Copyright

Copyright P.Kats. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd worden en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.

maandag 3 maart 2014

'Dik in orde'

foto Sven van Beek Flashphoto



Collega Arie, een vijftiger met een fors postuur, heeft een aardige buik. Wij zijn het gewend en weten dat Arie voor een verdachte niet opzij gaat. De verdachte zal in ieder geval heel veel moeite moeten doen om Arie opzij te duwen. En mocht de verdachte met Arie gaan vechten, dan heeft hij een aardige kluif aan Arie.
Maar wanneer een foto verschijnt in de pers, waarop Arie, met zijn overhemd uit zijn broek, staat te praten met ambulancepersoneel en de chef van dienst zijn de commentaren niet van de lucht. Een foto, waarvan de fotograaf het verhaal erachter weet en hem ook met deze intentie geplaatst heeft. Maar wat wordt die dikbuikige agent neergesabeld door critici.
Tijdens een mooie zomermiddag werkt een oude man in zijn tuintje en komt ongelukkig ten val in de sloot. Een buurtbewoonster, ook op leeftijd, ziet het gebeuren en belt 112. Helaas kan zij niet helpen en wacht ze de hulpdiensten, die met grote spoed komen, af.
Arie komt als eerste ter plaatse, doet zijn koppel af en springt in de sloot. Hij haalt de oude man uit het water en start de reanimatie. Inmiddels komen wij ter plaatse en assisteren Arie en zijn maat.
Ondanks de inzet van de vele collega’s van de GGD, brandweer en het traumateam die met de helikopter arriveren, overlijdt de man. Op de beruchte foto staat een zeiknatte Arie, met het overhemd uit zijn broek, nog even na te praten met hulpverleners. Arie is aangeslagen en baalt als een stekker dat de reanimatie niet gelukt is. Tot overmaat van ramp blijken zijn portemonnee en zijn (privé) mobiele telefoon ook nog in zijn zak te zitten. Ik moet stiekem grinniken als ik Arie met een beteuterd gezicht naar de telefoon zie kijken waar het water uitgutst. We brengen Arie naar het bureau, zodat hij droge kleding kan aantrekken.
Een paar uur later attendeert een collega ons op de foto’s die op internet staan en de reacties die eronder genoemd worden. Te belachelijk voor woorden dat een agent zo met zijn overhemd uit z’n broek op internet staat, het is een schande. En daar moeten we de oorlog mee winnen, met zo’n dikbuik. Of hebben agenten tegenwoordig ook al “positiekleding”.
Na korte tijd slaat de fotograaf terug en plaatst een opmerking dat juist die agent in de sloot gesprongen was, de oude man uit de sloot gehaald had en deze gereanimeerd had. En dat, als ze goed gekeken hadden, ze gezien hadden dat deze agent zeiknat was.
Arie is teleurgesteld en boos naar huis gegaan. Teleurgesteld omdat de redding niet gelukt is. Boos om die onbegrijpelijke reacties van de critici.
Zijn telefoon werd uiteindelijk door de politie vergoed en Arie kan achteraf nog glimlachen om de commotie rond zijn foto. Er stond daar een dijk van een collega, die zijn taak als hulpverlener uitgevoerd had. Weliswaar met een dikke buik, maar wel ‘dik’ in orde.




 


 


 

maandag 24 februari 2014

Een stinkend zaakje

Vier keer in het jaar hebben we zogenaamd ‘clusteren’. Dan staat een hele dag in het teken van het bijhouden van vaardigheden, wat wordt gegeven door collega’s van het IBT,  Integrale BeroepsvaardigheidsTraining.  Schieten, aanhouding-zelfverdedigingstechnieken en ook benaderingstechnieken worden geoefend. Maar ook psychische en lichamelijke effecten bij een stresssituatie komen aan bod. Er wordt veel nuttige informatie gedeeld. Zo wordt ons ook verteld dat bij een zeer stressvolle situatie, waarbij de adrenaline door je lijf heen giert, je hersenen bepaalde zintuigen uitschakelen. Zintuigen zoals reuk, smaak of gehoor worden minder of zelfs nihil. En praktijk is dan soms de beste leermeester… 

Al weken lang wordt de wijk geteisterd door een brutale autodief, een zogenaamde carjacker. Bij een verkeerslicht trekt hij plotseling de deur open van een auto die voor het verkeerslicht staat te wachten en steelt hij, onder bedreiging van een mes, de auto. Hij slaat toe bij mensen die alleen in de auto zitten, maar afgelopen week zat er ook een baby in een kinderzitje achterin de auto en was een gillende moeder achtergebleven. Kennelijk, als de carjacker doorkrijgt dat er ook een baby op de achterbank zit, heeft hij ergens verderop de auto met het kind gedumpt. Gelukkig deed hij het kind niets en was het geen snikheet weer. Er heerst grote paniek en er werd alles op alles gezet om de auto terug te vinden. Enkele uren later wordt de auto gevonden en de baby is ongedeerd.

Tijdens onze dienst slaat hij weer toe, maar dan onder het toeziend oog van twee collega´s in een burgervoertuig van de politie. Ze volgen de gestolen auto en vragen via de meldkamer herkenbare politieauto’s erbij. De collega’s Peter en Deni komen als eerste achter de auto te rijden en geven hem een stopteken. Wij rijden achter Peter en Deni en zien tot onze verbazing dat de auto stopt. Dat is vreemd, want zich zo gewillig overgeven lijkt ons sterk. De verdachte doet zelfs het bestuurdersportier open. Peter en Deni stappen uit en lopen voorzichtig naar de auto toe. Net als wij eigenlijk ook uit willen stappen, trekt de verdachte snel het portier dicht en geeft vol gas, het is dus een truc! Deni en Peter hebben het nakijken, maar wij zijn nu de eerste die achter de gestolen auto komen te rijden. Het wordt een flinke achtervolging, waarbij de verdachte de gekste capriolen uithaalt. Ik probeer zo rustig mogelijk de positie door te geven, maar je voelt dat je adrenalinepeil flink stijgt. Diverse politieauto’s proberen hem te stoppen, maar in plaats daarvan  ramt de verdachte hen. Als we zien dat hij zijn weg op het fietspad vervolgt en daarbij fietsers van hun fiets moeten springen besluiten we om hem te rammen. Maar gelukkig is dit niet nodig, want de verdachte knalt op een paaltje en rijdt de carterpan van de auto aan gort. Hierdoor stroomt de olie uit de motor van de auto en kan de verdachte hoogstens nog een paar kilometer rijden. We hoeven geen moeite te doen om de gehavende auto te achtervolgen en op de Mijnsherenlaan, midden in de woonwijk, springt de verdachte uit de nog rijdende auto en sprint weg. Ik roep tegen mijn maat Erik dat hij moet stoppen en spring ook uit de auto. Ik ren achter de verdachte aan en houd hem in het vizier. Ik heb alle moeite om de verdachte bij te houden, maar zie dat vanaf de andere kant een politieauto komt aangestormd. De verdachte ziet dit ook en draait zich plotseling om en komt als een dolle stier op mij afgerend. Ik probeer hem de pas af te snijden en grijp hem vast op een klein stukje gras van de Mijnsherenlaan. Wij komen ten val en de verdachte vecht als een leeuw. Helaas voor hem duikt ook Deni, die nog nijdig is op de truc van de verdachte, ook boven op hem en we rollebollen met z´n drieën over het gras. Na een paar ferme klappen geeft de verdachte zich over en hijgend boeien we de verdachte. Overal om ons heen verschijnen politieauto’s en komen collega’s aangerend.
Maar opvallend is dat de collega’s op een afstand blijven staan en ons misprijzend aankijken. Ik kijk Deni aan en zie dat hij wel hele rare kleuren modder in zijn haar, op zijn gezicht en op zijn kleding heeft. Dan wordt de theorie, die we bij het IBT gehad hebben, praktijk. Ons adrenalinepeil zakt en we krijgen onze reuk weer terug. Een penetrante geur dringt tot Deni en mij door. Aangezien de Mijnsherenlaan een kleine strook gras heeft en er heel veel honden in de omgeving zijn die hier hun behoefte op doen, blijken wij van top tot teen onder de hondenpoep te zitten. Het was werkelijk walgelijk. De verdachte spande de kroon, want tijdens het boeien had deze met zijn gezicht midden in de stinkende massa gelegen.

