveert met de traumaheli en er wordt voor het leven gevochten van het meisje. Mijn eerste reactie tegen Pieter is dat ik die graag zou willen pakken. Maar waar moet je gaan zoeken als niet eens bekend is wat voor type auto het is en onbekend is wat het kenteken is? Nou geloof me, ik heb die nacht nog nooit zoveel donkere BMW's, Mercedessen en Audi's voorbij zien rijden.
Uit ervaring weet ik
wel dat, wanneer iemand geschept is, meestal de voorruit verbrijzeld wordt van
de auto. Er moeten dus duidelijk sporen zijn op de auto van een aanrijding. We nemen een tactische
positie in en wachten af. Geduld is een schone zaak, hoewel lang wachten voor
een politieagent best moeilijk is, omdat je graag in beweging bent.
Na anderhalf uur
wachten besluiten we om onze positie te verlaten, maar toch blijft het aan me
knagen. Ik heb het vermoeden dat hij zich ergens verborgen heeft en straks zijn
schuilplaats zal verlaten. Na een korte pitstop besluit ik om even naar het
centrum te rijden en van de plaats van het ongeval een denkbeeldige richting te
bekijken. Ik verplaats mij in de verdachte en bedenk waar ik in paniek naar toe
gereden zou zijn. We rijden richting de havens en rijden daar een rondje. Ik besluit ik om toch weer even naar onze eerste positie te rijden, omdat de
ochtend begint te gloren en ik het vermoeden heb dat de
bestuurder, voordat het licht wordt, uit zijn schuilplaats komt.
Op weg naar deze
positie waan ik spoken te zien. Ik geloof niet in toeval, maar ons komt een
donkere auto tegemoet, waarvan ik toch echt meen in het licht van de straatlantaarn te zien dat de voorruit verbrijzeld
is. Tijdens het passeren geef ik Pieter een enorme stomp en ik schreeuw: “Dat
is ‘m!!” Pieter zit me met grote ogen aan te kijken als ik een enorme ruk aan
mijn stuur geef en de dienstauto met gillende banden draai. Mijn adrenalinepeil
wordt torenhoog en ik zet de achtervolging in. De bestuurder rijdt als een
waanzinnige, maar wordt beperkt in zijn zicht door de verbrijzelde ruit. Zijn
hoofd steekt door het geopende portierraam en op die manier bestuurt hij de
auto. Ik zeg tegen Pieter dat hij zich moet voorbereiden op een achtervolging,
waarbij ik mogelijk de auto ga rammen. Ik ben vastbesloten om, hoe dan ook, de
bestuurder tot stoppen te dwingen. Het kan me op dat moment niet schelen of ik
de hele dienstauto aan gort rijd, als we hem maar kunnen aanhouden. Ik zie dat
Pieter zich met beide handen krampachtig aan de deurgreep en middenconsole
vasthoudt.
Nadat ik het zwaailicht,
de sirene en het stopbord heb aangezet lijkt de bestuurder zachter te gaan rijden
en een parallelweg op te rijden. Ik ga links naast hem rijden en dwing hem de parallelweg op. Maar plotseling stuurt hij naar links en wil
toch weer de hoofdrijbaan oprijden. Ik snijd hem echter af en wacht op de
botsing, maar hij geeft zich gewonnen en rijdt de parallelweg op, langzaam
rijdend. Ik volg hem opnieuw en weet mij weer links van de auto te wringen en
snijd hem opnieuw. We hebben oogcontact en woest kijk ik de bestuurder aan. Hij
stopt en zet hem in een parkeervak. Omdat ik niet zeker weet of hij weer gaat
rijden, rijd ik een klein stukje achteruit en zet groot licht op de
auto. Ik pak de megafoon en schreeuw dat hij de sleutels van het voertuig naar
buiten moet gooien en beide handen naar buiten moet steken. Gedwee volgt hij
mijn instructies op. Ik geef Pieter wederom een stomp en sommeer dat hij onmiddelijk uit moet stappen en op afstand moet gaan staan. Dan spring ik uit de auto, benader de bestuurder en grijp beiden
handen stevig vast. Uiteindelijk trek ik hem uit zijn auto, boei hem en leg hem
op de grond. Het eerste wat de verdachte zegt is dat het hem spijt dat hij
doorgereden is na de aanrijding met het meisje, maar dat hij in paniek was. Ik
ruik een sterke dranklucht en weet eigenlijk al voldoende.
Dan pas komt het besef
dat het misschien handig is om de meldkamer te roepen. Ik geef een urgente
spraakoproep aan de meldkamer. Kok, van de meldkamer vraagt: “10.10 met een
urgente spraakoproep!”. Al hijgend zeg ik: “Meldkamer, ik heb ‘m!” Het blijft
even stil, maar Kok snapt onmiddellijk waar ik het over heb. Hij vraagt of ik
de auto staande heb en de verdachte aangehouden heb, waarop ik bevestigend
antwoord. Hij vraagt of ik er zeker van ben dat ik de juiste verdachte gevangen
heb, waarop ik antwoord dat ik mijn schoen opvreet als het niet waar is.
Inmiddels is Pieter ook
uit de dienstauto gekomen en komt bij mij staan. Hij glundert ver tot over zijn
oren en vindt het helemaal geweldig. Dan komen overal de
‘toeters en bellen’ vandaan. Boudewijn, de chef van dienst, is als eerste ter
plaatse en feliciteert me. Het begint op een reünie te lijken, want zelfs
Wobbe, de chef van dienst van district Oost komt ter plaatse en feliciteert me
ook. We zijn blij met z’n allen dat de verdachte gevangen is, het maakt op zo’n
moment totaal niet uit welke collega het doet. De buurtbewoners zijn overigens niet zo blij, want er steken veel verwarde hoofden uit de ramen.
Duidelijk is te zien
waar het meisje de auto geraakt heeft. Haar lange haren zitten als stille
getuigen in de versplinterde ruit. Deze zijn door het breken van de voorruit
uit haar hoofd getrokken. Inmiddels is het 06:30
uur als de auto van de verdachte door de takeldienst wordt opgehaald voor een
reconstructie op de plaats van het ongeval. Pieter rijdt met Boudewijn mee om
getuige te zijn van de reconstructie. Na afloop krijg ik van Pieter een
drijfnat steek/kogeldwerend vest terug. Ik vraag of ik de kachel in de auto iets minder had moeten zetten, waarop hij een misprijzend gezicht naar me trekt. Hij vertelt dat hij mishandeld is door mijn gestomp en aangifte te willen doen. Uiteindelijk ben ik om
11:00 uur thuis en kan eindelijk slapen.
Pieter bleek na zijn
thuiskomst helemaal niet te kunnen slapen. In geuren en kleuren had hij aan
zijn vrouw verteld, wat hij allemaal meegemaakt had. Hij vond het
indrukwekkend, spannend en geweldig. Het is toch iets anders als voor de klas
staan, hoewel ik daar bewondering voor heb en zweetdruppels van zou krijgen.
Soms moet je in je werk
geluk hebben, hoewel de aanleiding heel wat minder prettig is in dit geval.
(volgende blog 29 sept)
(volgende blog 29 sept)
maandag 1 september 2014
Vlammetjes
Er zijn mensen in ons surveillancegebied die je altijd op straat ziet. Zodra er een incident is staan ze met hun neus vooraan en bemoeien zich overal mee. Je hebt dan eigenlijk twee soorten die op komen dagen, de goeie en de slechte. Van de goeie hebben we vaak niet zo’n last, daar krijgen we nog wel eens tips van.
We hebben de scannerrijders (tegenwoordig P2000), zoals Michel, die op z'n brommertje steevast meerijdt naar meldingen. Hij maakt dan stiekem foto's van onze acties, maar geeft ook tips aan ons van mogelijke verdachten in de omgeving.
Zo hebben we ook Bertus uit de B-straat, gelegen in de slechtste wijk van Rotterdam-Zuid. Bertus is zo’n goeie, helaas is hij wel alcoholist. Bertus is alleenstaand en heeft heel weinig familie of vrienden. Bertus beschouwt ons als ZIJN vrienden.
Bertus heeft het directe telefoonnummer van de wachtcommandant van bureau Zuidplein en belt ons, soms tot overmaat van ramp, regelmatig met zijn hese stem op als hij weer wat gezien heeft op het gebied van drugs en wapens. Vooral als hij niet al teveel alcohol op heeft trekken we zijn tips na, maar als hij lallend belt houden we hem straal voor de gek net zo lang tot hij ophangt of wij de hoorn erop gooien. Bertus doet dan of hij boos wordt, maar we weten dat hij de aandacht, die hij krijgt, geweldig vindt.
‘s Nachts om 03.00 uur belt hij weer eens op, al wauwelend, en meldt dat hij vlammetjes aan de overzijde bij de buren ziet. Ik zet hem op de luidspreker, zodat de aanwezige collega’s mee kunnen luisteren, en vraag hem met een eveneens hese stem of het oranje vlammetjes zijn of vlammetjes uit de frituurpan. Vervolgens roep ik naar Bertus dat het tijd wordt om zijn pyjama aan te doen en te gaan slapen en hang op. Maar Bertus blijft achter elkaar bellen, iets wat hij nooit doet. Ondanks dat hij weer aardig onder invloed lijkt, klinkt zijn stem toch wel serieus. Ik beloof dat we komen en we rijden toch wel met gezwinde spoed naar het adres toe. Bertus staat in zijn onderbroek op straat heftig te gebaren naar het pand aan de overkant en we zien inderdaad vlammen op de begane grond in de woonkamer van de woning. We verzoeken de meldkamer onmiddellijk om de brandweer te sturen.
We trappen de deur van
de woning open en roepen of er mensen aanwezig zijn. Van boven van de trap komt
er een man in nachtkleding aangewaggeld, die halverwege de trap blijft staan.
We vragen of er nog meer mensen in de woning aanwezig zijn en het blijkt dat
zijn vrouw nog op bed ligt. Hij vraagt wat er aan de hand is en we schreeuwen
dat hij onmiddellijk zijn vrouw uit bed moet halen en naar buiten moet komen
omdat zijn woonkamer in de fik staat. Hij staat ons zo schaapachtig aan te
kijken dat mijn collega hem opzij duwt, de trap opstormt en de vrouw uit bed
trommelt. Na korte tijd staan de
man en zijn vrouw klappertandend op straat. Bertus is echt boos op
ons, omdat wij hem niet wilden geloven. Niet zo gek natuurlijk, maar deze keer
heeft hij echt gelijk en we bieden onze excuses aan.
Nog geen 5 minuten
later slaan de vlammen uit het pand en is ook de weg naar de bovenverdieping
geblokkeerd door het vuur. We besluiten om Bertus
eens in het zonnetje te zetten en bellen stiekem Radio Rijnmond. De volgende dag wordt
Bertus als een held door radio Rijnmond geïnterviewd. Hij heeft het dubbel en
dwars verdiend en we hebben echt ons best gedaan om ons icoon in het zonnetje
te zetten. Ik voorzie Bertus van een lekkere doos sigaren en hij glundert van
oor tot oor.
Hierna gaat alles weer
op de oude voet verder, totdat we Bertus enige dagen niet zien. Dat is vreemd,
dus gaan de collega’s poolshoogte nemen. Ze trappen de deur eruit en Bertus
ligt dood op bed. Ik hoor dat Bertus
overleden is en begraven zal worden op de Zuiderbegraafplaats. Gebruikelijk is het
niet echt, maar op de dag van zijn begrafenis rij ik samen met een collega, in
uniform, naar de kapel van de begraafplaats, waar we de afscheidsdienst
bijwonen. Wat is de weinige
familie blij om te horen dat we toch trots zijn op onze Bertus, ondanks de vele
loze telefoontjes naar de wachtcommandant. We hebben het daarna nog vaak over
Bertus gehad en eigenlijk missen we hem toch best wel….
volgende blog 15 septembermaandag 11 augustus 2014
Kamikazes
Werken op of langs de
snelweg is levensgevaarlijk. Ongeacht matrixborden, pijlwagens, botsabsorbers en een
overvloed aan verkeersmaatregelen worden
deze wegmaterialen toch aan gort gereden door
automobilisten. Laten we zeggen dat de doorstroom van materialen in deze sector
best goed is. Materiaal van
Rijkswaterstaat wordt regelmatig vernieuwd, niet vanwege ouderdom maar door onoplettende
bestuurders. Eigenlijk zou iedereen eens een keer in de schoenen van een wegwerker, Rijkswaterstaatmedewerkers,
ANWB’ers, de bergers of de andere hulpdiensten moeten staan om te ontdekken
dat die eigenlijk nog een paar ogen aan de achterkant van het hoofd missen. De Kat(s) met negen levens, grappen de collega's wel eens over me.
De laatste werkdag voor
de zomervakantie krijg ik een melding dat er een auto uit de bocht is gevlogen op de snelweg.
De bestuurster zou mogelijk bekneld zitten en de auto zou levensgevaarlijk staan, zodat de
mogelijkheid bestaat dat er nog meer auto’s op botsen. We rijden met zwaailicht
en sirene naar de plaats
van het ongeval toe en treffen de auto inderdaad midden op de rechterrijstrook
aan. De hulpverleners wordt geleerd eerst veiligheidsmaatregelen te treffen,
zodat er niet nog meer aanrijdingen gebeuren. Ik
trek mijn gele hesje aan en plaats onze politieauto 100 meter voor de aanrijding in een
dwingende positie, de zogenaamde fend-off positie. Dat wil zeggen dat de auto
met de neus feitelijk de
richting aangeeft waar de automobilisten heen moeten rijden, dus in dit geval
naar de linkerrijstrook. Ook zet ik de blauwe zwaailichten aan. We vragen
tevens bij Rijkswaterstaat (rode) kruizen aan op de rechterrijstrook en
tevens een snelheidsbeperking. Nou weet ik uit ervaring dat sommige automobilisten
daar werkelijk lak aan hebben, dus plaats ik tussen onze auto en de gecrashte
auto ook nog pylonen.
Dan begint het "feest". De
ambulancemedewerkers, die ter plaatse komen, zetten hun voertuig voorbij de aanrijding. Net als de ambulancechauffeur is uitgestapt raakt een automobilist
de pylon die ik naast het gecrashte voertuig heb neergezet. Met een grote klap
vliegt de pylon door de lucht en
ik zie nog net dat deze op een haar na de ambulancechauffeur mist. De
geschrokken ambulancechauffeur duikt weg achter de ambulance. Helaas kan ik van
deze auto niet het kenteken noteren. De
bestuurster blijkt niet bekneld te zitten, maar zit inmiddels veilig achter de vangrail en wordt door
de ambulancemedewerkers ter plaatse
nagekeken. Ondanks dat duidelijk
te zien is dat er een aanrijding is gebeurd en de genomen verkeersmaatregelen,
blijft de snelheid van de voorbijkomende auto´s hoog. Helaas kunnen we de
gecrashte auto niet zelf opzij zetten, dus moeten we wachten op de
bergingstakel(wagen).
Ik loop nog even terug
naar de politieauto om wat spullen te pakken. Het belangrijkste is dat we altijd in het zicht
heen en teruglopen. En dat is maar goed ook, want in de verte zie ik een auto aankomen die met een
behoorlijke vaart aan komt rijden op de
rijstrook die afgekruist is. Ik vraag me af of hij nog gaat remmen. Met volle
vaart rijdt hij op de politieauto af. Als aan de grond genageld wacht ik op de
grote klap die gaat komen. Ik heb inmiddels een paar stappen opzij gedaan en
sta tegen de vangrail (geleiderail) op de vluchtstrook. Ik zie dat hij met zijn rechterhand
tegen zijn rechteroor zit en concludeer dat hij waarschijnlijk druk bezig is met
bellen. Op het laatste moment gooit
de bestuurder zijn stuur om. Links voorbij de politieauto gaan kan niet, omdat
daar een langzaam rijdende auto rijdt. Hij stuurt dan rechts om de politieauto heen,
recht op mij af. Dit wordt mijn dood dacht ik nog. In een flits
spring ik achterwaarts over de vangrail heen en smak op mijn rug. Dan
hoor ik een enorme klap, gevolgd door het geluid van brekend glas en scheurend
metaal.
Ik lig op mijn rug en doe mijn ogen open. Het eerste wat ik denk is dat
ik nog leef en ongedeerd ben, behalve een zere rug en een ontzettend zeer achterwerk.
Er buigt zich iemand over me heen en ik kijk in de ogen van een verbijsterde
medewerker van Rijkswaterstaat. Hij zegt: “Ik dacht dat je dood was!” Het
blijkt dat hij, op het moment van crash, achter deze auto reed en alles zag
gebeuren. Nadat de auto tot stilstand kwam, was ik verdwenen en hij dacht
werkelijk dat ik voor zijn ogen dood werd gereden. Ik krabbel overeind en klop mijn kleding af. Dan
komt de bestuurder aanlopen en roept dat het hem spijt. Ik kan mijn emoties
niet meer bedwingen. Ik begin werkelijk te trillen als een rietje en wil de bestuurder
aanvliegen. Gelukkig houden de medewerker van Rijkswaterstaat en mijn collega me
tegen, want ik wil de bestuurder aanvliegen. Heftig schuddend met armen
en benen, waarschijnlijk spierverkramping door de abnormale salto achterover,
scheld ik de bestuurder helemaal de huid vol.
De bestuurder druipt af en wordt
meegenomen door mijn collega. Op de plaats, waar ik zojuist gestaan heb, is
weinig meer van de vangrail over. Ik besef dat ik enorm veel geluk heb gehad. De
collega’s van de ambulance komen nog even naar me kijken en ik grap nog tegen
de ambulancechauffeur of hij net niet per ongeluk een pylon heeft voorbij zien
vliegen. De gehele bocht wordt
door Rijkswaterstaat afgesloten, zodat beide gecrashte voertuigen veilig geborgen kunnen worden.
De bestuurder, die mij bijna aanreed, wordt meegenomen voor verhoor naar het bureau. Het
blijkt dat hij inderdaad druk bezig was met zijn mobiel en geen rode kruizen of de politieauto met
blauwe zwaailichten heeft zien staan.
Op het bureau gekomen en na gekalmeerd te zijn spreek ik nog
met de bestuurder. Ik bied hem mijn excuses aan voor mijn gedrag en mijn woordkeuze, maar hij
wil hier niks van weten. Hij zegt me volledig te begrijpen en is ontzettend
blij dat ik er zo vanaf
gekomen ben. We schudden elkaar de hand.
Hem wordt een proces-verbaal aangezegd voor het
gevaar en/of hinder veroorzaken op de weg.
Zoals gezegd was dit
niet de eerste keer dat ik bijna dood ben gereden. Veel mensen begrijpen niet waarom soms ruim van tevoren
de weg wordt afgesloten en het verkeer wordt gedwongen om langzaam te rijden.
Die vraag wordt mij vele keren gesteld of dit niet onzinnig is. Ik vraag mij wel eens
af, wie zijn nou de kamikazes? Wij als wegwerkers of sommige automobilisten die niet beseffen dat
zij dat zijn?
Tijd voor vakantie….. (volgende blog 1 sept).
P.S. Ik wil mijn lezers/fans bedanken voor de leuke reacties via de blog/facebook en Twitter. Inmiddels ben ik de één miljoen keer gepasseerd, dat mijn blog is aangeklikt. Geweldig toch?
P.S. Ik wil mijn lezers/fans bedanken voor de leuke reacties via de blog/facebook en Twitter. Inmiddels ben ik de één miljoen keer gepasseerd, dat mijn blog is aangeklikt. Geweldig toch?
dinsdag 5 augustus 2014
Zo'n lieve man
Midden in een zomernacht rijd ik op de dienstmotor door één van de dorpen onder Rotterdam Zuid. Er worden de laatste tijd veel inbraken gepleegd en de motor is een ideaal en snel middel om de met drempels en palen bezaaide wijken te doorkruisen.
Omstreeks 02:00 uur komt mij een kleine auto tegemoet, waarvan ik besluit deze even te controleren. Achter het stuur zit een gezette man met een onfris uiterlijk en daarnaast zit een knappe jongedame. Nou ga ik niet over relaties, maar bij deze combinatie frons ik mijn wenkbrauwen en mijn onderbuikgevoel zegt mij dat dit niet klopt. Beiden verklaren uit het café te zijn gekomen en een goed gesprek te hebben gehad. De man had aangeboden haar even thuis te brengen en daar gelijk nog even een kopje koffie te drinken. Ik laat de man blazen, maar deze blijkt geen alcohol gedronken te hebben. Zij is stevig onder invloed en heeft een vrolijke dronk, mij iets te vrolijk. Ik vraag haar waar zij woont en ze wijst mij haar huis aan. Dit is schuin tegenover de plaats waar ik hen staande houd. Ik wens ze een prettig samenzijn. Aan de man merk ik dat hij het helemaal niet leuk vindt dat hij gecontroleerd wordt, omdat ik kennelijk zijn feestje verstoor. De auto van de man staat half op het trottoir geparkeerd. Ik zeg tegen de man dat hij de auto zo wel kan laten staan, dit met voorbedachten rade.
Als ze binnen zijn vraag ik de man via de politiesystemen na. Hij woont met een vrouw en zijn vier kinderen op een adres in Rotterdam, maar mijn nieuwsgierigheid wordt gewekt als ik zie dat hij diverse aandachtvestigingen heeft. Dit op het gebied van het lastig vallen van vrouwen. Ik besluit dit ‘feestje’, gelet op mijn onderbuikgevoel, te gaan verstoren. Ik ben er van overtuigd dat hij kwade bedoelingen heeft met de knappe jongedame. Na een uur rijd ik nogmaals langs het adres en zie ik de auto daar nog steeds staan. Ik stop voor het woonhuis en stap van mijn motor af. Ik loop naar het voorraam en schijn expres met mijn zaklamp naar binnen. Kort hierna doet de jongedame de deur open en ik vraag haar of de man er nog is. Ik merk aan haar houding dat er iets is en vraag haar de man te roepen. Ik vraag aan hem of hij de koffie al op heeft, zodat hij zijn geparkeerde auto, die half op de stoep staat, weer weg kan halen. Tenslotte heeft hij de auto daar voor even neergezet. Dit om een kop koffie te drinken en dat even is nu voorbij. Als blikken kunnen doden, was ik ter plekke dood neergevallen. Tot slot zegt hij tegen haar dat hij nog contact met haar opneemt. Hij loopt vervolgens naar zijn auto toe en rijdt weg.