Vandaar dus dat de toegesnelde collega’s op een eerbiedige afstand van ons blijven staan. Bij mijn vraag of ze de verdachte voor ons in de bus willen plaatsen schieten ze in de lach. Nadat we de verdachte op zijn buik in de bus gelegd hebben, nemen we zelf ook op de grond van de bus plaats om zo de bekleding niet te bevuilen. Tijdens de rit naar het politiebureau gaat de verdachte ook nog over zijn nek en spuugt alles onder in de politiebus. Het is werkelijk een walgelijke stank in de bus, kortom een stinkend zaakje. Op het politiebureau hebben we de verdachte snel overgegeven aan de arrestantenbewaarder en zijn zelf gauw onder de douche gestapt.

Na de douche konden we wel voldaan terugkijken op onze actie, we hadden de juiste verdachte te pakken!

maandag 17 februari 2014

ACAB, basterds of hulpverleners?


A.C.A.B. is de afkorting van de Engelse slogan All Cop(per)s Are Bastards (vertaald: Alle politieagenten zijn klootzakken). In plaats van de afkorting wordt ook wel de code 1312 gebruikt, naar de positie van de letters van de afkorting in het alfabet. De slogan en afkorting wordt gebruikt in jongerensubculturen, zoals voetbalhooligans, punks, skinheads en anarchisten en komt voor in tatoeages van gevangenen, in graffiti, op posters en op T-shirts en in namen van muziekgroepen en hun werken.


Onlangs zat ik in de skilift in Frankrijk, toen mijn oog viel op een stickertje wat op de ruit van de cabine geplakt zat. Het stickertje met A.C.A.B. en de afbeelding van een politieagent. Ik moest er om glimlachen, want mijn gedachten gingen terug naar een melding van een ongeval met een auto, waarop een soortgelijk stickertje geplakt zat. 

Ik krijg een melding van een ongeval op de rijksweg, waar een eenzijdige aanrijding heeft plaatsgevonden boven op de fly-over van een verkeersplein. Ik ben als motorrijder als eerste ter plaatse en zie een totaal verwrongen stuk blik, wat eerst een auto was, tegen de vangrail staan. Een getuige meldt dat de bestuurder nog in het voertuig zit.

Wat me wel opvalt is dat het een opgepimpt klein sportautootje is (was) en er nog twee stickers op de achterkant van de kofferklep prijken. De eerste is de sticker met ACAB en de tweede met de afbeelding van een plassend mannetje over het logo van de politie. De eerste gedachte die door me heen schiet is dat dit typisch zo’n straatracertje is, die zichzelf te pakken heeft en natuurlijk veel te hard heeft gereden. En ook nog eentje die een hekel aan de politie heeft.

Met die insteek loop ik naar de passagierszijde en schrik eigenlijk. Achter het stuur zit een jongen met een bebloed en van pijn verwrongen gezicht. Ik roep direct naar de meldkamer en vraag met spoed een ambulance. Ik open het rechterportier en spreek hem aan. Wat ik uit zijn woorden kan opmaken is dat hij veel pijn in de borst heeft. Ik kan het toch niet laten om te vragen of hij met mij wil praten. Ondanks de pijn kijkt hij me fronsend aan. Ik vertel hem dat ik de stickers achterop zijn auto gezien heb en dat ik 'een klootzak' van de politie ben die hem nu wil helpen. Hij slaat zijn ogen neer en zegt niets meer. Maar gelukkig hebben we als hulpverleners de professionaliteit om, ondanks de minachtende stickers, het slachtoffer correct te behandelen zoals het in onze taakstelling is verwoord, hulp verlenen aan hen die dit behoeven.

Ik vertel dat ik als hulpverlener hem kom helpen, dat hij zich niet moet bewegen en de ambulance onderweg is. Ik probeer hem op zijn gemak te stellen en in ieder geval bij bewustzijn te houden. Ik heb echt medelijden met hem, omdat ik zie dat hij veel pijn heeft. 

Zijn gordel hangt los naast de deurstijl en het stuur is verbogen. Hij ademt zwaar en krijgt weinig lucht. Er bevindt zich een airbag in het stuur, die niet geactiveerd is, dus ik moet oppassen dat hij niet alsnog uitklapt. Gelukkig zit er, omdat het al een oude auto betreft, aan de rechterzijde geen airbag. Ik pak voorzichtig zijn hoofd vast en fixeer dit in afwachting van de ambulance.

De ambulance komt inmiddels aangereden en het ambulancepersoneel ontfermt zich over de jongen. Het ambulancepersoneel constateert vermoedelijk een gebroken borstbeen en de jongen heeft een fikse hoofdwond. Ze vragen de brandweer ter plaatse om het voertuig open te knippen. De collega van de ambulance hoor ik zeggen dat hij zijn gordel niet om heeft gehad, dus mogelijk inwendig letsel heeft, gezien het verbogen stuur.

Inmiddels spreek ik getuigen en hoor ik dat de jongen hen met hoge snelheid voorbij is gereden. Een getuige verklaart dat hij gezien heeft dat de auto met een veel te hoge snelheid de bocht in ging. Ondanks hevig remmen boorde de auto zich vervolgens tegen de rechterkant in de vangrail (juiste benaming is eigenlijk geleiderail). Hierna tolde de auto en klapte tegen de, aan de linkerkant gelegen, vangrail aan.

Niet lang daarna verschijnt de eerste brandweerauto en beginnen de brandweermensen aan stabiliseren en het openknippen van de auto.

Met een schepbrancard wordt de jongen uit de auto gehaald en met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht. De jongen blijkt nog thuis bij zijn ouders te wonen. Ik bel zijn ouders op, die natuurlijk hevig schrikken. Ik vertel hen wat er gebeurd is en dat hun zoon naar het ziekenhuis gaat voor onderzoek.

Nadat de auto door de bergingsdienst is opgetakeld rijd ik naar het ziekenhuis om te vernemen hoe de toestand van het slachtoffer is.

Het blijkt dat hij inderdaad zijn borstbeen gebroken heeft, alsook diverse ribben.

In het ziekenhuis ontmoet ik de ouders van de jongen. Ik vertel precies wat er gebeurd is en dat we als hulpverleners met grote zorg hun zoon uit voertuig gehaald hebben en naar het ziekenhuis gebracht hebben.

Ook hier kan ik het niet laten om te vertellen van de stickers, die op de auto van hun zoon zaten. De term ACAB zei ze eigenlijk niets en het stickertje van het plassende mannetje is hen eigenlijk nooit opgevallen. Wel vertellen ze dat hun zoon regelmatig bekeuringen krijgt vanwege verkeersovertredingen en dat hij inderdaad altijd wel over de politie loopt te schelden. Maar ze vertellen ook dat ze tegen hem gezegd hebben dat het zijn eigen schuld is als hij bekeuringen krijgt, onder andere meerdere bekeuringen voor het rijden zonder autogordel.



Een paar weken later bezoek ik de jongen, die inmiddels thuis is uit het ziekenhuis. Ik heb nog wat vragen voor het proces-verbaal en voor de afhandeling van de schade.

We hebben een goed gesprek. De auto blijkt total loss te zijn en mag naar de schroothoop.

Na afloop schudden we elkaar de hand en bedankt hij mij voor alles. Ik vraag als hij een andere auto koopt of hij weer van die ‘mooie’ stickers op zijn auto gaat plakken. Hij moet glimlachen en schudt zijn hoofd.
Ik hoefde geen vermanend vingertje op te heffen of een preek te houden, ik had mijn doel bereikt.

 

maandag 10 februari 2014

De dood ingejaagd

De Cito-toetsen staan dinsdag weer voor de deur. Elk jaar gaan ouders van kinderen, die in groep 8 van de basisschool zitten, weer vernemen van de leerkrachten op welk niveau hun kinderen door kunnen stromen naar het voortgezet onderwijs. Veel ouders zullen het advies van de leerkrachten overnemen en hun kinderen ook op dat niveau in laten stromen op het voortgezet onderwijs. Maar er zijn ouders die vinden dat hun kind, ondanks de Cito-score, op een veel hoger niveau op het voortgezet onderwijs geplaatst moet worden. Een aantal kinderen blijkt dit niveau toch aan te kunnen, maar de meesten ervaren na een aantal jaren dat hun kind dit hoge niveau niet aankan en lager geplaatst moet worden. De gevolgen van extreme prestatiedwang kunnen desastreus zijn.

We krijgen een melding van ouders die vinden dat hun zoon, Jan (gefingeerd) de laatste tijd onhanteerbaar is, te laat thuiskomt, spijbelt en zich met duistere zaken bezig houdt. Of we als politie hier over willen komen praten.
We stappen een prachtige vrijstaande villa binnen en ontmoeten daar een gezin, vader Bert en moeder Truus, dochter Lies van 18 jaar oud en Jan van 14 jaar oud (namen gefingeerd).
We horen het verhaal van de vader Bert aan die in korte bewoordingen vertelt hoe goed dat ze het hebben. Een welgesteld gezin, waarvan beide ouders hard werken, een meer dan modaal salaris verdienen, drie keer per jaar op vakantie gaan en de beide kinderen alles krijgen wat hun hartje begeert. Kortom, alles zou goed moeten zijn, maar hun zoon valt uit de toon. Hij doet niet wat zijn vader of moeder zeggen, terwijl hij toch alles krijgt, en presteert slecht op school, sterk onder zijn doen. Tot slot vertelt Bert dat hij een voorbeeld moet nemen aan zijn grote zus Lies, die studeert aan de universiteit en uitmuntende cijfers heeft. Verder blinkt Lies uit in het bespelen van haar viool en maakt ze kans om toegelaten te worden tot het conservatorium. Jan is duidelijk een vreemde eend in de bijt. Jan had een Cito-score voor VMBO, maar is door zijn ouders min of meer gedwongen om de HAVO te gaan doen. Volgens Bert en Truus nog eigenlijk te laag, want Jan moet eigenlijk gewoon op het VWO zitten.

Als we Jan apart nemen, ben ik toch eigenlijk wel nieuwsgierig wat zijn verhaal is. Het blijkt dat Jan de HAVO eigenlijk helemaal niet aan kan, ondanks dat hij zijn uiterste best doet.
Als ik zijn Cito-score vraag kom ik tot de conclusie dat dit nooit een score van het VWO kan zijn, eigenlijk ook niet van de HAVO.
Elke dag moet Jan horen hoe goed dat zijn zus presteert en hoe slecht dat Jan presteert. Elke dag krijgt hij te horen dat hij alles krijgt van zijn ouders, maar desondanks met zijn pet ernaar gooit. Jan zoekt zijn heil bij zijn vrienden en blijft liever van school weg. Hij vertelt liever iets met zijn handen te doen, in de installatietechniek of in de metaaltechniek. Als ik vraag of hij dit tegen zijn ouders verteld heeft, haalt hij zijn schouders op. Hij vertelt dat hij uitgekafferd wordt en het niet in zijn hoofd moet halen om zo iets beneden niveau te gaan doen. Ik heb echt met Jan te doen, want er zit een zielig ongelukkig ventje tegenover mij.

Mijn collega blijft bij Jan en ik probeer om Bert en Truus ervan te overtuigen dat ze eens een keer gaan kijken naar de achterliggende gronden van de slechte prestaties van Jan. Wat ik ook probeer met argumenten of tips, het is tevergeefs. Ik moet me als politieagent niet bemoeien met schoolzaken, omdat ik daar geen verstand van heb. Ze zijn er heilig van overtuigd dat Jan een goed stel hersens heeft en gemakkelijk VWO-niveau moet kunnen doen. Op mijn vraag of ze wel eens contact met school hebben gehad om te kijken of Jan op de goede plek zit, antwoorden ze dat school inderdaad geadviseerd heeft om Jan op het VMBO (werken/leren) te plaatsen. Ze zijn het hier uiteraard niet mee eens, omdat dit volgens hen veel te laag is.
Bert en Truus hebben beiden een universitaire opleiding en Lies studeert ook aan de universiteit. Het kan niet mogelijk zijn dat Jan straks een baan heeft als installatiemedewerker of een dergelijke ‘ondermaatse’ baan.