Ik vraag haar wat er gebeurd is. Ze is plotsklaps een stuk nuchterder en haar vrolijkheid maakt plaats voor een huilbui. Ze vertelt mij dat de man, nadat ze een tijdje binnen waren, haar heeft geprobeerd te zoenen. Tevens had hij voorgesteld om de liefde met haar te bedrijven. Van handtastelijkheden was gelukkig geen sprake geweest. De alcohol was snel uitgewerkt toen ze door kreeg dat de man helemaal geen kopje koffie wilde. Zij was bang dat hij haar zou verkrachten. Verder geeft ze aan dat ze ontzettend blij was toen ik met het lampje de woonkamer in scheen. Het was voor haar een geschenk uit de hemel.
Ze vraagt of ik binnen wil komen voor een kopje koffie, maar ik sla dit beleefd af. Ik grap tegen haar dat ze dan mij misschien zal proberen te zoenen en dit een ongewenste situatie zal zijn. Met een verontwaardigde blik kijkt ze me aan. Ik stap met een lachend gezicht op de motor, zwaai naar haar en rijd weg. In plaats van inbrekers pakken heb ik me bemoeid met een niet-wederzijdse relatie, maar gelukkig niet voor niets. Tja, het leek zo’n lieve man...
Omstreeks 02:00 uur komt mij een kleine auto tegemoet, waarvan ik besluit deze even te controleren. Achter het stuur zit een gezette man met een onfris uiterlijk en daarnaast zit een knappe jongedame. Nou ga ik niet over relaties, maar bij deze combinatie frons ik mijn wenkbrauwen en mijn onderbuikgevoel zegt mij dat dit niet klopt. Beiden verklaren uit het café te zijn gekomen en een goed gesprek te hebben gehad. De man had aangeboden haar even thuis te brengen en daar gelijk nog even een kopje koffie te drinken. Ik laat de man blazen, maar deze blijkt geen alcohol gedronken te hebben. Zij is stevig onder invloed en heeft een vrolijke dronk, mij iets te vrolijk. Ik vraag haar waar zij woont en ze wijst mij haar huis aan. Dit is schuin tegenover de plaats waar ik hen staande houd. Ik wens ze een prettig samenzijn. Aan de man merk ik dat hij het helemaal niet leuk vindt dat hij gecontroleerd wordt, omdat ik kennelijk zijn feestje verstoor. De auto van de man staat half op het trottoir geparkeerd. Ik zeg tegen de man dat hij de auto zo wel kan laten staan, dit met voorbedachten rade.
Als ze binnen zijn vraag ik de man via de politiesystemen na. Hij woont met een vrouw en zijn vier kinderen op een adres in Rotterdam, maar mijn nieuwsgierigheid wordt gewekt als ik zie dat hij diverse aandachtvestigingen heeft. Dit op het gebied van het lastig vallen van vrouwen. Ik besluit dit ‘feestje’, gelet op mijn onderbuikgevoel, te gaan verstoren. Ik ben er van overtuigd dat hij kwade bedoelingen heeft met de knappe jongedame. Na een uur rijd ik nogmaals langs het adres en zie ik de auto daar nog steeds staan. Ik stop voor het woonhuis en stap van mijn motor af. Ik loop naar het voorraam en schijn expres met mijn zaklamp naar binnen. Kort hierna doet de jongedame de deur open en ik vraag haar of de man er nog is. Ik merk aan haar houding dat er iets is en vraag haar de man te roepen. Ik vraag aan hem of hij de koffie al op heeft, zodat hij zijn geparkeerde auto, die half op de stoep staat, weer weg kan halen. Tenslotte heeft hij de auto daar voor even neergezet. Dit om een kop koffie te drinken en dat even is nu voorbij. Als blikken kunnen doden, was ik ter plekke dood neergevallen. Tot slot zegt hij tegen haar dat hij nog contact met haar opneemt. Hij loopt vervolgens naar zijn auto toe en rijdt weg.
Ik vraag haar wat er gebeurd is. Ze is plotsklaps een stuk nuchterder en haar vrolijkheid maakt plaats voor een huilbui. Ze vertelt mij dat de man, nadat ze een tijdje binnen waren, haar heeft geprobeerd te zoenen. Tevens had hij voorgesteld om de liefde met haar te bedrijven. Van handtastelijkheden was gelukkig geen sprake geweest. De alcohol was snel uitgewerkt toen ze door kreeg dat de man helemaal geen kopje koffie wilde. Zij was bang dat hij haar zou verkrachten. Verder geeft ze aan dat ze ontzettend blij was toen ik met het lampje de woonkamer in scheen. Het was voor haar een geschenk uit de hemel.
Ze vraagt of ik binnen wil komen voor een kopje koffie, maar ik sla dit beleefd af. Ik grap tegen haar dat ze dan mij misschien zal proberen te zoenen en dit een ongewenste situatie zal zijn. Met een verontwaardigde blik kijkt ze me aan. Ik stap met een lachend gezicht op de motor, zwaai naar haar en rijd weg. In plaats van inbrekers pakken heb ik me bemoeid met een niet-wederzijdse relatie, maar gelukkig niet voor niets. Tja, het leek zo’n lieve man...
maandag 28 juli 2014
De dader ligt op het kerkhof
Heftige
incidenten kunnen leiden tot traumatische ervaringen bij hulpverleners. U moet
u voorstellen dat menig hulpverlener in zijn/haar carrière veel dingen meemaakt
die gewone burgers (gelukkig) in hun hele leven niet meemaken. Soms kun je best
wakker liggen van heftige incidenten en laat je de film vele malen nog een keer
de revue passeren. Niet voor niets zijn er hulpverleners of militairen die deze
incidenten niet (meer) kunnen verwerken en Post Traumatische Stress Stoornis
(PTSS) oplopen. Maar ook burgers kunnen traumatische ervaringen hebben van een
incident, waarbij een verdachte geweld tegen een politieambtenaar gebruikt en
diezelfde politieambtenaar geweld gebruikt tegen de verdachte. Soms moet je daar
op gewezen worden.
Ik heb vandaag surveillance met de politiemotor in de buitengebieden van Rotterdam en krijg een melding van een inbraak heterdaad, waarbij een zwarte Opel met een bepaald kenteken is weggereden. Men kan een duidelijk signalement van de verdachte geven. De eigenaar van het voertuig komt veelvuldig voor vanwege inbraken en is vluchtgevaarlijk. Nog geen vijf minuten later kom ik de Opel tegen. Ik zie dat de bestuurder voldoet aan het opgegeven signalement. Ik zie dat hij naar mij kijkt en als ik keer zie ik dat hij zijn snelheid behoorlijk verhoogt. Echter voor de politiemotor is hij geen partij en al heel snel zit ik achter de auto. Ik geef aan de meldkamer door dat ik achter de genoemde Opel zit en dat ik hem blijf volgen tot er een politieauto zich bij mij voegt. We rijden de bebouwde kom van een dorp in, maar de verdachte blijft zijn hoge snelheid houden. Vanwege het gevaar zet ik mijn zwaailicht en sirene aan en zo belanden we midden in het centrum van het dorp. De verdachte probeert mij op allerlei manieren kwijt te rijden, maar door afstand te houden en snel weer te accelereren weet ik de verdachte prima bij te houden. Maar dan rijdt de verdachte een doodlopende straat in. Ik zie aan zijn stuurbewegingen dat hij wanhopig wordt en ik moet op mijn hoede zijn. Op ruime afstand wacht ik wat de verdachte doet.
Maar dan zie ik dat de achteruitrijdlichten gaan branden en komt de verdachte met zo’n hoge snelheid achteruit rijden dat ik niet meer weg kan komen. Een grote klap is het gevolg als de verdachte met zijn auto mijn motor raakt. Ik kom ten val en kan gelukkig ontkomen door tussen de geparkeerde auto’s te duiken. Schrapend en krakend schuift mijn motor achteruit. Wat ben ik blij dat ik niet meer op mijn motor zit! Met angstaanjagend loeiende motor probeert de verdachte mijn motor met zijn auto weg te schuiven. Ik pak mijn pistool en los een waarschuwingschot, maar dit heeft geen effect. Dan richt ik mijn pistool met mijn vinger aan de trekker op de verdachte en wil eigenlijk schieten. Maar als ik over mijn loop kijk zie ik een stuk verderop de basisschool waar op het schoolplein veel kinderen aan het spelen zijn. Ik verstijf. De verdachte kijkt recht in de loop van mijn pistool en rijdt volle vaart weer vooruit. Ik berg mijn pistool weer en ren achter de auto aan. Hij rijdt naast de basisschool het grasveld op in poging daar te ontkomen. Echter aan het einde van het grasveld bevindt zich een sloot. Door de overvloedige regenval rijdt de verdachte zich muurvast, springt uit zijn auto en rent richting de sloot. Hij springt in de sloot en kruipt er aan de andere kant weer uit.
Ik ben woedend, smijt mijn helm van mijn hoofd, gooi deze op grasveld en ren richting de sloot. Ik neem een aanloop en spring over de sloot heen. Ik zie nog net dat de verdachte de begraafplaats op rent en achter de grafzerken verdwijnt. Echter de begraafplaats is omheind met een groot hekwerk, dus ik ruik mijn kans. Eerst pak ik mijn portofoon en praat de meldkamer, hijgend en hakkelend, bij over waar ik mij bevind. Ik moet geduld hebben tot de assistentie ter plaatse komt en niet veel later arriveren er twee politieauto’s. Wat ben ik blij om deze te zien! Ik vertel in het kort wat er gebeurd is en vertel dat de dader zich vermoedelijk op de begraafplaats bevindt. Met de collega's lopen we de begraafplaats op en zoeken deze minutieus af. Dan hoor ik een collega roepen dat de verdachte zich achter een grafzerk in de bosschages verstopt heeft en hem ziet. Ik ren naar de plek toe waar de collega staat. Ik zie de verdachte liggen en duik met een snoekduik boven op hem. De verdachte gilt naar de collega’s dat hij doodgemaakt wordt door me. Gelukkig legt de collega een hand op mijn schouder en zegt kalm : “Laat ons maar!”. Ik sta op en de collega’s boeien de verdachte. Ik besluit wijselijk om weg te lopen en laat de collega’s hun werk doen. Ik wil de verdachte niet meer zien.
Ik loop naar de sloot toe en wil eigenlijk weer over de sloot springen en teruggaan naar de resten van mijn politiemotor. Dan pas kom ik tot de ontdekking dat de sloot wel erg breed is en vraag me af hoe ik daar ooit over heen gesprongen kan zijn. Erover heen terugspringen gaat me dit keer zeker niet lukken dus loop ik een paar straten om, tijd om af te koelen.
Bij mijn motor gekomen zie ik dat het eigenlijk niet meer dan een wrak is. Ik spreek nog kort met geschrokken buurtbewoners, maar kan me later niet meer herinneren wat ik eigenlijk gezegd heb of wat ze met me besproken hebben. De collega's van de Verkeers Ongevallen Analyse (VOA) komen ter plaatse om de situatie op de gevoelige plaat vast te leggen.
Ik word opgehaald door de collega’s en word naar een politiebureau gebracht.
Na de nodige administratie hang ik mijn bezweten motorkleding in de kast en vertrek naar huis. Ik slaap die nacht heel weinig.
Ik heb vandaag surveillance met de politiemotor in de buitengebieden van Rotterdam en krijg een melding van een inbraak heterdaad, waarbij een zwarte Opel met een bepaald kenteken is weggereden. Men kan een duidelijk signalement van de verdachte geven. De eigenaar van het voertuig komt veelvuldig voor vanwege inbraken en is vluchtgevaarlijk. Nog geen vijf minuten later kom ik de Opel tegen. Ik zie dat de bestuurder voldoet aan het opgegeven signalement. Ik zie dat hij naar mij kijkt en als ik keer zie ik dat hij zijn snelheid behoorlijk verhoogt. Echter voor de politiemotor is hij geen partij en al heel snel zit ik achter de auto. Ik geef aan de meldkamer door dat ik achter de genoemde Opel zit en dat ik hem blijf volgen tot er een politieauto zich bij mij voegt. We rijden de bebouwde kom van een dorp in, maar de verdachte blijft zijn hoge snelheid houden. Vanwege het gevaar zet ik mijn zwaailicht en sirene aan en zo belanden we midden in het centrum van het dorp. De verdachte probeert mij op allerlei manieren kwijt te rijden, maar door afstand te houden en snel weer te accelereren weet ik de verdachte prima bij te houden. Maar dan rijdt de verdachte een doodlopende straat in. Ik zie aan zijn stuurbewegingen dat hij wanhopig wordt en ik moet op mijn hoede zijn. Op ruime afstand wacht ik wat de verdachte doet.
Maar dan zie ik dat de achteruitrijdlichten gaan branden en komt de verdachte met zo’n hoge snelheid achteruit rijden dat ik niet meer weg kan komen. Een grote klap is het gevolg als de verdachte met zijn auto mijn motor raakt. Ik kom ten val en kan gelukkig ontkomen door tussen de geparkeerde auto’s te duiken. Schrapend en krakend schuift mijn motor achteruit. Wat ben ik blij dat ik niet meer op mijn motor zit! Met angstaanjagend loeiende motor probeert de verdachte mijn motor met zijn auto weg te schuiven. Ik pak mijn pistool en los een waarschuwingschot, maar dit heeft geen effect. Dan richt ik mijn pistool met mijn vinger aan de trekker op de verdachte en wil eigenlijk schieten. Maar als ik over mijn loop kijk zie ik een stuk verderop de basisschool waar op het schoolplein veel kinderen aan het spelen zijn. Ik verstijf. De verdachte kijkt recht in de loop van mijn pistool en rijdt volle vaart weer vooruit. Ik berg mijn pistool weer en ren achter de auto aan. Hij rijdt naast de basisschool het grasveld op in poging daar te ontkomen. Echter aan het einde van het grasveld bevindt zich een sloot. Door de overvloedige regenval rijdt de verdachte zich muurvast, springt uit zijn auto en rent richting de sloot. Hij springt in de sloot en kruipt er aan de andere kant weer uit.
Ik ben woedend, smijt mijn helm van mijn hoofd, gooi deze op grasveld en ren richting de sloot. Ik neem een aanloop en spring over de sloot heen. Ik zie nog net dat de verdachte de begraafplaats op rent en achter de grafzerken verdwijnt. Echter de begraafplaats is omheind met een groot hekwerk, dus ik ruik mijn kans. Eerst pak ik mijn portofoon en praat de meldkamer, hijgend en hakkelend, bij over waar ik mij bevind. Ik moet geduld hebben tot de assistentie ter plaatse komt en niet veel later arriveren er twee politieauto’s. Wat ben ik blij om deze te zien! Ik vertel in het kort wat er gebeurd is en vertel dat de dader zich vermoedelijk op de begraafplaats bevindt. Met de collega's lopen we de begraafplaats op en zoeken deze minutieus af. Dan hoor ik een collega roepen dat de verdachte zich achter een grafzerk in de bosschages verstopt heeft en hem ziet. Ik ren naar de plek toe waar de collega staat. Ik zie de verdachte liggen en duik met een snoekduik boven op hem. De verdachte gilt naar de collega’s dat hij doodgemaakt wordt door me. Gelukkig legt de collega een hand op mijn schouder en zegt kalm : “Laat ons maar!”. Ik sta op en de collega’s boeien de verdachte. Ik besluit wijselijk om weg te lopen en laat de collega’s hun werk doen. Ik wil de verdachte niet meer zien.
Ik loop naar de sloot toe en wil eigenlijk weer over de sloot springen en teruggaan naar de resten van mijn politiemotor. Dan pas kom ik tot de ontdekking dat de sloot wel erg breed is en vraag me af hoe ik daar ooit over heen gesprongen kan zijn. Erover heen terugspringen gaat me dit keer zeker niet lukken dus loop ik een paar straten om, tijd om af te koelen.
Bij mijn motor gekomen zie ik dat het eigenlijk niet meer dan een wrak is. Ik spreek nog kort met geschrokken buurtbewoners, maar kan me later niet meer herinneren wat ik eigenlijk gezegd heb of wat ze met me besproken hebben. De collega's van de Verkeers Ongevallen Analyse (VOA) komen ter plaatse om de situatie op de gevoelige plaat vast te leggen.
Ik word opgehaald door de collega’s en word naar een politiebureau gebracht.
Na de nodige administratie hang ik mijn bezweten motorkleding in de kast en vertrek naar huis. Ik slaap die nacht heel weinig.
De volgende dag
krijg ik een terugbelverzoek van de leiding van de school om te komen praten.
Het blijkt dat het incident, waarbij ik van mijn motor ben gereden en in de
lucht geschoten heb, als een bom is ingeslagen bij een aantal kinderen en
leerkrachten. Sommige kinderen hebben die nacht gedroomd dat die politieagent
door de auto is overreden en nu dood is. Ik realiseer me dat ik niet het enige
slachtoffer ben van het incident. De leerkrachten/hulpouders hebben gezien dat
ik mijn vuurwapen gericht heb op de verdachte en denken dat ik daadwerkelijk
gericht heb geschoten. Ze vragen zich af waar de kogel gebleven is en of ze
geraakt hadden kunnen worden door de kogel. Omdat alles op afstand
gebeurd is, heb ik hier niet over nagedacht. Op school heb ik de betrokken
leerkrachten/ouders en de kinderen uitgelegd dat ik gelukkig ongedeerd ben en
dat hun leven geen moment in gevaar is geweest. Het was een heel fijn en
verhelderend gesprek.
De verdachte is veroordeeld voor inbraak, poging doodslag, rijden zonder rijbewijs en de schade aan de politiemotor die total loss was.
De verdachte is veroordeeld voor inbraak, poging doodslag, rijden zonder rijbewijs en de schade aan de politiemotor die total loss was.
maandag 14 juli 2014
Adrenaline
Eigenlijk is
het wonderlijk spul, dat adrenaline. Het ene moment val je haast in slaap en
het andere moment heb je nergens last meer van en draait je lichaam op volle
toeren.
Mensen hebben het nodig om alert te reageren, zeker politieagenten.
Er zijn nachtdiensten waarin het lijkt of de stad uitgestorven is. Als je dan nog als wachtcommandant binnen zit, lijk je haast spoken te zien. Maar dat kan snel veranderen.
Zo is het dus ook deze nacht. Ik heb de grootste moeite om niet in slaap te vallen. Gelukkig zit er dan nog een maat naast je, die je wakker houd. Bij het eerste ochtendgloren zie ik toch werkelijk op de beveiligingscamera’s een persoon op het parkeerdek van het politiebureau lopen. Het is 5 uur in de ochtend, dus als het een collega zou zijn, zou dit wel een erg vroege vogel zijn. Ik zeg tegen mijn collega naast me dat ik even op het parkeerdek ga kijken, omdat ik denk iemand te hebben zien lopen. Uiteraard zegt hij tegen mij dat ik ze waarschijnlijk zie vliegen, omdat het hek naar het parkeerdek helemaal niet open is gegaan. En dan begin je aan jezelf te twijfelen. Ik loop de trap op en zie door de ramen heen dat er op een scooter van een collega, die op het parkeerdek geparkeerd staat, een manspersoon zit die duidelijk geen collega is. Hij is bezig het contactslot van de scooter te vernielen, kennelijk met de bedoeling de scooter te stelen. En dat vanaf het parkeerdek van een politiebureau.
Plotsklaps is mijn dufheid weg en giert de adrenaline door mijn lijf. Ik gooi de deur open en ren naar de verdachte. Deze ziet mij komen en rent weg. Maar ik krijg hem te pakken, vloer hem en ga boven op hem zitten. Hij is kennelijk zo verrast en geschrokken, dat hij geen verzet biedt en ik hem kan boeien. Binnen de kortste keren ziet het blauw van de collega’s. Mijn maat heeft het op de camera’s zien gebeuren en heeft onmiddellijk assistentie geroepen.
Later blijkt dat de verdachte via een brandtrap van de buren naar boven is gelopen en hierna op het parkeerdek is geklommen. Wat hij echter niet wist is dat het hek van de uitgang alleen door de wachtcommandant bediend kan worden of geopend kan worden met een toegangspas die voor de kaartlezer gehouden moet worden. Hij had dus nooit verder kunnen komen met de scooter dan tot het hek.
Helaas zit dan ook de nodige administratie aan zo een aanhouding vast, dus ik was blij toen ik hiermee klaar was en naar huis kon. De rust in mijn lijf is teruggekeerd en ik heb weer moeite om mijn ogen open te houden, dus ik besluit om in uniform met een burgerjas eroverheen direct naar huis te gaan.
Als ik in mijn auto stap, lijkt het hek van het parkeerdek sarrend traag open te gaan.
Met een slakkengangetje rijd ik de poort uit en rijd ik de W straat in. Voor mij rijdt een personenauto, waarvan ik zie dat de bestuurder druk bezig is met (niet handsfree) bellen. Op zich niets bijzonders tegenwoordig en aangezien ik in mijn privéauto rijd en een burgerjas aan heb, sla ik er verder geen acht op. Mijn gedachten zijn gericht op naar huis gaan.
Dat adrenaline wonderlijk spul is blijkt wel als de bestuurder plotseling op zijn rem trapt en de auto in zijn achteruit zet. Ik stop achter de auto, maar voor ik het weet komt deze al achteruit rijden. Ik begrijp absoluut niet wat de bestuurder van plan is, maar claxonneer wel omdat ik geen opgekrulde motorkap wil hebben.
Op zeer korte afstand komt de auto tot stilstand en wild gebarend, met de telefoon nog aan zijn oor, zie ik dat de bestuurder mij iets duidelijk wil maken. Verwonderd blijf ik stilstaan en moet eerst deze oergebaren op mij in laten werken. Wat moet die man in vredesnaam en waarom maakt hij zich zo druk op deze vroege ochtend.
Dan springt de man uit de auto en komt naar mijn portierraam toegelopen en gaat daar driftig op staan te slaan. Daarbij schreeuwt hij dat hij mij uit mijn auto gaat trekken en mijn kop van mijn romp zou trekken als ik niet achteruit zou gaan, omdat ik kennelijk blind ben.