We verlaten de woning met een onbevredigend gevoel, omdat we niet verder gekomen zijn. We laten een doodongelukkige Jan achter, waarvan ik niet weet hoe ik hem op dat moment kan helpen.
We besluiten een stevige mutatie te maken en deze door te sturen aan de wijkagent om toch vinger aan de pols te houden.

De dag erop heb ik weer dienst, een avonddienst. Ik lees een mail van de wijkagent dat Jan wederom niet op school verschenen is en vermist wordt. Het houdt me echt bezig die dienst, temeer omdat ik een naar voorgevoel heb dat de vermissing wel eens langdurig kan worden.
Tot een paar uur later de meldkamer een melding uitgeeft aan een wagen in een ander district dat er een jongen zelfmoord gepleegd heeft. Vraag me niet hoe, maar mijn gevoel zegt dat dit Jan wel eens kan zijn. Ik pak het bericht van de wijkagent erbij en lees het signalement. Ik bel de meldkamer en vertel hen dat we in ons district een jongen missen. Ik geef ze het signalement door en de kleding die hij aanhad. Nog geen 10 minuten later krijgen we het telefoontje dat Jan gevonden is, dood. Ik krijg van de meldkamer de opdracht om het slechte nieuws te gaan brengen.

Samen met een collega, die er gisteren niet bij was, rijden we naar de woning van Jan. Ik vertel de collega dat ik gisteren bij Jan geweest ben en wat mijn gevoel erover is.
Als we binnengelaten worden, vertel ik Bert, Truus en Lies vrijwel direct dat we slecht nieuws komen brengen over Jan. Ik vertel ze dat Jan zelfmoord gepleegd heeft en vertel ze hoe het precies gegaan is. Het is een moment stil en ik wacht de reactie van hen af.

Bert kijkt me emotieloos aan en zegt: “Ja, het is zijn eigen keus!
Ik weet niet hoe mijn gezichtsuitdrukking geweest is, maar ik was verbijsterd en uit het veld geslagen door de koele reactie van Bert.
Truus zegt niets en gaat op de bank zitten naast Lies en slaat een arm om haar heen. Ik bespeur bij Truus en Lies wel emotie, maar zij houden zich kennelijk in.
Normaal gesproken neem ik voor de confrontatie (het herkennen van een familielid) familie mee, maar door de hele situatie besloot ik zo snel mogelijk weg te gaan.


De confrontatie heb ik overgelaten aan andere collega’s.

maandag 3 februari 2014

Onzichtbare sluipmoordenaar slaat toe

Ongemerkt slaat hij toe, de sluipmoordenaar koolmonoxide. Nu de koude maanden weer zijn begonnen ligt het risico om ten prooi te vallen aan dit levensgevaarlijke gas op de loer.

Tientallen slachtoffers belanden jaarlijks in het ziekenhuis door koolmonoxidevergiftigingen, veroorzaakt door slecht onderhouden kachels, geisers en schoorstenen of dichtgestopte ventilatieopeningen. Koolmonoxidevergiftigingen met dodelijke afloop worden meestal veroorzaakt door geisers, schoorstenen en kachels.

Koolmonoxide wordt ook wel ‘de sluipmoordenaar' genoemd, omdat het gas kleur-, geur- en smaakloos is. Koolmonoxide wordt 250 maal sneller in het bloed opgenomen dan zuurstof. Het lichaam neemt dan in plaats van zuurstof koolmonoxide op, waardoor het zuurstofgehalte in het lichaam snel daalt. Bij extreme blootstelling raakt men bewusteloos en falen de hart- en longfuncties. In het ergste geval kan dit leiden tot hersenbeschadiging en/of overlijden. Ik kan het gelukkig navertellen, maar besef dat het heel anders had af kunnen lopen. Er zijn families die helaas een dierbare of dierbaren moeten missen.