De adrenaline doet zijn werk weer. De politiegeest wordt vaardig over me. Ik zwaai mijn portierdeur open en spring uit de auto. Ik doe een paar passen achteruit en mijn jas valt daarbij open. Ik neem een gevechtshouding aan en roep: “Politie, kom maar op, ik ben er helemaal klaar voor!” Ik zie dat de man enorm schrikt bij het zien van mijn uniform en mijn dreigende uitstraling. Zijn schreeuwende dreigende stem verandert in een stamelende toon. Hij zegt: “Je ziet toch dat ik wilde parkeren?” Ik was zo boos dat ik tegen hem riep: “Dan moet je de richtingaanwijzer gebruiken als je gaat parkeren, die stomme telefoon van je oor afhalen en je normaal gedragen. En wat nou kop van mijn romp trekken, ik trek die van jou eraf als je niet snel in je auto stapt!” De man stapt in zijn auto en rijdt snel weg.
Ik stap ook weer in mijn auto en schrijf nog even het kenteken op van de auto.
Mijn slaap is verre van me geweken en mijn hartslag tikt de 200 slagen per minuut aan.
Ik rijd naar huis en bedenk me dat ik professioneel gezien niet de meest juiste bewoordingen tegen de man gebruikt heb.
Normaal gesproken zou ik onmiddellijk na mijn thuiskomst in slaap vallen. Maar de adrenalineshots hebben mij hier nog even van weerhouden.
Het mooie van het politievak is dat een ogenschijnlijk saaie nacht plotseling kan veranderen in een spannend moment.
(ps volgende week maandag geen blog, 28 juli weer!)
Mensen hebben het nodig om alert te reageren, zeker politieagenten.
Er zijn nachtdiensten waarin het lijkt of de stad uitgestorven is. Als je dan nog als wachtcommandant binnen zit, lijk je haast spoken te zien. Maar dat kan snel veranderen.
Zo is het dus ook deze nacht. Ik heb de grootste moeite om niet in slaap te vallen. Gelukkig zit er dan nog een maat naast je, die je wakker houd. Bij het eerste ochtendgloren zie ik toch werkelijk op de beveiligingscamera’s een persoon op het parkeerdek van het politiebureau lopen. Het is 5 uur in de ochtend, dus als het een collega zou zijn, zou dit wel een erg vroege vogel zijn. Ik zeg tegen mijn collega naast me dat ik even op het parkeerdek ga kijken, omdat ik denk iemand te hebben zien lopen. Uiteraard zegt hij tegen mij dat ik ze waarschijnlijk zie vliegen, omdat het hek naar het parkeerdek helemaal niet open is gegaan. En dan begin je aan jezelf te twijfelen. Ik loop de trap op en zie door de ramen heen dat er op een scooter van een collega, die op het parkeerdek geparkeerd staat, een manspersoon zit die duidelijk geen collega is. Hij is bezig het contactslot van de scooter te vernielen, kennelijk met de bedoeling de scooter te stelen. En dat vanaf het parkeerdek van een politiebureau.
Plotsklaps is mijn dufheid weg en giert de adrenaline door mijn lijf. Ik gooi de deur open en ren naar de verdachte. Deze ziet mij komen en rent weg. Maar ik krijg hem te pakken, vloer hem en ga boven op hem zitten. Hij is kennelijk zo verrast en geschrokken, dat hij geen verzet biedt en ik hem kan boeien. Binnen de kortste keren ziet het blauw van de collega’s. Mijn maat heeft het op de camera’s zien gebeuren en heeft onmiddellijk assistentie geroepen.
Later blijkt dat de verdachte via een brandtrap van de buren naar boven is gelopen en hierna op het parkeerdek is geklommen. Wat hij echter niet wist is dat het hek van de uitgang alleen door de wachtcommandant bediend kan worden of geopend kan worden met een toegangspas die voor de kaartlezer gehouden moet worden. Hij had dus nooit verder kunnen komen met de scooter dan tot het hek.
Helaas zit dan ook de nodige administratie aan zo een aanhouding vast, dus ik was blij toen ik hiermee klaar was en naar huis kon. De rust in mijn lijf is teruggekeerd en ik heb weer moeite om mijn ogen open te houden, dus ik besluit om in uniform met een burgerjas eroverheen direct naar huis te gaan.
Als ik in mijn auto stap, lijkt het hek van het parkeerdek sarrend traag open te gaan.
Met een slakkengangetje rijd ik de poort uit en rijd ik de W straat in. Voor mij rijdt een personenauto, waarvan ik zie dat de bestuurder druk bezig is met (niet handsfree) bellen. Op zich niets bijzonders tegenwoordig en aangezien ik in mijn privéauto rijd en een burgerjas aan heb, sla ik er verder geen acht op. Mijn gedachten zijn gericht op naar huis gaan.
Dat adrenaline wonderlijk spul is blijkt wel als de bestuurder plotseling op zijn rem trapt en de auto in zijn achteruit zet. Ik stop achter de auto, maar voor ik het weet komt deze al achteruit rijden. Ik begrijp absoluut niet wat de bestuurder van plan is, maar claxonneer wel omdat ik geen opgekrulde motorkap wil hebben.
Op zeer korte afstand komt de auto tot stilstand en wild gebarend, met de telefoon nog aan zijn oor, zie ik dat de bestuurder mij iets duidelijk wil maken. Verwonderd blijf ik stilstaan en moet eerst deze oergebaren op mij in laten werken. Wat moet die man in vredesnaam en waarom maakt hij zich zo druk op deze vroege ochtend.
Dan springt de man uit de auto en komt naar mijn portierraam toegelopen en gaat daar driftig op staan te slaan. Daarbij schreeuwt hij dat hij mij uit mijn auto gaat trekken en mijn kop van mijn romp zou trekken als ik niet achteruit zou gaan, omdat ik kennelijk blind ben.
De adrenaline doet zijn werk weer. De politiegeest wordt vaardig over me. Ik zwaai mijn portierdeur open en spring uit de auto. Ik doe een paar passen achteruit en mijn jas valt daarbij open. Ik neem een gevechtshouding aan en roep: “Politie, kom maar op, ik ben er helemaal klaar voor!” Ik zie dat de man enorm schrikt bij het zien van mijn uniform en mijn dreigende uitstraling. Zijn schreeuwende dreigende stem verandert in een stamelende toon. Hij zegt: “Je ziet toch dat ik wilde parkeren?” Ik was zo boos dat ik tegen hem riep: “Dan moet je de richtingaanwijzer gebruiken als je gaat parkeren, die stomme telefoon van je oor afhalen en je normaal gedragen. En wat nou kop van mijn romp trekken, ik trek die van jou eraf als je niet snel in je auto stapt!” De man stapt in zijn auto en rijdt snel weg.
Ik stap ook weer in mijn auto en schrijf nog even het kenteken op van de auto.
Mijn slaap is verre van me geweken en mijn hartslag tikt de 200 slagen per minuut aan.
Ik rijd naar huis en bedenk me dat ik professioneel gezien niet de meest juiste bewoordingen tegen de man gebruikt heb.
Normaal gesproken zou ik onmiddellijk na mijn thuiskomst in slaap vallen. Maar de adrenalineshots hebben mij hier nog even van weerhouden.
Het mooie van het politievak is dat een ogenschijnlijk saaie nacht plotseling kan veranderen in een spannend moment.
(ps volgende week maandag geen blog, 28 juli weer!)
maandag 7 juli 2014
De lachende verdachte
Nederland staat bekend om zijn tolerante politie, tegen
wie je bijna alles kunt zeggen, in vergelijking met omringende landen. Op zich
is het helemaal niet verkeerd dat onze politiemensen makkelijk benaderbaar of aanspreekbaar zijn. Dat is zeker ook de kracht van ons, laagdrempelig zijn. De
keerzijde is echter dat mensen denken dat ze alles kunnen zeggen tegen ons en testen hoe ver ze kunnen gaan. Maar ook wij hebben grenzen. Gelukkig
denkt het openbaar ministerie met ons mee en geeft steeds strengere straffen.Wim en ik krijgen een melding van twee lastige mannen in café A. Ze zijn dronken en hebben een medewerker van het café gedreigd hem een kopstoot te geven. De eigenaar van het café pikt dit niet en belt de politie.
Ter plaatse gekomen komt ook Richard aangereden. Met z’n drieën stappen we binnen en spreken de mannen aan. Het zijn, aan het accent te horen, mannen van Zuid Europese afkomst die echter wel de Nederlandse taal goed machtig zijn. Ze blijken flink onder invloed te zijn van alcohol en niet voor rede vatbaar. De medewerker van het café wil verder geen aangifte doen, dus verzoeken wij de mannen het café te verlaten, waarna ze opstaan en naar buiten lopen. Eén van de mannen, waarschijnlijk degene die gedreigd zou hebben met een kopstoot, kan het niet laten om de medewerker nog even toe te roepen dat hij zijn gezicht wel zou onthouden.
Buiten gekomen vraagt Wim aan de ene man om zijn legitimatiebewijs. Hij zegt dat dit in de auto ligt, die geparkeerd staat aan de B laan, om de hoek bij de G singel. Wim loopt met deze man, die verder rustig is, mee naar zijn auto.
Richard en ik blijven bij de andere man omdat deze zijn agressie nu op ons richt. Hij uit allerlei dreigementen en we krijgen de meest fijne verwensingen. Uiteindelijk na vordering krijgt Richard zijn legitimatiebewijs en noteert zijn personalia. Ik observeer hem ondertussen en hij vindt mij kennelijk niet aardig, want ik krijg de volle laag. Hij neemt een dreigende houding aan en roept naar me dat hij zeer bedreven is in vechtsport. Hij daagt mij uit om mijn wapentuig af te doen en het gevecht met hem aan te gaan, maar ik vertel hem dat ik niet met een dronkenlap wil vechten omdat ik dat zielig vind. Ik vertel hem dat hij moet uitkijken met zijn woorden, omdat ik hem anders ga aanhouden voor belediging. Ik begin me steeds meer te irriteren aan de taal die hij uitslaat. Dus geeft Richard zijn legitimatiebewijs terug en besluiten we om gewoon van hem weg te lopen om escalatie te voorkomen. Maar dat is nou net wat hij niet wil. Hij loopt op korte afstand achter ons aan en geeft Richard een duwtje, waarop ik me omdraai. Ik geef hem een flinke zet en verzoek hem afstand te houden.
Dan is het moment aangebroken, de maat is vol. Ik hoor hem zeggen: “Ik heb hier een handgranaat en die zal ik eens effe in je k*****muil duwen, dan piep je wel anders!“ Ik kijk Richard aan en gelijktijdig bespringen we hem. We proberen hem naar de muur te brengen om hem te boeien, maar hij verzet zich hevig. Hij gaat met zijn rug tegen de muur staan en probeert ons van zich af te trappen. Om letsel te voorkomen pak ik mijn pepperspray en spuit hem in zijn gezicht. Hij probeert de spray achteloos af te vegen en begint te lachen. Maar langzamerhand verandert zijn lach in een grimas. Hij spant opnieuw zijn spieren en lijkt tot dan weinig last te hebben van de pepperspray. Dus gaan wij over tot de fysieke aanhouding. Richard springt op zijn nek en legt een nekklem aan. Ik veeg de benen van de verdachte onder zijn lijf vandaan en op die manier brengen we hem gecontroleerd op zijn buik naar de grond. Maar hij geeft zich nog steeds niet gewonnen, doet zijn armen onder zijn buik en probeert mij in mijn hand te bijten. Alle mooie klemmen die ons aangeleerd worden ten spijt, maar dan is het tijd om gemeen te gaan worden. Ik duw mijn hand onder de neus van de verdachte en trek zijn hoofd achterover. Zijn neusgaten worden twee keer zo groot, maar het helpt wel. Hij staakt zijn verzet, zodat we zijn armen op zijn rug kunnen draaien en we hem kunnen boeien. Intussen kleurt het gezicht van de verdachte rood van het bloed. Ik schrik hiervan omdat ik in eerste instantie denk dat hij met zijn gezicht op straat is gevallen met het gecontroleerd naar de grond brengen. Maar het blijkt dat hij onder zijn neus een paar scheurtjes heeft opgelopen die, zeker met de flinke hoeveelheid alcohol die de verdachte had genuttigd, flink bloedt. Ik moet grinniken om het onthutste gezicht van Richard als hij ook het bebloede gezicht van onze verdachte ziet, maar stel hem gerust.
Inmiddels komt Wim, die op zijn gemak om de hoek in de B laan de gegevens van de andere man heeft genoteerd en van het hele spektakel niets gemerkt heeft, om de hoek de G singel opgelopen en ziet tot zijn verbazing Richard en mij bovenop de verdachte zitten. Dan beginnen omstanders zich met de aanhouding te bemoeien. Een aantal zijn van mening dat we buiten proportioneel geweld gebruiken tegen de verdachte. Dat we, zonder enige aanleiding, de beste man mishandelen. Helaas kunnen we op dat moment niet aan de ‘verontruste’ burgers uitleggen dat we terecht bezig zijn met de aanhouding van een vervelia die ons zojuist bedreigd en beledigd heeft. We concluderen dat we zo snel mogelijk weg moeten wezen voordat omstanders ons aanvallen. Ik roep naar Wim dat hij onmiddellijk de politiebus moet halen, zodat we de verdachte kunnen afvoeren naar het bureau. Als de bus naast ons staat plaatsen we de verdachte op zijn achterwerk op de grond in de bus en rijden naar het politiebureau. Tijdens de rit klaagt de verdachte dat die pepperspray toch wel erg zeer doet en vraagt mij waarom ik zo boos ben. Ik vind dit een rare vraag, omdat ik eerder verwacht dat hij boos op ons zou zijn. Meestal na zo’n confrontatie is er geen normaal gesprek meer te voeren met een verdachte. Ik vraag hem of hij het normaal zou vinden als ik hem dreig een handgranaat in zijn mond te steken. Ik vertel hem dat wij ook een grens hebben en dat hij degene is die zojuist ervoor heeft gezorgd dat die grens is overschreden. Tot mijn verbazing biedt hij zijn excuses aan en vertel boos te zijn geworden omdat we hem en zijn maat zonder reden het café hebben uitgezet. Ik vertel hem dat wij alleen maar ons werk doen en op verzoek van de café-eigenaar hen het café hebben uitgezet.
Gekomen op het bureau ontdoe ik hem van zijn handboeien en zorg ervoor dat hij een oogdouche kan nemen. Ook geef ik hem een natte handdoek, zodat hij zijn gezicht kan afdoen. Hij biedt nogmaals zijn excuses aan en vertelt dat het eigenlijk allemaal zijn eigen schuld is. Hij komt van oorsprong uit land X en vertelt dat hij in geen enkel land zoveel tegen de politie durft te zeggen dan in Nederland. In landen buiten Nederland durf je politieagenten niet zo te behandelen, want deze slaan er namelijk snel op los en arresteren je onmiddelijk. Hij vertelt dat de Nederlandse agenten bijna alles pikken wat tegen hen gezegd wordt. Hij had niet verwacht dat het deze keer tot een aanhouding zou leiden. En zeker niet dat het met flink geweld gepaard zou gaan. Hij benadrukt nogmaals dat het allemaal zijn eigen schuld is. Hij lacht en steekt zijn hand uit. Wij begrijpen er helemaal niets meer van. Wat moet je nou met zo’n verdachte?
Dus stellen we aan de recherche voor om hem lik-op-stuk te geven. De recherche overlegt met de politiesecretaris en die stelt een schikkingsbedrag voor van 380 euro. De verdachte gaat akkoord en zodoende loopt de verdachte, na betaling, ruim een uur later weer het bureau uit. Voor hij het bureau verlaat vertelt hij lachend dat hij dit niet zo snel meer zal vergeten. Hij vindt dat politieagenten in Nederland toch wel ballen hebben….
maandag 30 juni 2014
Pinkeltje
Een achtervolging is altijd spannend, we willen tenslotte een verdachte niet kwijtraken. Maar politieagenten moeten bij een achtervolging altijd de afweging maken of het wel verstandig is om bijvoorbeeld een knul zonder helm met hoge snelheid te achtervolgen. Zonder helm rijden is een overtreding, maar kan desastreuze gevolgen hebben als de knul ten val komt en ernstig letsel oploopt. Het kan dan in de ogen van de burger lijken dat de politie watjes zijn, omdat ze de achtervolging staken. Anders is als dezelfde knul net een bank heeft overvallen met een vuurwapen. Maar dan nog kunnen we niet alles op alles zetten om deze verdachte te pakken, als we het overige verkeer zelf in gevaar brengen. En door schade en schande wordt je wijs.
Ik hoor dat we een nieuwe ploegmaat krijgen. Hij heet Robert en komt bij defensie vandaan. Hij schijnt behoorlijk breed en groot te zijn.
De eerste kennismaking leert dat Robert inderdaad heel groot en sterk is. Nadat hij mij een hand heeft gegeven, moet ik eerst kijken of mijn hand nog aan mijn arm vastzit.
Robert blijkt een gezellige Brabander te zijn met een grote dosis humor en met heel veel levenservaring. Hij is van defensie afkomstig en heeft bij de elitetroepen van de krijgsmacht gezeten. Maar de vele uitzendingen is hij zat en door een overeenkomst met defensie kan hij na een verkorte opleiding bij de politie instromen. Wel moet hij bepaalde dingen afleren, onder andere dat we bij de politie een deur openen door eerst aan te bellen of te kloppen en uiteindelijk, als laatste middel, een deur opentrappen of rammen. Robert vertelt dat hij gewend is om de deuren gelijk op te blazen met springstof en dat dit toch wel even een stapje terug is.
Verder doen we geen verhoren door iemand bij zijn keel te grijpen en hoog op te tillen, maar op een ethische wijze.
Mijn ogen vallen er bijna uit als hij uit zijn tas een broodtrommel haalt, beter gezegd een trog. Hierin zit zowat een heel brood. Als ik aan hem vraag of hij zijn brood gelijk voor de hele week meegenomen heeft, vertelt hij dat dit zijn dagelijkse portie brood is. Gekscherende weg geven wij als ploegmakkers hem de bijnaam “Pinkeltje”, van wie hij uiteraard het tegenovergestelde is.
Hoe enthousiast hij is en gewend is om daadkrachtig op te treden, blijkt als we de vervelende puber, Patrick, zonder helm op een bromfiets zien rijden. Ik zit op dat moment achter het stuur van de politiebus en zet de achtervolging in. Na door diverse straten heen gescheurd te zijn kan ik met de bus naast Patrick komen. Ik roep tegen Robert of hij hem even vast wil pakken om hem tot stoppen te dwingen, omdat ik weet dat hij anders niet gaat stoppen. Tot mijn grote schrik doet Robert het raam open en met een zwaai trekt hij Patrick van de brommer de bus in. Al schreeuwend ligt Patrick op schoot bij Robert, die moeiteloos de armen op zijn rug draait. Verbijsterd kijk ik de bromfiets na die al slingerend vol gas doorrijdt en aan het eind van de straat de struiken invliegt. Wat ben ik blij dat er op dat moment niemand loopt of fietst. Ik heb Robert later toch wel duidelijk gemaakt dat ik het iets minder radicaal bedoelde en dat we toch wel rekening moeten houden met het feit dat Patrick op een rijdende brommer zat, die gevaar had kunnen veroorzaken voor het overige verkeer.
Kort hierop hebben we opnieuw een achtervolging achter een scooter. We krijgen een melding van een beroving van een oude vrouw en de verdachte is weg op een scooter. Robert zit naast mij als bijrijder in de politiebus als plotseling vanuit een zijstraat de betreffende scooter met de verdachte erop aan komt rijden. Totaal onverwacht en voor ik het weet springt Robert de bus uit en rent razendsnel richting de scooter. Hij krijgt hem warempel bijna te pakken, maar de verdachte weet te ontkomen. Ik stop naast Robert en schreeuw dat hij de bus in moet springen. We zetten de achtervolging in en proberen de scooter in het oog te houden, wat haast niet lukt. De verdachte rijdt als een bezetene, maar we kunnen hem goed bijhouden. Om hem niet teveel op te jagen, gebruiken we geen toeters en bellen. Achteraf besef ik dat dit wel een risico is geweest, maar het komt ook wel eens goed uit. In een smalle straat moet de verdachte remmen voor een langzaam rijdende auto en komen we er weer achter te zitten. De dief probeert eerst links van de auto te passeren, maar daar is het te krap. Dan probeert hij rechts tussen de auto en geparkeerd staande auto´s door te komen, wat haast lukt. Echter als hij naast de langzaam rijdende auto rijdt, hoor ik Robert zeggen: “Wacht even Piet, dit wordt leuk!”. Hij doet plotseling het zwaailicht en de sirene van de politieauto aan. De bestuurder van de auto schrikt zich rot en gooit zijn stuur om naar rechts om ons te laten passeren. De scooterrijder naast hem heeft hij nooit gezien. En dan gebeurt het onvermijdelijke, de verdachte wordt met scooter en al gecruncht tussen de rijdende auto en de geparkeerd staande auto’s. We zien hem door de lucht heen vliegen en op het wegdek neersmakken.
De geschrokken automobilist heeft kennelijk door de sirene helemaal niets gehoord en rijdt verder. Ondanks hevig remmen verdwijnt de scooter met een doffe klap onder de voorzijde van de bus en komen we tot stilstand. Robert springt uit de bus en duikt boven op de verdachte, die inmiddels weer wil opstaan en wegrennen. Ik spring ook uit de bus, maar vergeet iets cruciaals. De automatische versnellingsbak in de parkeerstand plaatsen. Ook ik voeg me bij Robert en wil de verdachte boeien. Dan hoor ik Robert hijgend aan mij vragen of ik de politiebus even een stukje achteruit wil rijden. Ik draai me om en kijk in de grille van de politieauto, die op 10 centimeter afstand van ons staat te duwen met de scooter er nog onder.
Het blijkt dat Robert met één hand de verdachte vasthoudt en met de andere hand de duwende politieauto tegenhoudt. Ik weet niet hoe gauw ik de politiebus moet induiken om hem achteruit te rijden. Als ik achteruit rijd hoor ik een schurend geluid en het geluid van brekend plastic. De scooter komt onder de bus vandaan en ziet er ernstig gehavend uit.