Het is een koude winter en het vriest 8 graden onder nul. Omstreeks 16:00 uur krijgen Michiel en ik een melding dat op een adres de bewoner al een tijd lang geen gehoor geeft. Gekomen op het adres blijkt het dat de deur stevig op slot zit. We bestellen een slotenmaker die de deur vakkundig voor ons openmaakt. Als we de deur opendoen komt ons een tropische warmte tegemoet, vermengd met een ons “bekende” geur van iemand die overleden is. Voorzichtig loop ik als eerste door de hal de woonkamer binnen, gevolgd door mijn maat. We treffen binnen op de bank een overleden man aan. Wat mij opvalt is dat de grond nat is en de ruiten aan de achterzijde helemaal beslagen zijn. De gaskachel brandt, maar de vlammen zijn geel van kleur. We lopen terug naar de hal en melden onze bevindingen aan de inmiddels ter plaatse gekomen chef van dienst Sjaak. Deze trekt letterlijk zijn conclusies, want hij trekt mij uit de hal en doet onmiddellijk de voordeur dicht. Hij sommeert ons de brandweer te bellen, omdat hij vermoedt dat er zich koolmonoxide in de woning bevindt. Nadat de brandweer ter plaatse komt en met perslucht de woning betreedt, hebben we de poppen aan het dansen. De piepers van de brandweer gaan af en in de woning blijkt een zeer hoge concentratie koolmonoxide aanwezig te zijn, zo hoog dat bij inademing, langer dan anderhalve minuut, je hiervan overlijdt. De brandweercommandant vraagt aan ons hoe lang we in de woning zijn binnengeweest. Ik vertel hem dat we ongeveer 20 seconden zijn binnengeweest. De brandweercommandant wil een ambulance voor ons bestellen om ons naar het ziekenhuis te brengen. Ik zit hier helemaal niet op te wachten en stel voor  dat een andere collega ons even naar het ziekenhuis brengt. Hij gaat hiermee akkoord, zodat we niet lang daarna op de spoedeisende hulp zitten. Er wordt bloed afgenomen, wat direct in het laboratorium wordt onderzocht. Tot die tijd moeten we in het kamertje wachten en dat duurt best lang. Zo lang dat ik aan de verpleegkundige vraag of we niet even het ziekenhuis mogen verlaten om op de hoek bij de Turkse pizzeria wat eten kunnen halen. Ze kijkt ons best wel een beetje boos aan en vertelt dat we niet de ernst van de situatie inzien. We zouden best wel eens om kunnen vallen, vanwege een te hoge concentratie koolmonoxide. Ik verontschuldig me en zeg dat ik ook wel eens zou kunnen omvallen van honger. Ze verzekert me dat, als we opgenomen worden, we zeker vanavond nog te eten zullen krijgen. Ik zie de bui al hangen, in het slechtste geval krijgen we dan omstreeks 21:00 pas eten en we hebben gewoon trek. Ik heb alle begrip uiteraard voor de regels van het ziekenhuis, maar we kunnen ze ook een handje helpen door ons zelf te bedienen. Dus zodra de verpleegkundige weg is, bel ik Ali van de pizzeria en vraag hem of hij niet even 2 bakken ´kapsalon´ kan brengen bij de spoedeisende hulp. Ik vraag Ali mij even te bellen als hij voor de deur staat, zodat we het rechtstreeks aan kunnen pakken. Mijn maat Michiel is wat nerveuzer na de ´preek´ van de zuster en durft eigenlijk niets te bestellen. Ik vertel hem dat, als we moeten blijven in het ziekenhuis, we in ieder geval alvast lekker gegeten hebben. Na een kwartier staat Ali op de stoep met de bestelde ´kapsalon´ inclusief bestek. Stiekem loods ik het eten ons kamertje in en verorberen we, liggend op zo’n ziekenhuisbed, de kapsalon. De geur van patat, vlees en knoflook vult de ruimte. We liggen helemaal in een deuk. Kennelijk verspreidt de lucht zich over meerdere ruimten want groot zijn de ogen van de zuster als ze binnenkomt. Ze schudt haar hoofd en moet toch wel lachen. “Wat een figuren zijn jullie politie-agenten! “ roept ze uit. Na drie uur mogen we weer weg, omdat blijkt dat we een lichte verhoogde concentratie hadden, maar niet extreem hoog dat we aan het zuurstof moeten of een ziekenhuisopname noodzakelijk is. We verlaten het ziekenhuis en brengen het bestek bij Ali.
Achteraf besef ik dat we wel erg veel geluk hebben gehad en de situatie zwaar onderschat hebben. Sindsdien heb ik, naast onze rookmelders, ook een koolmonoxide melder aangeschaft.
Er zijn een aantal aanwijzingen voor de aanwezigheid van koolmonoxide. In een woning moet men vooral letten op de vlam in de geiser, kachel of cv-installatie. Deze hoort blauw van kleur te zijn. Is de vlam geel, dan wijst dit op de aanwezigheid van koolmonoxide. Ook beslagen ramen zijn een indicator van gevaar. Vrijgekomen waterdamp, die door een verkeerd werkende afvoer of onvoldoende ventilatie niet verdwijnt, zorgt voor beslagen ramen en natte vloeren. Zorg ondanks de kou voor voldoende ventilatie (goed luchten dus).

En de opmerking dat rookmelders en koolmonoxidemelders duur zijn en batterijtjes ‘vreten’? Wat is uw leven en het leven van uw dierbaren waard?

Op facebook is een petitie gestart onder de naam 'koolmonoxide levensgevaarlijk'. Zie https://www.facebook.com/#!/koolmonoxide?fref=ts Op 5 januari 2012 hebben ouders 2 dochtertjes verloren als gevolg van koolmonoxide.

maandag 27 januari 2014

Politieagenten en puzzelstukjes

Een melding van iemand die gevallen is. Dat zijn van die meldingen die we dagelijks als politie krijgen. Maar soms lijkt het wel of er voor je neus 100 puzzelstukjes op de grond worden gegooid, die je even in 5 minuten goed mag leggen. Maar ze vallen ook wel eens vanzelf op hun plaats..

Omstreeks 23:00 uur krijgen we een melding van een oude vrouw, die gevallen zou zijn op plein X te Rotterdam-Zuid. Op de plaats treffen wij inderdaad een oude vrouw aan, die met een vertrokken gezicht van de pijn op de grond ligt. We vermoeden dat haar heup wel eens gebroken kan zijn, gezien het feit dat haar ene been een stukje langer is dan haar andere been en ze klaagt over pijn in haar zij. Verder heeft ze een flinke wond aan haar hoofd, dus we vragen om een ambulance. We dekken haar toe met een deken en mijn collega probeert haar op haar gemak te stellen. Ze is echter erg onrustig en komt nogal verward over. Naast haar op de grond ligt een schoudertas.

Als de ambulance ter plaatse komt en ze op de brancard gelegd is, word ik aangesproken door een voorbijganger. Deze vertelt mij dat er 100 meter verderop een gewonde jongen op straat ligt. Ik zal deze jongen verder Kees noemen. Ik loop naar de plaats toe die de voorbijganger aanwijst en zie Kees op de grond zitten met een zwaar bebloed hoofd. Ik vraag aan de meldkamer direct om nog een ambulance voor Kees. Dan rijzen er vraagtekens bij mij. Zo dicht bij elkaar, heeft dit iets met elkaar te maken?
Er begint iets te dagen als mijn collega over de portofoon doorgeeft dat de oude vrouw in de ambulance tegen de GGD collega´s heeft gezegd, dat ze van twee jongens op een scooter een duw heeft gekregen, waarna zij gevallen is. Ze zegt dat ze haar tas kwijt is, maar mijn collega stelt haar gerust en zegt dat hij haar tas heeft. We vermoeden dus dat het simpelweg geen ongeval is, maar een mislukte beroving.

Maar zou er verband kunnen zijn met Kees, die kennelijk zwaar mishandeld is?

Plotseling verschijnt om de hoek van het Z hof een jongen op een scooter, die ik verder Jan zal noemen. Jan schrikt kennelijk bij het zien van mij net zo erg, als dat ik schrik bij het zien van hem. In een flits schiet door mij heen, dat dit wel eens de scooterrijder kan zijn, die de vrouw beroofd heeft. Ik ren op Jan af, maar voor ik hem kan pakken rijdt hij snel weg. Ik sprint naar onze auto toe, roep naar mijn collega dat hij naar Kees moet gaan, en ga op zoek naar Jan. Het is gelukkig rustig op straat, dus een scooter moet opvallen. Zonder licht rijd ik door de wijk heen, als plotseling voor mijn neus een scooter opduikt, die mij tegemoet rijdt. Ik herken Jan als de bestuurder. Links en rechts van mij staan geparkeerde auto’s, dus hij kan alleen hier tussendoor rijden. Jan probeert inderdaad tussen de geparkeerd staande auto´s door te rijden, maar ik besluit om hem klem te rijden en met scooter en al tegen een geparkeerd staande auto aan te duwen. Ik besef dat dit wel eens pijnlijke benen voor Jan kan opleveren, maar denk aan de andere kant aan de oude vrouw die beroofd is. Ik ram de scooter aan de zijkant en duw deze met Jan klem tegen de achterkant van een Suzuki Jimmy, een kleine terreinwagen met de reserveband op de achterzijde gemonteerd. Dat is het geluk van de Jan en van mij. Jan zit vastgeklemd met zijn scooter tegen de achterkant, maar door het reservewiel knel ik zijn benen niet af. Ik spring vanuit mijn auto op de motorkap en grijp Jan beet, die automatisch zijn handen in de hoogte steekt en kermt dat hij zich overgeeft. Ik boei de armen van de Jan, maar dan komt mijn probleem. Ik moet hem loslaten en eerst mijn auto achteruit rijden om hem vrij te krijgen. Ik geef aan de meldkamer door in welke straat ik sta en dat ik daar een arrestant heb gemaakt in verband met een beroving. Hierna laat ik Jan los en stap in mijn auto. Wat er dan gebeurt, is een hilarisch gezicht. Als ik de auto achteruit rijd, valt de scooter met Jan erop om. Kennelijk is de kleding van Jan achter het stuur van de scooter blijven haken en door de boeien kan Jan zijn evenwicht niet houden en valt kermend op straat. Ik stap uit en raap Jan op en plaats hem in de auto. Gelukkig heeft hij geen letsel, waar ik wel erg blij om ben. Het is immers een risico om op deze manier Jan klem te rijden, omdat het letsel bij Jan had kunnen veroorzaken.

Inmiddels heb ik assistentie gekregen van collega’s die zich ontfermen over de scooter. Met Jan rijd ik terug naar het Z hof, waar mijn collega bij Kees staat. Onderweg wordt het raadsel ongevraagd door Jan opgelost. Hij verklaart uit eigen beweging dat hij niet het brein was achter het plan om de oude vrouw te beroven, maar van zijn vriend Kees die achterop zat. Hij verklaart dat Kees aan hem vroeg om te keren en langs het oude vrouwtje te rijden. Jan deed dit, waarna Kees vervolgens al rijdend de tas van de oude vrouw haar schouder had gerukt.  Hij kreeg de tas te pakken en ze reden snel weg richting het Z hof. De beroving was echter gezien door een groep jongelui die op het Z hof stonden. Jan en Kees reden hier precies langs. Enkelen van de groep trokken Kees van de scooter, maar Jan kon met zijn scooter ontkomen.
Jan verklaarde dat hij even later was teruggegaan met zijn scooter, omdat hij bang was dat Kees dood zou worden gemaakt door die groep jongelui. Toen hij een politieagent zag staan schrok hij en ging er vandoor.
Terug op het Z hof leg ik mijn verbaasde collega uit dat we zojuist een beroving op de oude vrouw hebben opgelost. Ik vertel hem in het kort het verhaal en zegt dat hij Kees moet aanhouden voor beroving. Hoe Kees aan de verwondingen komt leg ik hem ook uit.

Gelukkig voor Kees bleef het bij een hersenschudding en een bont en blauw gezicht. Na schoongemaakt te zijn in de ambulance kon hij met ons mee naar het politiebureau. De oude vrouw bleek inderdaad een gebroken heup te hebben, als gevolg van de val na de brute beroving.

Achteraf blijkt dat Kees door de jongelui op het Z hof is geschopt en geslagen, als vergelding voor de beroving van de oude vrouw. De jongelui hebben de tas vervolgens bij de oude vrouw gelegd en 112 gebeld. Vermoedelijk hebben de jongelui, vanwege hun ´aanpak´ van Kees, na het zien van de politie, de kuierlatten genomen.

maandag 20 januari 2014

Airbags, levensreddend of levensgevaarlijk?

Er rijden niet veel auto’s meer rond die niet zijn uitgerust met een airbag. Een airbag is een geweldige uitvinding, die slachtoffers van een ongeval een hoop letsel kunnen besparen. Maar tegelijkertijd is een geactiveerde airbag levensgevaarlijk wanneer de slachtoffers zich niet op de goede manier in de auto zitten.

Zo krijgen we een melding van een aanrijding met gewonden op de rijksweg. Er zouden meerdere auto’s  bij betrokken zijn.
Ter plaatse treffen we twee auto’s aan, waarvan één van de auto’s op zijn kant ligt met daarachter nog een brokstuk van iets wat ooit een caravan is geweest.
Over alle rijstroken ligt het gehele interieur van de caravan verspreid, kortom een chaos.
In de auto, die op z’n kant ligt, zit een slachtoffer. Het is een vrouw en ik ontferm me over haar. Haar man staat er hulpeloos bij en wordt opgevangen door mijn collega.
De vrouw blijkt ernstig gewond te zijn en heeft dringend medische hulp nodig.
Ik bestel met spoed de ambulance en de brandweer en probeer de vrouw bij kennis te houden.
Van de auto zijn alle airbags in werking getreden. Dat had gunstig geweest moeten zijn voor  de vrouw, die nog in de gordel hangt.
Echter de voet van de vrouw is ernstig verbrijzeld en verbrand. Haar been ligt  in een hele rare stand, waarvan ik niets begrijp.
Zelfs  het ambulancepersoneel en het mobiel medisch team, die de helikopter midden op de rijksweg hebben geparkeerd, begrijpen er in eerste instantie niets van. Hoe is het mogelijk dat er zoveel letsel ontstaan is, terwijl de aanrijding niet echt complex is. De ambulancemedewerkers vragen mijn collega of hij aan de man wil vragen in welke positie de vrouw voor de aanrijding in de passagiersstoel heeft gezeten. Dan blijkt dat zijn vrouw, onderuit gezakt, met haar rechtervoet op het dashboard zat. Midden op de brug moest haar man plotseling stevig remmen voor langzaam rijdend verkeer voor hen. De caravan blijkt, na onderzoek later, te zwaar beladen te zijn geweest. Hierdoor kon de man zijn auto niet tijdig meer tot stilstand brengen. Hij botste vervolgens met een behoorlijke klap tegen de voor hem rijdende auto aan.
Dat verklaart voor de hulpverleners het ernstige letsel bij de vrouw.
Door de plotselinge remmanoeuvre kon de vrouw, doordat ze onderuit gezakt lag met haar voet op het dashboard, niet meer op tijd normaal gaan zitten. De airbags in het dashboard traden bij de aanrijding in werking door de klap. De voet van de vrouw werd door de passagiersairbag geperst tussen het dashboard en de dakstijl. Verder komt er, bij het inwerking treden van een airbag, enorme hitte vrij, wat dus ook de brandwonden verklaart aan haar voet en been.
Ook heeft zij een ernstige heupfractuur, doordat haar been met een enorme klap omhoog is getrokken.
Ze wordt door de brandweer uit haar benarde positie bevrijd en met spoed overgebracht naar een ziekenhuis.