Gelukkig blijkt de verdachte geen noemenswaardige verwondingen te hebben en kan hij met een paar pleisters in de cel gezet worden.
Het verwachtte gebeurde ook, Robert is na korte tijd aangenomen bij het arrestatieteam en haalt de opleiding glansrijk. Daar is hij toch wat meer in zijn element, want wij hebben hem voor het basis politiewerk toch aardig wat keren terug moeten fluiten.
maandag 23 juni 2014
Aasgier
Als iemand komt te overlijden en de doodsoorzaak is onduidelijk of zou een misdrijf kunnen zijn, worden wij als politie er altijd bijgeroepen. Dit gebeurt meestal als de huisarts geen verklaring van overlijden wil afgeven, omdat hij vermoedt dat er opzet in het spel is of dat er sporen zijn die zouden kunnen duiden op een misdrijf. In eerste instantie zullen dan politieagenten in uniform verschijnen, die het verhaal aanhoren. In overleg met de chef van dienst wordt dan een politiearts ter plaatse gevraagd, die een zogenaamde ‘schouw’ verricht. Als deze twijfelt of de persoon op een natuurlijke wijze is overleden, wordt het lichaam in beslag genomen. Hierna komt de recherche ter plaatse die de zaak overneemt. Deze kan dan de collega’s van de Forensische opsporing, de collega’s in de witte pakken, bestellen die alle sporen vastleggen. Dit hele circus is niet leuk voor de familie, als achteraf blijkt dat er helemaal geen opzet in het spel is. Maar we komen ook wel eens als politie ter plaatse, terwijl de familie onze aanwezigheid helemaal niet op prijs stelt.
Johan en ik krijgen omstreeks 21:00 uur een melding van een man die zijn vriendin dood in de woning heeft aangetroffen. Het blijkt een prachtig landhuis te zijn, waar zij alleen woont. Haar man is al jaren geleden overleden en ze hadden geen kinderen. Het enige contact wat ze heeft is met de betreffende man, ik noem hem Hendrik.
Hendrik heeft een sleutel van de woning. Bij binnenkomst treft hij zijn vriendin, niet aanspreekbaar, op de grond aan en belt 112. Op verzoek van de collega’s van de ambulance rijden wij mee, maar al gauw blijkt dat ze al enige tijd geleden overleden is. De collega’s van de ambulance vertrekken en wij nemen de zaak over. We verzoeken de chef van dienst, Boudewijn, ter plaatse en verzoeken de politiearts ter plaatse. In de tussentijd horen we het verhaal van Hendrik aan. Hendrik is het enige contact wat de vrouw had, omdat ze na het overlijden van haar man, het contact met haar familie verbroken heeft. Hendrik vertelt dat de vrouw hen wantrouwde, omdat ze op haar geld uit waren. Hendrik is bevriend met haar geraakt en onderhoudt het landgoed, zorgt voor de boodschappen en de administratie.
Als we aan Hendrik vragen waar belangrijke papieren van mevrouw liggen, zoals haar legitimatiebewijs, wijst hij ons op een kast. We vinden inderdaad het legitimatiebewijs, een trouwboekje, maar ook een map met bankafschriften. Even duizelen mijn ogen als ik zie wat een astronomisch saldo er op de rekeningen van de bank staat.
De politiearts komt ter plaatse en constateert een natuurlijke dood. In afwachting van een uitvaartverzorger tillen we de vrouw op en leggen haar op bed neer.
We moeten dus op zoek naar directe familie die er voor gaat zorgen dat er een uitvaartverzorger wordt gebeld, maar gezien het verhaal van Hendrik lijkt dit ons geen goed idee. Echter gaat de bel van de voordeur en meldt zich een man, Frits, die zegt de neef te zijn van de vrouw. We laten hem binnen en vragen om zijn legitimatiebewijs. Hij blijkt inderdaad een neef te zijn. We hebben geen idee hoe Frits aan de informatie komt dat zijn tante is overleden. Frits vertelt dat hij een ´zeer goede neef´ van zijn tante is, goed contact met haar had en alles zal gaan regelen. Hij vraagt waar zijn tante is en wil even bij haar kijken. Als ik Frits observeer tijdens het kijken naar zijn tante bespeur ik weinig emotie. Ik merk meer dat hij gehaast is. Hij vertelt ons dat wij in ieder geval weg kunnen gaan. Ook Hendrik mag weggaan, maar aan het gezicht van Hendrik valt af te lezen dat dit hem helemaal niet bevalt. Ons valt al gelijk de koele houding tussen Frits en Hendrik op.
Gezien de informatie die we van Hendrik gehoord hebben, en het feit dat er veel geld mee gemoeid is en dat Frits geen directe familie is, bekruipt ons het gevoel dat Frits eerst zijn eigen ´zaakjes´ gaat regelen. Denkbeeldig zie ik een aasgier in de lucht zweven, genaamd Frits, die toeslaat als wij allemaal weg zijn. Er is namelijk heel veel te halen in dit huis en wat is er mooier voor Frits dan aankomende nacht te shoppen in het huis van zijn ‘goede’ tante. Boudewijn en Johan hebben dezelfde gedachten. Als we Hendrik even apart nemen bevestigt deze dat Frits helemaal geen goed contact had met zijn tante en bang is dat hij spullen gaat stelen. We besluiten het huis te verzegelen en in handen te geven van een notaris, die speciaal voor de politie in dit soort situaties de zaken regelt.
We stellen Frits in kennis dat wij de zaak bevriezen tot duidelijk wordt wie de rechthebbende is van de erfenis van zijn tante. Frits toont zijn ware aard. Hij wordt boos en begint lelijk te doen. Na hem nogmaals duidelijk gemaakt te hebben dat we bij ons standpunt blijven en hij zich morgen mag melden, verlaat hij kwaad het huis, zonder zich nog te bekommeren om zijn ‘goede’ tante die nog op bed ligt. Op advies van Hendrik bestellen we een plaatselijke uitvaartverzorger, die mevrouw ophaalt.
Als we de woning willen afsluiten vragen we aan Hendrik of wij de sleutel van hem krijgen om deze aan de notaris te geven. Nou heb ik bij binnenkomst van de woning een sleutelbos zien hangen aan een hanger naast de deur. Deze is echter weg en ik vraag aan Hendrik of hij de sleutelbos in zijn bezit heeft. Hendrik ontkent dat hij deze sleutels heeft en bevestigt dat daar inderdaad altijd de sleutelbos met alle sleutels van het huis en de garage hangen. Ik geloof Hendrik, want hij heeft sowieso een sleutel in zijn bezit en geen reden te hebben om de sleutelbos in zijn zak te steken.
Even staan we elkaar aan te kijken en hebben we weer hetzelfde gevoel. Uiteraard kunnen we het niet hard maken, maar het zal ons niets verbazen als Frits snel kans gezien heeft om de sleutelbos in zijn zak te stoppen. We bestellen een slotenmaker en laten overal nieuwe cilinders inzetten. Bij deuren waar de cilinder niet vervangen kan worden, schroeft de slotenmaker met grote schroeven de hele deur dicht. Bij de garagedeur kan het slot ook niet worden vervangen, maar ook niet worden dichtgeschroefd. De oplossing? We zetten de deur met de sleepkabel vast aan de peperdure BMW. De rekeningen van mevrouw werden door ons geblokkeerd en in opdracht van Boudewijn werd het huis die nacht scherp in de gaten gehouden door de collega’s.
Later hoor ik van Hendrik dat Frits de dag erop zich al vroeg bij de notaris gemeld heeft. Er blijkt geen testament te zijn, dus alle bezittingen van tante zijn voor de familie. Het ‘aanspreekpunt’ is Frits. Zelfs het tuingereedschap van Hendrik krijgt deze, ondanks zijn verzoek, niet terug omdat hij, volgens Frits, niet kan bewijzen dat het van hem is.
maandag 16 juni 2014
De woesteling
Opsporingsambtenaar ben je 24 uur per dag. In tegenstelling tot wat
veel burgers denken mogen wij, na je kenbaar gemaakt te hebben als politieagent, ook in privétijd iemand aanhouden of staande houden.
Dat is de reden dat de meeste collega’s hun politielegitimatiebewijs steevast op zak hebben. Maar dat wil absoluut niet zeggen dat je ook altijd op moet treden, want dan zouden onze werkdagen wel heel erg lang worden. Maar soms kun je de drang om op te treden echter niet weerstaan, zeker niet als er een collega om assistentie roept.
Op een mooie zomeravond moet ik vanwege privé omstandigheden eerder naar huis.
Omdat ik de volgende dag moet clusteren (schieten, sporten enz.) houd ik mijn uniform aan, maar doe er een burgerjas overheen en rijd direct naar huis.
Op de autosnelweg word ik gepasseerd door een oude Toyota. Ik zie dat de bestuurder zijn raampje open heeft en dat zijn lange haren wapperen in de wind. Ik zie dat hij geen autogordel draagt. Kort hierop word ik gepasseerd door een motorrijder van de verkeerspolitie. Ik zie dat hij naast de auto gaat rijden en de man een stopteken geeft ter hoogte van een parkeerplaats op de autosnelweg. Ik zie dat de man hem met zijn auto volgt, maar niet van harte want de motorrijder moet diverse keren gebaren dat hij de afrit moet nemen. Ik krijg een vreemd voorgevoel en zet mijn portofoon aan en hoor dat de motorrijder, Marc, de meldkamer kennis geeft dat hij de man gaat controleren op de parkeerplaats. Omdat het een ‘normale’ controle betreft en de man toch volgt besluit ik gewoon verder te rijden. Ik rijd de parkeerplaats voorbij en zie dat Marc inmiddels is afgestapt en de bestuurder aanspreekt. Wat ik niet weet is dat de man in kwestie heel recalcitrant is en absoluut niet wil meewerken. Ik hoor via de portofoon dat Marc om een politieauto ter assistentie vraagt. Op de achtergrond hoor ik de man hard praten, kennelijk is hij het niet echt eens met Marc. Ik baal dat ik de parkeerplaats voorbij ben gereden, dus minder mijn snelheid. Kort hierna hoor ik Marc over de portofoon roepen dat de man er vandoor gaat.
Marc heeft een alcohollucht waargenomen en heeft tegen de man gezegd dat hij moet blazen. De man heeft hierop zijn auto gestart en is om Marc heengereden. Marc heeft echter problemen met het starten van zijn motor, dus kan niet direct de achtervolging inzetten. De man heeft dus een mooie voorsprong, echter niet op mij. Mijn adrenalinepeil gaat omhoog, ik ben er klaar voor. De man komt mijn kant op met zijn Toyota, dus ik bereid me voor op een achtervolging. Niet lang erna zie ik de Toyota in mijn spiegel aankomen. Nadat hij voorbij gereden is, rijd ik achter hem aan en meld aan de meldkamer dat ik achter de auto rijd in mijn privéauto, maar wel in uniform gekleed en klaar voor actie.