Kort daarna word ik weer geconfronteerd met de kracht van een airbag. In dorp X rijdt een automobilist tegen de achterzijde van zijn voorganger aan. Zijn hond zit los naast hem op de voorstoel en belandt met zijn kop tussen het dashboard en de voorruit. Door de kracht van de botsing wordt de airbag geactiveerd en de kop van de hond komt tussen de airbag en het dak terecht. De hond is op slag dood.

Sinds die ongelukken krijg ik de rillingen bij het zien van mensen die “relaxed” hun benen of voeten op het dashboard hebben liggen of die, nog erger,  met een kind op schoot autorijden.
Ik geef deze mensen dan ook een stopteken, wat nogal eens verbaasde gezichten oplevert waarom ze aan de kant gezet worden door de politie. Als ik de mensen dan wijs welke ernstige gevolgen een voet op het dashboard of een kind op schoot kan hebben, zie je ze toch verbleken bij de gedachte.
Ik weet zeker dat er lezers zijn die na het lezen van deze blog zich wel drie keer zullen bedenken om hun voeten op het dashboard te leggen of een kind op schoot te nemen op de voorstoel.

maandag 13 januari 2014

Een schofterige smoes

Om onder een bekeuring uit te komen, hebben mensen de meest fantastische smoezen. Ik heb ze inmiddels in alle soorten gehoord. Soms vinden mensen het raar als ik zeg dat ik ze niet geloof, terwijl ze misschien wel de waarheid spreken. Maar het probleem is dat ik zoveel keer bedrogen ben, dat ik niet zomaar meer  overstag ga. De meest schrijnende ervaring is dat een kind op de achterbank een klap wordt verkocht, zodat hij/zij hard gaat huilen, om vervolgens te zeggen dat ze op weg naar de spoedeisende hulp zijn van het ziekenhuis vanwege de hoge koorts bij het kind. De vage antwoorden op mijn vragen deed mij besluiten om mee te rijden naar het ziekenhuis, waar de aap uit de mouw kwam. En dan ben ik boos. Ook om schofterige smoezen….

Collega André van verkeerspolitie rijdt op de politiemotor op de snelweg als hij een auto in de gaten krijgt die er behoorlijk de vaart in heeft. Hij rijdt met een snelheid van 150 kilometer per uur terwijl 100 kilometer per uur is toegestaan. Hij zet de auto op het tankstation aan de kant en spreekt de bestuurder aan. De man, genaamd Jan Vlok (gefingeerd), vertelt nogal haast te hebben, omdat zijn vrouw gebeld heeft dat ze gaat bevallen in het ziekenhuis. Nou is het zo dat we in zo’n geval meestal de hand over het hart strijken, wel rekening houdend dat het ook wel eens een smoes kan zijn om onder de bekeuring uit te komen. André noteert dus de gegevens van Jan Vlok, inclusief het telefoonnummer van zijn mobiel en informeert in welk ziekenhuis zijn vrouw gaat bevallen. Jan vertelt dat hij op weg is naar ziekenhuis X. André geeft hem zijn rijbewijs terug en vertelt dat hij wel een geboortekaartje wenst te ontvangen als bewijs dat Jan niet liegt en geeft hem het adres van het politiebureau.
Enige weken later ontvangt André een geboortekaartje van de geboorte van een dochter, genaamd Shirley (gefingeerd), geboren op de dag dat André Jan heeft gecontroleerd. André laat mij het geboortekaartje zien en nieuwsgierig geworden controleer ik het adres via het bevolkingsregister. Ik zie dat er op het adres twee mensen ingeschreven staan, namelijk Jan en een vrouw, maar geen kind. Dat is vreemd en wat ik ook raar vind is dat op het kaartje het mobiele telefoonnummer van Jan staat. De moeder wordt toch als eerste gebeld na een geboorte? André draait het mobiele nummer van Jan en zet de telefoon op meeluisteren, zodat ik het gesprek kan volgen. André feliciteert Jan met de geboorte van zijn dochter en informeert in welk ziekenhuis ze nou precies geboren is. Hij rept echter met geen woord over het feit dat we al in het bevolkingsregister hebben gekeken, omdat het mogelijk misschien een fout in het register is. Na beëindiging van het gesprek belt André het ziekenhuis, waar ze echter vertellen dat noch Jan, noch zijn vrouw daar patiënt zijn geweest.

Hierop belt André wederom naar Jan  en vertelt dat er geen Shirley is geboren en dat Shirley ook niet in het bevolkingsregister is ingeschreven. Het is even stil aan de andere kant. Dan verdraait Jan zijn stem en zegt op een geëmotioneerde toon dat ze wel in het ziekenhuis zijn geweest, maar Shirley bij de geboorte is overleden. Dan ben je even stil en weet je eigenlijk niet wat je moet zeggen. André condoleert Jan met het verlies en hangt de telefoon op. Zo’n verhaal verzin je niet, dus neem je aan dat het de waarheid is. Verbijsterd kijken we elkaar aan, maar één ding blijft bij me knagen.  Het mobiele telefoonnummer van Jan wat op het kaartje staat. Ik zoek me suf in allerlei systemen en ontdek een gewone huistelefoonaansluiting. Dus besluiten we dit nummer te bellen. We horen dat een vrouw de telefoon opneemt. André vraagt aan de vrouw of haar vriend/man Jan Vlok heet en de vrouw bevestigt dit. André vertelt dat hij een geboortekaartje van Shirley voor zich heeft liggen en dat hij van Jan begrepen heeft dat Shirley na de geboorte is overleden.

Het is vervolgens angstig stil aan de andere kant van de lijn. Met een piepstem vraagt de vrouw wie ze aan de lijn heeft, waarop André haar nogmaals vertelt dat hij van de Politie is en dat hij een geboortekaartje van Jan heeft gekregen. Hij vertelt verder wat Jan allemaal heeft gezegd en ook van het overlijden van Shirley. Het blijft wederom angstig stil aan de andere kant van de lijn. Hierna klinkt gesnik van de vrouw, waarop André en ik elkaar aankijken. André vraagt nogmaals of het de waarheid is wat Jan vertelt heeft. De vrouw begint daarna te vertellen dat ze er helemaal niets van begrijpt. Ze is helemaal niet bevallen van een dochter, maar is nog steeds hoogzwanger van hun eerste kindje. Zij en haar man Jan weten dat het een dochter wordt, wat ze na de geboorte de naam Shirley geven. Als ze hoort dat Jan heeft verteld dat Shirley bij de geboorte was overleden, kan ze haast niet geloven dat haar man dit allemaal heeft verzonnen voor een bekeuring. André noemt het mobiele nummer wat we zojuist twee keer hebben gebeld en ze beaamt dat dit het nummer is van Jan. Hierop beëindigen we het telefoongesprek en bellen direct weer het mobiele telefoonnummer van Jan. Jan neemt echter niet meer op, ondanks vele pogingen. We bellen hierop opnieuw de vrouw en vragen haar om Jan contact met ons op te laten nemen. Een uur later belt Jan. Hij biedt zijn excuses aan, maar deze hoont André weg. Hij krijgt uiteindelijk alsnog zijn bekeuring. Ik heb me nog wel eens afgevraagd  hoe Jan met zijn excuses en smoesjes (leugens) zijn vrouw onder ogen gekomen is, want ik noem dit gedrag gewoon ‘schofterig’.