De meldkamer geeft door dat de auto op naam van een man in A stad staat. De staat van dienst van deze man voorspelt niet veel goeds. Gekomen bij een tankstation in B dorp zie ik dat de man de afrit neemt en de parkeerplaats van het station oprijdt. Ik heb in de tussentijd mijn burgerjas uitgedaan, zodat ik herkenbaar ben in politie-uniform als ik zou uitstappen. Ik zie dat de man zijn auto achter de shop van het tankstation parkeert, tussen twee vuilcontainers in, en uitstapt. Ik blijf op een afstand in mijn auto zitten om te kijken wat hij precies gaat doen en meld ondertussen de positie waar ik sta en waar de man zijn voertuig geparkeerd heeft. Tot mijn verbazing zie ik dat de man de verrijdbare vuilcontainers voor zijn auto plaatst om zo zijn auto aan het zicht te onttrekken. Vervolgens gaat hij op het hoekje van de shop staan en kijkt om de hoek of de politie in aantocht is. Dan zie ik dat hij mij in de gaten krijgt.
Ik besluit om de confrontatie aan te gaan om te voorkomen dat hij weer in zijn auto gaat stappen. Ik stap uit mijn auto en roep naar de man dat ik van de politie ben en dat hij is aangehouden. Ik loop naar hem toe en zie dat hij als een haas naar zijn auto loopt. En dat is nou precies wat ik niet wil. Ik ren naar hem toe en wil hem nog beetpakken voor hij in zijn auto stapt. Ik ben niet op tijd, want hij heeft inmiddels plaats genomen achter het stuur en zijn portier dichtgeslagen. Ik open het portier, maar hij probeert deze onmiddellijk weer dicht te trekken. Dan besluit ik maar om gemeen te worden. Ik grijp de lange haren van de man beet en probeer hem aan zijn haren het voertuig uit te trekken, omdat ik zie dat hij probeert zijn auto te starten. Ik trek hem hardhandig aan zijn haren, zodat hij net met zijn hand niet de contactsleutel van zijn auto kan omdraaien, omdat ik bang ben dat hij me anders omver zal rijden. Ik sla het portier dicht zodat zijn haren tussen de deur klemmen en hij dus zijn auto niet kan starten. Begrijpelijk is dit niet fijn voor hem, want hij schreeuwt moord en brand. Daarbij opgeteld heeft de man niet het kleinste postuur, dus het zal een zware dobber voor mij worden als hij zo meteen uitstapt. Ik druk de noodknop van mijn portofoon in en roep om assistentie. Ik hoor nog net dat de meldkamer mijn noodoproep begrepen heeft en politieauto’s mijn kant uitstuurt. Maar tot die tijd moet ik het wel zelf even uit zien te zingen.
De man verandert in een woesteling en duwt uit alle macht tegen het portier aan. Helaas kan ik hier niet tegenop, zodat de man door het geopende portier naar buiten rolt, mij met zich meetrekkend. Ik kom ten val en besef dat ik hem zo snel mogelijk uit moet schakelen. Ondanks dat ik hem ferme klappen geef en ikzelf ook de nodige klappen moet incasseren lukt het me niet om hem onder controle te krijgen. Maar gelukkig hebben we onze pepperspray nog. Ik spuit de man rijkelijk met pepperspray in zijn gezicht in de hoop dat dit werkt. Ik ga op veilige afstand staan en zie dat de pepperspray zijn werking fantastisch doet. Hij geeft zijn verzet op en gaat door de knieën. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ontzettend blij ben als ik de eerste politieauto, een wagen van naburige regio Zuid-Holland-Zuid, zie verschijnen. Overal hoor ik sirenes en er verschijnen nog veel meer politieauto’s. De man wordt geboeid afgevoerd en ik kan even tot rust komen. Ik heb mijn doel bereikt, namelijk de aanhouding van de man, maar niet mijn streven om op tijd thuis te zijn. Een collega van mijn ploeg, die ook ter plaatse gekomen is, vraagt aan mij: “Jij moest toch eerder naar huis?". Ja, dat dacht ik ook, maar politiewerk zit in je bloed en dit soort dingen kun je niet laten gaan.
Met een gescheurd overhemd en diverse schaafplekken, maar ook een met glimlach rijd ik naar huis. Wat hebben we toch een mooie en onvoorspelbare baan.
Uiteindelijk bleek de man flink onder invloed van alcohol te zijn en nog een gevangenisstraf wegens mishandeling mocht uitzitten.
Dat is de reden dat de meeste collega’s hun politielegitimatiebewijs steevast op zak hebben. Maar dat wil absoluut niet zeggen dat je ook altijd op moet treden, want dan zouden onze werkdagen wel heel erg lang worden. Maar soms kun je de drang om op te treden echter niet weerstaan, zeker niet als er een collega om assistentie roept.
Op een mooie zomeravond moet ik vanwege privé omstandigheden eerder naar huis.
Omdat ik de volgende dag moet clusteren (schieten, sporten enz.) houd ik mijn uniform aan, maar doe er een burgerjas overheen en rijd direct naar huis.
Op de autosnelweg word ik gepasseerd door een oude Toyota. Ik zie dat de bestuurder zijn raampje open heeft en dat zijn lange haren wapperen in de wind. Ik zie dat hij geen autogordel draagt. Kort hierop word ik gepasseerd door een motorrijder van de verkeerspolitie. Ik zie dat hij naast de auto gaat rijden en de man een stopteken geeft ter hoogte van een parkeerplaats op de autosnelweg. Ik zie dat de man hem met zijn auto volgt, maar niet van harte want de motorrijder moet diverse keren gebaren dat hij de afrit moet nemen. Ik krijg een vreemd voorgevoel en zet mijn portofoon aan en hoor dat de motorrijder, Marc, de meldkamer kennis geeft dat hij de man gaat controleren op de parkeerplaats. Omdat het een ‘normale’ controle betreft en de man toch volgt besluit ik gewoon verder te rijden. Ik rijd de parkeerplaats voorbij en zie dat Marc inmiddels is afgestapt en de bestuurder aanspreekt. Wat ik niet weet is dat de man in kwestie heel recalcitrant is en absoluut niet wil meewerken. Ik hoor via de portofoon dat Marc om een politieauto ter assistentie vraagt. Op de achtergrond hoor ik de man hard praten, kennelijk is hij het niet echt eens met Marc. Ik baal dat ik de parkeerplaats voorbij ben gereden, dus minder mijn snelheid. Kort hierna hoor ik Marc over de portofoon roepen dat de man er vandoor gaat.
Marc heeft een alcohollucht waargenomen en heeft tegen de man gezegd dat hij moet blazen. De man heeft hierop zijn auto gestart en is om Marc heengereden. Marc heeft echter problemen met het starten van zijn motor, dus kan niet direct de achtervolging inzetten. De man heeft dus een mooie voorsprong, echter niet op mij. Mijn adrenalinepeil gaat omhoog, ik ben er klaar voor. De man komt mijn kant op met zijn Toyota, dus ik bereid me voor op een achtervolging. Niet lang erna zie ik de Toyota in mijn spiegel aankomen. Nadat hij voorbij gereden is, rijd ik achter hem aan en meld aan de meldkamer dat ik achter de auto rijd in mijn privéauto, maar wel in uniform gekleed en klaar voor actie.
De meldkamer geeft door dat de auto op naam van een man in A stad staat. De staat van dienst van deze man voorspelt niet veel goeds. Gekomen bij een tankstation in B dorp zie ik dat de man de afrit neemt en de parkeerplaats van het station oprijdt. Ik heb in de tussentijd mijn burgerjas uitgedaan, zodat ik herkenbaar ben in politie-uniform als ik zou uitstappen. Ik zie dat de man zijn auto achter de shop van het tankstation parkeert, tussen twee vuilcontainers in, en uitstapt. Ik blijf op een afstand in mijn auto zitten om te kijken wat hij precies gaat doen en meld ondertussen de positie waar ik sta en waar de man zijn voertuig geparkeerd heeft. Tot mijn verbazing zie ik dat de man de verrijdbare vuilcontainers voor zijn auto plaatst om zo zijn auto aan het zicht te onttrekken. Vervolgens gaat hij op het hoekje van de shop staan en kijkt om de hoek of de politie in aantocht is. Dan zie ik dat hij mij in de gaten krijgt.
Ik besluit om de confrontatie aan te gaan om te voorkomen dat hij weer in zijn auto gaat stappen. Ik stap uit mijn auto en roep naar de man dat ik van de politie ben en dat hij is aangehouden. Ik loop naar hem toe en zie dat hij als een haas naar zijn auto loopt. En dat is nou precies wat ik niet wil. Ik ren naar hem toe en wil hem nog beetpakken voor hij in zijn auto stapt. Ik ben niet op tijd, want hij heeft inmiddels plaats genomen achter het stuur en zijn portier dichtgeslagen. Ik open het portier, maar hij probeert deze onmiddellijk weer dicht te trekken. Dan besluit ik maar om gemeen te worden. Ik grijp de lange haren van de man beet en probeer hem aan zijn haren het voertuig uit te trekken, omdat ik zie dat hij probeert zijn auto te starten. Ik trek hem hardhandig aan zijn haren, zodat hij net met zijn hand niet de contactsleutel van zijn auto kan omdraaien, omdat ik bang ben dat hij me anders omver zal rijden. Ik sla het portier dicht zodat zijn haren tussen de deur klemmen en hij dus zijn auto niet kan starten. Begrijpelijk is dit niet fijn voor hem, want hij schreeuwt moord en brand. Daarbij opgeteld heeft de man niet het kleinste postuur, dus het zal een zware dobber voor mij worden als hij zo meteen uitstapt. Ik druk de noodknop van mijn portofoon in en roep om assistentie. Ik hoor nog net dat de meldkamer mijn noodoproep begrepen heeft en politieauto’s mijn kant uitstuurt. Maar tot die tijd moet ik het wel zelf even uit zien te zingen.
De man verandert in een woesteling en duwt uit alle macht tegen het portier aan. Helaas kan ik hier niet tegenop, zodat de man door het geopende portier naar buiten rolt, mij met zich meetrekkend. Ik kom ten val en besef dat ik hem zo snel mogelijk uit moet schakelen. Ondanks dat ik hem ferme klappen geef en ikzelf ook de nodige klappen moet incasseren lukt het me niet om hem onder controle te krijgen. Maar gelukkig hebben we onze pepperspray nog. Ik spuit de man rijkelijk met pepperspray in zijn gezicht in de hoop dat dit werkt. Ik ga op veilige afstand staan en zie dat de pepperspray zijn werking fantastisch doet. Hij geeft zijn verzet op en gaat door de knieën. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ontzettend blij ben als ik de eerste politieauto, een wagen van naburige regio Zuid-Holland-Zuid, zie verschijnen. Overal hoor ik sirenes en er verschijnen nog veel meer politieauto’s. De man wordt geboeid afgevoerd en ik kan even tot rust komen. Ik heb mijn doel bereikt, namelijk de aanhouding van de man, maar niet mijn streven om op tijd thuis te zijn. Een collega van mijn ploeg, die ook ter plaatse gekomen is, vraagt aan mij: “Jij moest toch eerder naar huis?". Ja, dat dacht ik ook, maar politiewerk zit in je bloed en dit soort dingen kun je niet laten gaan.
Met een gescheurd overhemd en diverse schaafplekken, maar ook een met glimlach rijd ik naar huis. Wat hebben we toch een mooie en onvoorspelbare baan.
Uiteindelijk bleek de man flink onder invloed van alcohol te zijn en nog een gevangenisstraf wegens mishandeling mocht uitzitten.
Abonneren op:
Posts (Atom)