maandag 6 januari 2014

Scootmobielperikelen



De uitvinding van de scootmobiel is een bevrijding geweest voor veel mindervaliden en ouderen. Door aanpassingen van trottoirs, winkels en openbare gebouwen zijn ze minder afhankelijk geworden van hulp. Er zijn mensen die zich eraan irriteren, omdat sommige bestuurders het niet zo nauw nemen met de verkeersregels. Ze zijn echter niet meer weg te denken in de maatschappij. De scootmobiel heeft echter ook zijn beperkingen.

Opa, die in een ver verleden autocoureur was geweest, moet zich wel op een sportieve manier verplaatsen om zijn vaardigheid een beetje bij te houden. Opa, die al over de 80 jaar oud is, steekt eigenwijs de Groene Kruisweg over, niet bij een oversteekplaats, maar gewoon halverwege door de berm.
Hij steekt twee rijstroken over en rijdt vervolgens tegen de hoge trottoirband op de middenberm in. Goed kijken naar het aanstormende verkeer van rechts en alsnog daarvoor oversteken. Je klikt de schakelaar van de scootmobiel op het symbool van de haas, geef volgas en je schiet vooruit. Dat haal je dan ook makkelijk. De hoge trottoirband aan de andere kant van de middenberm af en racen naar de overkant. Althans, dat was de bedoeling. Het nadeel van 3 wielen is, dat bij het te scherp draaien met het voorwiel, de scooter wel eens omslaat. En dat gebeurt ook.
Met scootmobiel en al slaat Opa om en ligt op de linkerrijstrook van de Groene Kruisweg. De bestuurder van de voorste auto op rechterrijstrook ziet het gebeuren en remt stevig af. De auto die achter hem rijdt, wijkt uit naar de linkerrijstrook, maar ziet daar Opa liggen. Hij wil Opa niet raken, dus rijdt hij tegen de hoge trottoirband op de middenberm in en komt daar tot stilstand met twee vierkante voorvelgen. En als klap op de vuurpijl botst er nog een auto op de auto die op de rechterrijstrook stilstaat.
Er ontstaat een chaos. Dan is er gelukkig het tijdperk van de mobiele telefoon en de chaos is compleet. Uit de vele telefoontjes kan de meldkamer opmaken dat er een man met een scootmobiel is aangereden door een auto, zwaargewond op het wegdek ligt en er een auto tegen een boom in de middenberm is aangeknald en er mogelijk mensen bekneld zitten. Verder staat de achterste auto mogelijk in brand.

Als eerste voertuig komen wij ter plaatse en schatten de situatie in. Er ligt inderdaad een scootmobiel op de linkerrijstrook, maar Opa staat er springlevend naast. Hij staat er breedlachend bij en vindt alle commotie reuze interessant. Er staat een auto in de middenberm met twee lekke banden, dichtbij een boom maar er niet tegen, zonder mensen erin. Verder staan er twee auto’s op de rechterrijstrook met schade, die kennelijk tegen elkaar gebotst zijn. Uit de achterste auto komt stoom uit de kapotte radiateur.

Wij hebben geen idee wat hier gebeurd is, maar inmiddels horen we een berg sirenes en komen van alle kanten brandweerwagens en ambulances aanrijden inclusief een traumahelikopter die na korte tijd later boven ons hoofd cirkelt.
Na een paar getuigen gehoord te hebben, wordt ons een stuk duidelijker wat er gebeurd is. Opa is helemaal niet aangereden, maar is eigenlijk de verdachte van het veroorzaken van een verkeersongeval.

We hebben Opa meegenomen naar zijn woning, een nabijgelegen bejaardenhuis en daar verder alle papieren ingevuld. We hebben hem duidelijk gemaakt dat hij beter niet meer door de middenberm kan oversteken. Wederom breedlachend gaf Opa ons een hand. Hoofschuddend lopen we weg, de vraag zal zijn of hij ervan geleerd heeft. Gelukkig is het goed afgelopen!
Voor een vrouw op een scootmobiel is onze hulp, volgens haar, de mooiste hulp die ze ooit gehad heeft. In de vrieskou, het is een paar graden onder nul, heeft ze haar boodschappen gehaald. Op de Pleinweg begeeft haar scootmobiel het. Na ruim een half uur geprobeerd te hebben om de aandacht van automobilisten of voorbijgangers te trekken zonder dat iemand reageerde, begint ze het toch wel koud te krijgen. Een medewerkster van cameratoezicht, die de vrouw via de camera’s ziet staan, merkt op dat de vrouw al geruime tijd stilstaat en aan het wenken en zwaaien is. De medewerkster pleegt een belletje naar het bureau en vraagt of we even op de locatie willen kijken of het wel goed gaat met de vrouw.
Ik heb die dag motorsurveillance en ben even op het bureau om me op te warmen. Via het beeldscherm op het bureau zie ik dat de vrouw zit te klappertanden. Snel trek ik mijn jas aan en spring op mijn motor. Binnen een minuut ben ik ter plaatse, samen met Jaap, de wijkagent, die op de fiets is. Het blijkt dat de accu’s van de scootmobiel het begeven hebben. Ze is erg blij ons te zien en vertelt dat ze 600 meter verderop woont. Ik ontgrendel de scootmobiel, stap op mijn motor en vertel de vrouw dat ze een lift van ons krijgt. Het is een hilarisch gezicht. Ik duw met mijn voet tegen de achterzijde van de scootmobiel en Jaap op de fiets duwt ook tegen de rugleuning van de scootmobiel. Ze schiet vooruit en binnen korte tijd bereiken we een flinke snelheid. De vrouw giert het uit van het lachen, wat voorbijgangers met verbazing doet kijken. Uiteraard volgt cameratoezicht onze verrichtingen via de camera’s en de beelden leveren bij de meekijkende collega’s van de meldkamer en op het bureau grote schik op.
Na een week krijgen we via de korpsleiding een mailtje van de vrouw, waarin ze de politieagenten hartelijk bedankt voor de snelle hulp en de racetocht naar huis.